De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

13 minuten leestijd

De Heere bouwt Jeruzalem, Psalm 147:2a

Als levende steenen gebouwd.

Het is eene troostvolle gedachte voor ieder, die met-droefheid ziet hoe weinig invloed het Evangelie der genade uitoefent in deze wereld, dat de Heere alle  dingen bestuurt en zal doen uitloopen op het verheven doel dat Hij Zichzelf heeft voorgesteld. Het ongeloof steekt het hoofd veel brutaler omhoog dan een tiental jaren geleden. Onze jonge menschen, die wij zoo gaarne met meer belangstelling vervuld zagen voor wat de Schrift zegt, hebben het veel te druk met het verzamelen van kundigheden voor het aardsche levensbestaan. Niet weinigen spotten zelfs met hetgeen waarvoor hunne ouders nog altijd eerbied koesteren. Moet dit ons niet met bezorgdheid vervullen over hunne toekomst en de toekomst van ons volle? Over het algemeen schijnen de gedachten der menschen veel meer gespannen op den nood van onzen tijd dan op Hem, Wiens troon in de hemelen is bevestigd en Wiens koninkrijk heerscht over alles. Het is wel te begrijpen dat er in onze dagen gevraagd wordt: „Wat zullen „wij eten en wat zullen wij drinken en waarmede zullen wij ons kleeden? " maar dit neemt toch niet weg dat deze vragen op zichzelf ons aan de heidenen gelijkstellen. Waar is dan de zegen van de prediking der eeuwige waarheden? Wie zijn er onder ons die het met hunnen God wagen willen? Die wel in deze wereld zijn, die zich in haar maalstroom geplaatst weten, maar toch niet van haar zijn en die op God betrouwen als ziende den Onzienlijke ? ... Ach, hoe gering is de invloed van het Woord des Geestes. Wie beluisteren in onze dagen met heiligen ernst en stille vermaning de voorboden van hun te kómen Koning? Wat werkt al het prediken en het aanprijzen van het Woord der genade uit? Het is om moedeloos te worden. Maar laat ieder onzer, vóórdat hij op zijne omgeving let, in eigen hart den invloed nagaan, die er van het Evangelie op hem uitging. En dan zal hij misschien met een pijnlijk schuldbesef zich buigen onder wat er staat geschreven van den natuurlijken mensch, die niet verstaat de dingen die des Geestes" zijn. Maar laat dan toch niemand meenen dat God Zijn werk heeft gestaakt. Hij is geen mensch dat Hem iets berouwen zou. Bij Hem is geen omkeering. Al is het geen tijd van een rijk geestelijk leven, als in de dagen van de eerste Christelijke Gemeente, toen duizenden werden beberd, toen de menigte van degenen die geloofden één hart en ééne ziel was, ...  is dit nu heel anders, jammerlijk anders, de vergadering en de bewaring van diezelfde Gemeente gaat door. De Heere Zelf heeft het ter hand genomen en Hij laat niet varen het werk Zijner handen. Het woelen der zonde stoort Hem niet in al Zijn arbeid aan Zijn Kerk, zoo min als uwe ongerechtigheden voor Hem een beletsel waren om uwe ziel te vormen tot Zijn dienst, "o kind des Heeren. Hij zag Zijn Gemeente als één geheel. In Zijn Raad was het gebouw voltooid. Hij zal dan ook in den tijd rustig voortgaan steen op steen te bouwen totdat er niets ontbreekt van wat Hij in Zyn eeuwige liefde Zich voorstelde. En het geheele gebouw wordt bekwamelijk samengevoegd en wast op tot eenen heiligen tempel in den Heere. Het is dan ook van beteekenis dat dé psalmist in het hierboven geplaatste woord niet zegt wat de Heere deed of zal doen, maar wat Zijn gestadige bezigheid is. De Heere bouwt Jeruzalem! En de Kerk van alle eeuwen mag deze woorden overnemen om Gods Naam groot te maken.

Jeruzalem was de woonstede Gods in het midden van het Israëlitische volk. Daar was de burcht Zion; daar was de tempel; ddar waren de altaren; daar de heilige gebouwen. Daar waren de lieflijke woningen van den Heere der heirscharen, het voorwerp van brandend verlangen voor Israels vromen. Maar, dit vergete men niet, het ging hun hierin om den dienst des Heeren. Anders zouden wij de: verzuchting niet verstaan; eer vergete, mijn rechterhand zich zelf, eer dat ik u vergete, o Jeruzalem. Den heiligen zanger zouden wij niet begrijpen, als hij zegt: zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! De dienst van God was hem zoo heerlijk. De muren en hun poorten zouden voor hem geen beteekenis hebben, als zij niet in zich besloten het werk der priesteren en de offeranden van , Israels God. Die heilige bedrijvigheid ; was voor de vromen geest en leven in het midden van de steenen gebouwen, Die gebouwen en - hun pracht hadden ; geen bekoring, als zij niet beschermden al wat God Zelf Zich geheiligd had tot Zijn lof en eer. Als er-dus staat: de Heere bouwt Jeruzalem, is het hetzelfde alsof er stond: De Heere richt Zich Zijn eigen dienst op. Hij schept en onderhoudt Zich een volk dat Hem dient en eert, Hem vreest en aanbidt, dat Hem lof en dankzegging toebrengt. Laten dus de schaduwen der oude bedeeling vervallen zijn! Van den tempel geen enkelen steen op den anderen gelaten! Laat het aardsche Jeruzalem al z'n schoonheid hebben verloren! Laat alles voorbij zijn wat toen slechts tot de vormen behoorde! Het wezen is er nog. De zaak zelve gaat niet te niet. Nog gaat de Heere voort Zich een schare toe te bereiden voor Zijn dienst, een volk dat gewillig is in den dag Zijner heirkracht.

Wanneer het werk des Geestes een bouwen van eene woonstede genoemd wordt, wijst ons dit al in liet bijzonder op een alleen-werkend God in de zaligheid des mensclien. 's Heeren genade wordt hierin krachtig verheerlijkt. In het bouwen toch is alle materiaal zoo geheel lijdelijk. Het wórdt genomen. Het wórdt geplaatst, precies zooals dit in het bestek was vastgesteld. De steenen worden gelegd op het fundament, zij worden hecht met dat fundament en met elkander verbonden. Het geheele gebouw, zooals gij het voor u ziet verrijzen, van het fundament af tot aan het dak, is daar alleen door den wilsdaad van den bouwer. Omdat zij slechts leveniooze steenen zijn, worden zy gelegd op de plaats waar zij wezen moeten.

Maar zie, als nu de Gemeente des Heeren een gebouw genoemd wordt, is daardoor gezegd dat alles wat zij is voortkomt uit de wilsdaad van den grooten Bouwmeester.

Geen kracht van den mensch komt hier in aanmerking. Al wat Gods volk is, heeft zij alleen te danken aan de genade des Heeren. Hij heeft het plan der eeuwige yerlossing gemaakt. Het fundament is door Zijn hand neergelegd,  Hij hééft Zijn Zoon naar deze wereld gezonden, om den smadelijken kruisdood te ondergaan. Golgotha heeft Hij gewild. En al staat heel de Joodsche Raad schuldig omdat hij de hand heeft uitgestoken naar den Gezalfde des Heeren, dat neemt niet weg dat hij een werktuig was om het fundament der verlossing te leggen. Eén Man moest sterven opdat een geheel volk in het leven zou behouden worden. Het is alles naar het souvereine welbehagen van Hem, Die naar Zijn gemaakt bestek Zijn Kerk doet rijzen om Hem eene woonstede te wezen.

Als een zondaar zich tot den Heere bekeert, gelijkt hij in een zekeren zin op een steen die gelegd wordt op de plaats waar hij wezen moet. Uit ons bedorven hart toch komt geen begeerte ep naar schuld vergiffenis, 't Is de Heere die den mensch daartoe brengt. Nimmer nemen we uit-onszelf de toevlucht tot den voet van het Kruis, 't Is de Heere die er een armen zondaar heendrijft. En als wij Christus en al Zijne weldaden mogen aannemen, worden wij ingelijfd in het lichaam des Heeren. Wij ondergaan dan wat de Heere door Zijn Geest doet. Ja, wat er ook van de Gemeente des Heeren, van haar geloof en van haar aanschouwen kan gezegd worden, dit is zeker, zij is een gebouw, waarin de roem  des Heeren klinkt, want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.

Onomwonden moeten wij deze waarheid laten staan. Zij is geschikt om elke zelfverheffing bij den wortel af te snijden. Zoomin als een steen iets kan inbrengen in den bouw eener woonstede, zoo min zijn 's menschen werk en krachten in tel bij wat de Héere tot stand brengt tot heil Zijner Gemeente. Wy hebben in Gods werk te rusten! Wij moeten ons laten zaligen! En dit is nu juist zoo moeilijk voor den mensch, die .och zoo met zichzelf is ingenomen. Wij hebben ons over te geven in de ontferming Gods, in Christus geopenbaard. En juist daartegen verzet zich al wat in ons is. Het is dan ook zoo diep vernederend voor den mensch die als God wil wezen, om alles uit God te moeten ontvangen. Maar toch is hij gezegend die van den zegen Gods wil leven, die zichzelf verliest om Christus alleen over te houden en met Hem den vrede zijner ziel. Hij verstaat dat de Heere bouwt aan 's menschen heil in den weg van afbreking van alle eigen vleeschelijk werk. Hij verstaat dat de Heere den zondaar opheft en hem plaatst uit den dood in het leven en hem oefent in de meest levende lijdelijkheid. Een lijdelijklieid, die niets gemeen heeft met de natuurlijke traagheid des vleesches, maar die geboren wordt in het besef dat wij midden in den dood liggen, maar die er niet minder is als wij mogen rusten in de zoenverdienste van den Heere Jezus. Inderdaad, de waarheid dat God Jeruzalem bouwt is wel geschikt om den mensch tot de meest volslagen zelfverloochening te leiden, maar ook hem alzoo den lof des Heeren te doen vermelden.

En toch werkt de Heere niet buiten het bewustzijn en buiten den wil en buiten de gedachten van den mensch om. De Heere zet, den mensch er wel buiten, maar doet Zijn werk toch ook weer niet buiten den mensch om.

Hij maakt Zich een Volk tot Zijn dienst bereid, Hy bouwt Jerusalem.'

In alle opzichten gaat de vergelijking met een gebouw dan ook niet op. Het werk des Geestes is zoo rijk dat het niet door één beeld is weer te geven. De apostel spreekt dan ook van het gebouw dat opwascht tot een heiligen tempel. Bij opwassen denken wij toch aan een levend orgaan dat groeit. De Schrift spreekt ook wel van 'levende steenen. Eene uitdrukking die eigenlijk met zichzelf in strijd is, maar die gebezigd wordt om vele gedachten saam te persen. Levende steenen worden de geloovigen genoemd. Niet dat zij «erst als steenen zijn geweest en nu levend zijn geworden. Als dit bedoeld was, zouden zij vroeger, vóór hun bekeering, met steenen vergeleken kunnen worden, maar dan zouden zij nu die vergelijking te boven zijn. En dit is zoo niet. Dan verstaan wij het woord van Petrus niet. Neen, Gods kinderen zijn bij het meest daad-werkelijke geloof dat in hen is, nog altijd steenen van de woonstede Gods. Zij, die nauw met den Heere leven en Hem gedurig voor oogen hebben, zijn en blijven steenen ia het gebouw der Gemeente, Maar zij zign ook tegelijkertijd levende steenen wijl de Heere hen geloovigen maakt, door in te werken op hun denken, hun willen, hun genegenheden, op heel .hun innerlijk levensbestaan. De Heere bouwt zoo dat zij zich békeeren.

De Heere bouwt als Hij een zondaar tot schuldbelijdenis brengt, als deze zich als een toltenaar op de borst slaat. Hoe werkt de Heere dan in op de gedachten des menschen, op de onverschillige gedachten, op de hoogmoedige gedachten. En wat wij dan weten van ons zelf, van ons zielsbestaan, loopt uit op dit ééne punt: ik ben dood-schuldig, ik ben waardig verworpen te worden. De Heere bouwt zoo vaak een zondaar zijn toevlucht zoekt aan den voet des kruises en smeekende oogen opslaat tot den aan het vloekhout genagelden Christus. Hoe is dan de begeerte naar den Heere Jezus levend in ons. Een begeerte die onze ziel in beslag neemt. Een begeerte zooals de wachters wachten op den morgen. Als het morgenlicht maar komt, dan is het gevaar geweken. Als ik Christus' eigendom maar ben, dan is mijn ziel gered Alles gaat dan leven. Het Evangelie gaat leven. Het Kruis is geen doode werkelijkheid, maar het omvat een levend heil. De Heere bouwt Jeruzalem, Hij bouwt levende steenen Van Hem gaat alle actie uit. Maar Hij maakt ook actieve harten En als Hij het machtwoord als van eene nieuwe schepping over onze zielen doet klinken: uwe zonden zijn u vergeven, is al het oude voorbijgegaan, is alles nieuw geworden, dan zijn wij nieuwe menschen. Maar wij zijn dan nog altijd menschen gebleven, met al onze oorspronkelijke vermogens toegerust. Maar zie, zij zijn alle gesteld in den dienst des Heeren. Wij zijn wel steenen, omdat wij van de genade Gods moeten leven, maar toch levende steenen, omdat wij een vermaak hebben in de Wet Gods, eene verheuging in den Heere, 'omdat er in ons is een eeren van Zijn Woord, een liefhebben van Zijn volk.

De Heere bouwt Jeruzalem, Uit Hem alleen vloeit alle heil. Zijn wil ter verlossing brengt alles tot stand wat ter zaligheid noodig is, in de zending van Christus, in de wedergeboorte des harten.

Maar Hij heiligt ook menschelijke krachten, die van nature tegen Hem ingaan, tot Zyn dienst.

En zoo bouwt Hij voort, overal waar Zqn Woord gepredikt wordt en waar Zijn Evangelie bedauwd wordt döor de zegening des Geestes.

Laat ons dit ook bedenken in onzen in vele opzichten zoo geesteloozen tyd. Opdat wij aan de eene zijde de troostrijke wetenschap bezitten dat de Heere wel zal zorgen dat al de Zijnen zalig zullen worden, dat er niemand zal achterblijven. Hij laat niet los wat Hij heeft aangegrepen. Wat Hij bemint, bemint Hij eeuwig! Ja, het is troostvol te rusten in het .souvereine welbehagen Gods. Maar aan de andere zijde worde ook bedacht dat in datzelfde welbehagen Gods menschelijke krachten zijn opgenomen, om ze te gebruiken in Zijn bouwwerk.

De een heeft veel talenten, de ander weinig. De eene heeft invloed op eene groote omgeving, de ander komt slechts met enkele menschen in aanraking. Maar laat ons Gods Woord eerbiedigen en het de eere-plaats geven in den kring waarin wij geplaatst zijn! In eenvoud, in stilte; met getrouwheid en vrijmoedigheid! Niet alsof wij groote dingen zouden moeten tot stand brengen, maar wel in overeenstemming met wat geschreven staat: „God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken en wij, Zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen."

Elia meende dat God Zijn werk gestaakt had, toen hij klaagde dat hij alleen was overgebleven. Maar de Heere had in het verborgene voortgewerkt, zoodat zelfs Elia het niet opmerkte. De Heere had nog zeven duizend bidders. Al worden wij niet verwaardigd als een Elia te zijn, als wij dan maar mogen behooren tot de biddende schare, die de Heere alleen kent. Dan bouwt de Heere aan onze harten, om ons in het buigen voor Hem toe te bereiden voor het eeuwige Jeruzalem dat uit den hemel zal nederdalen.

De Heer is zoo getrouw als sterk Hij zal Zijn werk, Voor mij volenden;

Verlaat niet wat Uw hand begon,

O Levensbron,

Wil bijstand zenden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1917

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's