De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Maar Gideon zeide tot hem: och mijn Heer, zoo de Heere met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren ? Rich teren 6 : 13a.'

Een Gideons vraag voor onzen tijd.

Zonde en genade, dat is de machtige tegenstelling, die gansch onzen Bijbel, maar inzonderheid het boek der Richteren beheerscht. Telkens toch was het de zonde volks, waarom de Heere hen in de iand hunner vijanden verkocht; maarj telkens was het ook weer de genade des Heeren die hun een Held der hulpe beschikte. Zoo had de Heere Zijn volk eerst door middel van Othniël uit de hand van den koning van Mesopotamie verlost.; Daarna had God hun Ehud en Samgar gegeven, van wie de eerste de Moabieten de tweede de Filistijnen versloeg. Daarop had de Heere hun een glorierijke overwinning door Barak bereid, en schoon was het lied waarin Debora de nederlaag van Jabin en den dood van Sisera had bezongen.

Maar weer hadden de kinderen Israels gedaan dat kwaad was in de oogen des Heeren en weer had de Heere ze overgegeven in de hand van den vijand. Ditmaal waren het de Midianieten die hen reeds zeven jaren hadden verdrukt. Doch als de kinderen Israels verarmd waren, riepen zij tot den Heere. En als de Heere eerst een profeet had gezonden om Zijn volk aan te wijzen waar de oorzaak hunner verdrukking lag, dan verwekt Hij hun een verlosser in Gideon, den zoon van Joas, den Abiëzriet, Bekend is de roeping van dezen Godsman, toen hij bezig was om tarwe te dorschen bij de pers, om die te bergen voor het aangezicht der Midianieten. De Engel des Heeren nl. verscheen hem. Diezelfde Engel, die Hagar verschenen was in de woestijn, die Abraham verschenen was op Moria, die Jacob verschenen was aan Jabbok, die Mozes verschenen was bij Horeb, die Jozua verschenen was voor Jericho, diezelfde Engel verscheen hier ook aan Gideon en wie kent niet het woord waarmee hij hem trof: „de Heere is met u, gij strijdbare held."

Maar hoort nu het vragende antwoord dat Gideon daarop volgen laat: Och mijn Heer, zoo de Heere met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren?

Die vraag van Gideon mag in de veelbewogen tijden, die wij doorleven, wel herhaald worden. Zoowel voor toen als voor nu hooren we in die vraag een toon van diepe ellende, grove zonde en rijke verlossing.

Waarom is ons dit alles wedervaren? Voor die mismoedige vraag van Gideon scheen alle reden te zijn. Diep treurig toch was in die dagen de toestand van Israels volk. Dat volk dat door den Heere bestemd scheen om over de heidenen te heerschen was uitgehongerd en verarmd. De Midianieten heerschten over hen, dat volk dat afstamde van Abraham en Ketura en dat ook op de woestijnreis des Hèeren volk zooveel kwaad had gedaan. En wel waren zij toen tenslotte door Israël met een verpletterenden slag verslagen geworden, maar thans hadden zij. zich weer hersteld, en in bondgenootschap met Amalek en andere Oosterscbe volkstammen kwamen zij met woeste benden, als sprinkhanen aan op het land dat de Heere Zijn volk ten erfenis gegeven had. En wat Joel van de sprinkhanen getuigt, dat bleek ook op die vijandige Midianieten van toepassing te zijn: „voor hen verteert een vuur en achter hen brandt een vlam; het land is voor hen als een lusthof, maar achter hen een woeste wildernis, ook is er geen ontkomen van hetzelve."

Het was den Midanieten dan ook voornamelijk om Israels koren te doen. Het volk moest niet zoozeer uitgehongerd als wel uitgemergeld worden. Zij konden zaaien, maar wat zij gezaaid hadden, werd door een ander gemaaid. De vrucht huns lands werd gegeten door een volk dat zij niet kenden. Men liet zelfs geen leeftocht over in Israël, noch klein vee, noch os, noch ezel. Was het wonder dat er van Israels volk staat dat het zeer verarmd werd vanwege de Midianieten; en dat als er nog wat koren overbleef men dit steelsgewijze moest dorschen, gelijk we dat ook lezen van Gideon, dat hij koren dorschte bij de pers ? Diep was dus de ellende waarin het vroeger zoo rijk bevoorrechte volk des Heeren verzouken lag. En tegenover dien machtigen vijand, wiens kemelen niet te tellen waren, bleek Israël met volkomen machteloosheid geslagen te zijn. Zij konden er niets tegen doen en moesten dus lijdelijk dragen het zware juk dat hun door hun vijanden werd opgelegd,

Gideon had dus wel recht om te spreken van „dit alle»" dat hun wedervaren was; immers de toestand scheen voor Israels volk haast onhoudbaar te worden. Men wist niet meer waar het heen moest; vandaar dat velen van de kinderen Israels zich verstoken hadden in de holen der bergen en in de spelonken en in de vestingen, die men uitgegraven en aangelegd had.

En het waarom? Ach op die vraag van Gideon heeft het eerste vers van Richteren 6 ons reeds een antwoord gegeven: de kinderen Israels deden dat kwaad was in de oogen des Heeren. Hun zonden, hun afwijken van den Heere, hun smadelijk verwerpen van Gods inzettingen en rechten, dat was de diepste oorzaak waarom de Heere hen in de hand van dezen machtigen vijand had overgeleverd. In de eerste plaats hadden zij de inwoners niet verdelgd, die de Heere nog in het land Kanaan had doen overblijven. En de Heere had het hun immers voorspeld: als zij dat niet deden, dan zouden die inwoners hun zijn tot doornen in hunne oogen en tot prikkelen in hunne zijden en zij zouden ze benauwen in het land waarin zij wonen zouden. Welnu, de waarheid van die bedreiging des Heeren ondervonden zij nu.

Maar behalve dat waren de afgoden dier volken hun tot een valstrik geworden. Israël was gelijk aan een overspelige vrouw; inplaats van haren man nam zij de vreemden aan. Wat de profeet Hosea later het volk laat uitroepen dat was ook hier reeds de taal dezer overspelige geweest: „ik zal mijne boelen nagaan, die mij mgn brood en mijn water, miijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven."

Was het wonder dat de Heere ook hier reeds Zijn bedreiging had vervuld: „Daarom, ziet, Ik zal uwen weg me doornen betuinen en Ik zal een heiningmuur maken, dat zq hare paden niet vinden zal. En zij zal hare boelen naloopen, maar dezelve niet' aantreffen; en zij zal ze zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: „ik zal wederkeeren tot mijnen vorigen man, want toen was mij beter dan nu."

Ja, daar was het den Heere om te doen. Daarom had Hij Zijn volk verkocht in de hand der roovers die ze beroofden, opdat daar een terugkeer tot Zijn dienst en Woord; een terugkeer tot Zijn rechten en inzettingen gevonden zou worden. De Heere strafte Zijn volk ook hier niet uit lust tot plagen, maar midden in de verdrukkingen riep Hij het hun als 't ware toe: Keer weder tot Mij, en Ik zal tot u wederkeeren..

Vandaar dat de Heere dan ook eerst een profeet had gezonden om Zijn volk daaraan te herinneren en om hun dat nog eens met nadruk aan te zeggen. Immers toen het volk tot den Heere riep, heeft de Heere ze niet aanstonds verlost. Daar werd eerst een man uitgezonden, wiens naam ons niet bewaard is gebleven; en die profeet had het volk herinnerd, hoe de Heere ze uit Egypte, uit het diensthuis uitgevoerd had; die profeet had er hen bij bepaald hoe de Heere gezegd had dat zij. toch de goden der Amalekieten niet vreezen zouden; zijt mijner stemme niet gehoortóam geweest.

Dus eerst een profeet om het volk hunne overtredingen voor te houden, om hen in den middellijken weg te ontdekken aan zonde en schuld. En gij gevoelt wel hoe ook in het zenden van dien profeet Gods trouwe zorg voor Zijn volk reeds uitkomt, niet waar? Die profeet moest als 't ware plaats maken voor den Verlosser. Evenals Johannes de Dooper later optrad als boetgezant en wegbereider van Christus, zoo moest deze profeet het volk eerst manen tot boete en berouw. Immers daar zou eerst een droefheid moeten zijn over de zonde, want alleen langs dien weg kon en kan daar een onberouwelqké bekeeriug tot zaligheid zijn.

Hieruit merkt ge, dat God ook deze verlossing eerst liet voorbereiden. Maar toen zij voorbereid was, heeft de Heere ook naar het geroep Zijner ellendigen gehoord, en de Engel wordt uitgezonden om het Gideon toe te roepen dat de Heere met hem zou zgn.

De Heere met hem! Dat wordt hier gezegd tot Gideon. Zooals we weten was hij uit den stam van Manasse; hij was dus niet uit een van de beste, maar wel uit een van de slechtste stammen. Manasse toch had zich aimee het meest aan het niet verdrijven der Kanaanieten schuldig gemaakt (Richt. 1). Wellicht was dit wel de reden dat Manasse zich ook 'het meest aan den dienst der afgoden vergrepen had. Getuige daarvan de eeredienst van Baal, die te Ofra bestond, en waaraan inzonderheid de vader van Gideon en diens gansche geslacht zich schijnt te hebben schuldig gemaakt. Uit dat afgedoolde huis van Joas nu had de Heere zich Gideon verkoren om de redder van Zijn volk te worden. Gevoelt gij hoe hierin de gedachte ligt opgesloten dat die redding een daad van Gods vrij machtige genade zou zijn ? Neen, Gideon had zich door zijn natuurlijke geboorte het richterschap van Israel niet waardig gemaakt; en daarin was deze Gideon immers een beeld van gansch 's Heeren volk. Israel had het niet verdiend dat de Heere met hem zou zijn. Integendeel, als de Heere met Zijn van Hem af hoereer end volk in 't recht was getreden, dan zouden zij door de Midianieten niet alleen verdrukt, maar geheel en al vertreden zijn. Maar nu hadden zij te doen met een God die in den toorn des ontfermens gedenkt. Zij hadden het er niet naar gemaakt, maar de Heere was om Zijns Naams wil aan hen gedachtig geweest. Hij dacht aan het verbond dat Hij met Abraham, Izaak en Jacob had opgericht. En als vrucht van die vredesgedachten, die de Heere van eeuwigheid over Zijn volk had gehad, zou de trouw des Heeren door de ontrouw Zijns volks niet vernietigd kunnen worden. De Heefe is met U ; dat was het woord tot Gideon, maar in hem was dat het woord - tot Israels volk. Maar ziet nu hoe Gideon die verlossingsgedachten Gods niet aanstonds aanvaardt. Immers, och mijn Heer, riep hij uit: zoo de Heere met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren ? Zoo de Heere met ons is.. Niettegenstaande het woord persoonlijk tot Gideon gericht was, stelt hij dus zichzelf aanstonds op den achtergrond; voor zich persoonlijk durft hij die belofte heelemsial niet aanvaarden. Maar ook als hij het persoonlijke op zij zet en zichzelf slechts beschouwt als onderdeel van zijn volk, ook dan nog schijnt alles er tegen te zijn dat de Heere met hen zou wezen. Uit wat hij zoo om zich ziet gebeuren, schijnt, het immers juist alsof de Heere tegen hen is. Overgegeven als zij zijn in de hand van den vijand, verdrukt als zij worden door de benden der Midianieten, afgeweken als zij zijn van God en Zijn Woord, schgnt het als of de Heere ook hen heeft verlaten en alsof Hij hen aan het goeddunken huns harten heeft overgegeven. Inplaats van God met ons, wil Gideon zeggen, schijnt toch alles er voor te pleiten dat de Heere tegen ons is. Neen, Gideon heeft de belofte des Heeren niet aanstonds aanvaard. Hij zag veel meer op de omstandigheden waarin hij verkeerde, dan dat hij hoorde naar het Woord dat daar van Godswege tot hem kwam. En toch heeft Gideon dit Woord ook weer niet heelemaal verworpen. Daar bleek uit dat er meer geloof in zijn hart was dan hij zelf wel wist. Immers hij zegt niet: de Heere is niel met ons! Hij vraagt alleen:200 de Heere met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren? Daar is in zijn ziel dus een strijd tusschen ^wat hij hoort en wat hij ziet. Hij ziet op de diepe ellende des volks en op de grove zonden waaraan ook hij zich had schuldig gemaakt; en hij hoort de stem van den engel, het Woord der belofte dat hem spreekt van rijke verlossing, omdat de Heere met hem is. En ach, nu behoef ik u zeker niet te zeggen aan welke zyde straks de overwinning zal zijn. Als gij de geschiedenis nagaat, dan merkt ge hoe Gideon, na met de zonde van zijns vaders huis gebroken te hebben, Israël op wondere wqze van de Midianieten verlost. Toen bleek dus dat het inderdaad waar was, dat de Heere zijn volk niet begeven, noch verlaten had en dat het ook in die donkere dagen door het ware Israël gezongen kon worden:

De Heer', de God der legerscharen, Is met ons, hoedt ons in gevaren; De Heer', de God van Jacobs zaad, Is ons een burcht, een toeverlaat.

(Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's