„De Hervorming herdacht.
Maarten Luthers' afkomst en jeugdjaren.
Het Thüringerwoud is een der schoonste streken van Duitschland. Die trotsche dennen, die lommerijke plekjes, die mollig-groene weiden en lustig kabbelende beekjes, die romantische rotsgroepen, dalen en afgronden ; die burchten en sloten, zich stout verheffend; die vriendelijke stadjes en nette dorpen — alles is even mooi!
Waarbij zoo aangenaam aandoet die ijverige, trouwe, spraakzame, altijd zingende bevolking, hebbend een open oog voor de heerlijke natuur, daarbq gezegend met een diep ontvankelijk gemoed.
Ja, dat Thüringerwoud is mooi, eenig " mooi! En de Thüringer met zijn forsche regelmatige gelaatstrekken is inderdaad het zuivere type van den Duitschen volksaard.
Een Thüringsch boerengelaati), open, vriendelijk en toch getuigend van wilskracht, zien we voor ons op het door Lucas Cranach geschilderde portret van Hans Luther, den vader van den groeten Hervormer. Deze Hans Luther s'amde af van een oude boerenfamilie uit het dorpje Möhra, aan de westelijke helling van het Thüringerwoud, in een vrijwel moerassige streek gelegen. Vandaar ook de naam Möhra, d. i. moer, moeras. Landbouw was de hoofdbezigheid van de bevolking; bergwerken had men er ook, voornamelijk kopermijnen.
Rondom het plaatsje lagen akkers en weiden; verder op de groene vrouden.
Omstreeks 1482 woonde te Möhra een jong echtpaar, de stoere Hans Luther en de tengere Margaretha Ziegler (andere berichten geven haar naam als Margaretha Lindemann, wat waarschijnlijk hieruit voortkomt, dat haar familie, uit Neustadt aan de Frankische Saaie afkomstig, den dubbelen naam van Lindemann en Ziegler droeg). Beiden waren zy niet groot. Maar had Hans Luther een stevige neus met breeden wortel in 't ge zicht geplant, een dunne bovenlip en vierkante kin, zijn vrouw met haar lichtblauwe, peinzende oogen, haar smal gezicht en lange kin, leek in deze niets op hem.
Hans Luther was de oudste zoon op het vaderlijk erf. Daardoor verspeelde liij evenwel dit ouderlijk bezit. Want wat in een gedeelte van Westfalen nog wordt anugetroffen — ook by onu in Friesland wel — vond men in de 15de eeuw ook in de omstreken van Möhra: niet de oudste, maar de jongste zoon heeft het recht bezit te nemen van het vaderlek goed. Een gewoonte, die zich als volgt wel eenigszins laat verklaren: als de oudste zoon volwassen is, dan is de vader nog in de kracht van zijn leven en nog niet gezind om van de boerderiij weg te gaan. De oudste zoon zoekt dus elders een boerenplaats en de jongste zoon wordt de opvolger van den intusschen oud geworden vader.
Men veronderstelt dus, dat Hans Luther nè, zijn huwelijk volgens dit minoraatsreeht (het recht van den jongste) het vaderlgk erf verliet om werk te zoeken in het graafschap Mansfeld, waar vrij belangrijke kopermijnen werden gevonden. Eerst woonde hij korten tijd te Eisleben, waar zijn jonge vrouw hem den 10den November 1483 des nachts tusschen 11 en 12 uur een zoon schonk, die, naar Roomsch gebruik, den volgenden dag in de Petrus-en Paulus-kerk door Bartholomeus Rennebeeker gedoopt werd en den naam van Maarten ontving, naar den heilige aan wien dien dag gewijd was. (Sint Maartensdag, ter eere van den heiligen Martinus van Tours, alzoo genoemd,
Te Eisleben werden de verwachtingen van Hans Luther niet vervuld en daarom trok hij, toen zijn jongen een half jaar oud was, naar Mansfeld, een van de middelpunten van de mijnwerken in het Harzgebergte.
De vijanden van den groeten Hervormer hebben later omtrent dat spoedig vertrek uit Eisleben allerlei lasterlijke praatjes verspreid. Zoo vertelden ze, dat Luther's vader een doodslag had begaan bij een vechtpartij en daarom haastig moest gaan verhuizen. Ook hebben zij zich niet geschaamd allerlei lastering ten opzichte van Luther'? moeder in omloop te brengen. Maar dit alles is te doorzichtig dan dat er veel aandacht aan behoeft te worden geschonken. Dit weten we, dat Melanchton in Luther's vader een eerbaren levenswa-ndel prees en o.a. van Luther's moeder getuigt: „zij had veel deugden, die een eerbare vrouw sieren. Vooral onderscheidde zij zich door kuischheid, godsvrucht en vlijtig bidden, zoodat zij andere eerbare vrouwen geacht werd te zijn een voorbeeld van zedelijkheid".
De omgeving van de nieuwe woonplaats in den Harz was romantisch schoon. Hoog boven het kleine stadje Mansfeld aan de bruischende beek die zich wringt door het enge dal, stak de oude grafelijke burcht uit, Hoe kostelijk leende deze heerlijke omgeving zich voor het spel der jeugd I Daar in Gods vrije natuur, in berg en bosch, aan de oevers der beekjes konden zij zich ongehinderd vermaken: in het zand huizen bouwen of bij het water molentjes aanleggen.
• Hier nu was-het, dat de kinderen van Hans Luther — want. het huisgezin breidde zich snel uit — gezond en vroolijk opgroeiden, blij als de zangers in het woud, die zich op de takken boven hunne hoofden wiegden. Het liefst speelde de kleine Maarten met zijn jonger, broertje Jacob, toen zich niet bewust van de vele en zware zorgen hunner ouders.
Want ook te Mansfeld ging het in den beginne Hans Luther en zijne vrouw niet in alles voor den wind.
„Mijn vader", zoo verhaalt Luther. later, „was een arme berg werker, die de, geheele week onder de aarde arbeiden moest bij schadelijke dampen en in een vochtige atmosfeer. En moeder heeft, ; om ons groot te brengen, zich de moeite moeten getroosten om zelf het brandhout op den weg naar onze woning te', torsen. Bloedig hebben mijne ouders moeten werken".
Geen van beide ouders liet evenwel den moed zakken. Vroom van zin mochten zij bij de drukkende zorgen des levens frisschen moed en gezonde levensblijheid bewaren. Zij droegen het hoofd omhoog en Maarten's vader behield de kracht zijns lichaams tot op vergevorderden leeftijd. De onverdroten arbeid der beide ouders werd reeds spoedig beloond : want • blijkbaar in 1491 werd Hans Luther als lid der stedelijke vierschaar gekozen en in 1502 kon hij twee veldovens huren Ook stond hij al spoedig om zijn degelijkheid in hoog aanzien bij de graven van Mansfeld. Het welvaren van Luthers ouders zal dus in dezen tijd wel eenigszins anders geweest zijn dan men gewoonlijk — niet weinig overdreven - voorstelt. Want als Luthers vader, toen Maarten pas 8 jaar oud was, reeds tot, raadsheer der stad gekozen werd, zal j het in 't gezin wel niet zóó armoedig gesteld zijn geweest als verschillende geschiedschrijvers dat wel eens willen doen uitkomen. Toch maakte het sterk aangroeiend gezin — er kwamen binnen enkele jaren nog 3 jongens en 3 meisjes bij — dat de zorgen groot wai-en, zoowel voor den vader als voor de moeder. Dat men bij de opvoeding meer door zachtheid dan door hardheid winnen kan begrepen Luthers ouders niet en de tucht was" in het groote, drukke gezin, naar de gewoonte dier tijden, " soms zéér hard. Streng als hij was, sloeg de vader zijn zoon Maarten eens zoo, dat deze langen tijd een heftigcn wrok tegen hem bleef voeden. Schuw en zwijgend ging hij zijns weegs en eerst langzamerhand vermocht de vader hem door groote welwillendheid weer te winnen.
Eens had Maarten een paar okkernoten stil weggenomen ; toen zijne moeder dat bemerkte, ranselde zij hem zóó, dat hij bloedde.
Met dat al heeft hij uit zijne moeilijke jeugd ook zachtheid geleerd. Denkend aan de strenge tucht zijner ouders, placht hij later meermalen te zeggen, dat naast de roede de appel moest liggen, en men kinderen om kleine vergrijpen niet te hard moest straffen. Ouders moeten ook eens wat door de vingers kunnen zien ; niet alleen straffen doch ook eens lief zijn ! En vriendelijk en zacht heeft hij dan ook later zijn eigen kinderen opgevoed. Hoe speelde hij met zijn kleine Hans; hoe, teer vertroetelde hij zijn lieve, jong gestorvene Greeth. En nooit vergat, hij om van de reis een geschenk mee te brengen en de kleinen er mee te verrassen.
Beide ouders hebben ieder hun bizonderen invloed op Maarten gehad. Hoewel niet spraakzaam bad de vader meermalen aan zijns zoons bed en toonde een opene, besliste, vrome natuur te bezitten, waarbij het duidelijk is dat Maarten van zijn vader het vaste en opene karakter erfde. Reeds vroeg hoorde de zoon zijn vader, die in alles uiterst practisch was aangelegd, met niet veel eerbied spreken over de bizond ere heiligheid der monniken, wier onbeduidend leven Maartens vader niet kon uitstaan, soms lot schrik van moeder Greeth over die luie klooster broeders uitvarend. En deze zijne kijk op het leven bracht mee, dat in het gezin, waar het geenszins ontbrak aan trouw aan de kerk en vertrouwen op Gods genade, van allen, groot en klein trouwe plichtsbetrachtiüg geëischt werd.
Moeder Greeth deelde het geloof harer dagen in heksen en toovenaars. Den kleinen Maarten werd vroeg geleerd dergelijke menschen eerbiedig en vriendelijk te behandelen om toch vooral niet behekst of betooverd te worden. Van den duivel en zijn trawanten werden allerlei indrukmakende verhalen gedaan. En den kinderen werd steeds voorgehouden hoe moeilijk het was aan hun lagen en listen te ontkomen, waarbij nauwkeurig moest worden toegezien hen vooral niet te vertoornen.
Op het gemoed van den jeugdigen Maarten maakten deze verhalen diepen indruk Vrees voor straf, angst voor den duivel, huivering voor allerlei duistere verschijningen verdonkerden zijn ziele-leven en God zich niet anders kunnende voorstellen dan als een wrekend Rechter viel zijn oog niet op Jezus, dien hij en toorn, maar 't meest nog op de heiligen, van wie hij althans eenige hulp verwachtte bij de veelszins benauwende levensomstandigheden.
Zoo groeide Maarten onder de strenge tucht en slaande hand zijner ouders op als een schroomvallige knaap, die met z'n groote, donkere oogen vreesde en sidderde ook bij 't zachtste bladgeritsel. Later schrijft hij zelf: „Mijn ouders hebben mij zoo hard behandeld, dat ik daardoor geheel verlegen werd". Toch was er. bij de weinig zonnige opvoeding zooveel goeds, dat Luther later getuigde : „het best geslaagde uit mijns vaders goed is, dat hij mij opgevoed heeft" En 't is bekend hoe bitter bedroefd de groote Hervormer was toen hij, op den Coburg zijnde, zijns vaders dood vernam, (29 Mei 1530 stierf Luthers vader, een jaar later zijn moeder.)
Hans Luther had groote plannen voor zijn kinderen; blijkbaar in de verwachting dat hij aan de geldelijke eischen van zulk een opvoeding zou kunnen voldoen. Zij moesten zoo goed mogelijk worden onderwezen en hij achtte het daarom gewenscht hen zeer vroeg ter school te zenden. Zoo klein als Maarten was moest hij dan ook met zijn zesde jaar naar de Mansfeldsche school,
Mathesius, een tijdgenoot van Luther schrijft later: „Bans Luther heeft zijn gedoopten zoon in de vreeze Gods met eere van zijn welverdiend bergbezit opgevoed en, toen hij tot de jaren des verstands kwam, met een hartelijk gebed in de Latijnsche school laten gaan".
De meester van die Latijnsche school verstond uitermate goed de kunst den regel toe te passen: wie niet hooren wil moet maar voelen. Zwaaiend met het riet werd de dierb're jeugd allerlei wetenschap ingegoten, ook ontvingen zij onderricht in Latijn, maar wee hun ge beente als *t niet vlot ging bij het kleine volkje! Volgens Luthers eigen zeggen werd hij eens op een morgen vijftien maal afgeranseld, omdat hij vervoegingen en verbuigingen, welke hij nog nooit geleerd had, niet kon opzeggen. En het verwondert ons dan ook geen oogenblik, dat zijn getuigenis van dergelijke scholen later aldus luidde: „de meesters waren tyrannen en beulen en de school was een gevangenis en hel, waar men ondanks slagen en stompen, schrik en angst, weinig leerde Menigeen werd er door slagen, schelden én dreigen voor altijd bedorven",
Op school waren ook wel leggen, die. — het kindergemoed meer bevredigden.
Het viel Maarten niet moeilijk de tien geboden, het Onze Vader en de geloofsartikelen te leeren. De naïeve gebeden tot de heiligen hadden voor hem zelfs eenige bekoring, vooral de dj mende. En naar de heilige legenden luisterde hij met de grootste aandacht en den diepsten. eerbied,
Maar vader Luther voelde toch wel, dat voor zijn oudsten zoon een endere school noodig was dan die te Mansfeld, een, waar men méér leerde. Voor den jongeren Jacob was ze goed gfenoeg, maar met Maarten had hij grootsche plannen, omdat hij al spoedig meende te zien, dat er in hem aanleg voor studeeren zat.
Op een afstand zoo groot als van Amsterdam naar Rotterdam ligt van Mansfeld de groote stad Maagdenburg, aan de Elbe, een stapelplaats met druk handelsverkeer, alwaar ook de Aartsbisschop woonde. Daar waren goede scholen. En met Hans Reineke, wiens vader ook te Mansfeld opzichter bij den bergbouw was, trok Maarten in 1497, veertien jaar oud, naar Maagdenburg om daar ter schole te gaan bij de „Nullbroeders", ook wel „Broeders des gemeenen (gemeenschappeligken) levens" geheeton, die, sedert 1488 zonder een bepaalde kloostergelofte ook te Maagdenburg bij elkaar woonden in een Praterhuis, en zich vooral veel lieten gelegen liggen aan hei onderwijs aan de jeugd. Hierin waren ze volgelingen van Geert Groote uit Deventer, die in 1384 aldaar vrome mannen rond om zich vergaderde, die, onbaatzuchtig en ijverig, zich zelf oefenden, aan het overschrijven van bijbelboeken veel tijd besteedden en voor het geestelijk heil des volks groote zorg droegen, 't oog vooral slaande op het opkomend geslacht.
De beide schooljongens moesten te voet hun weg afleggen en in hun onderhoud voorzien door langs de huizen te bedelen en te zingen. Op dezelfde manier moesten de beide knapen, gelijk de andere scholieren, te Maagdenburg aan de kost komen. Want hoewel Luthers ouders in dezen tijd zeer zeker tot eenigen welstand waren gekomen, en hij ook te Maagdenburg ten huize van Dr. Moszhauer, een bisschop'pelijk beambte en Mansfelder van geboorte, huisvesting vond, zoo waren de inkomsten van den jeugdigen gymnasiast niet zoo overvloedig of hij kon er wel wat bij gebruiken; gelijk het ook trouwens in die dagen voor kostleerlingen gewoonte was de barmhartigheid der burgers in te roepen door zingende langs de huizen te gaan. Dat heeft Luther dan ook gedaan zoowel te Maagdenburg, waar hij maar een jaar bleef, alsook te Eisenach waarheen hij vervolgens verhuisde.
1) Luther getuigde later zelf: »ik ben eens boeren zoon, mijn vader, grootvader en stamvader zijn echte boeren geweest*.
2) Dit jaartal is gemakkelijk te onthouden : 17 jaar na 1500 trad Luther als kerkhervormer op, 17 jaar vódr 1500 is hij geboren.
3) Op St. Maarten werd het volgende, tamelijk eentonige liedje langs de huizen gezongen:
Sint Martinus bisschop Roem van alle landen, Dat wij met een lichtje loopen Is voor ons geen schande. Hier woont wel een rijke man Die ons wel wat geven kan, Geef me 'n appel of een peer Ik kom 'theele jaar niet meer.
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's