Staat en Maatschappij.
De inroeping van Gods heiligen Naam.
Wij zijn in onze verwachting niet teleurgesteld. Ook in de Tweede Kamer is blijkens het verslag op het Eerste Hoofdstuk, der Staatsbegrooting, waar, naar den bestaanden regel, het beleid van de Regeering wordt besproken, een ernstige klacht gerezen over de weglating der inroeping van Gods zegen voor de werkzaamheden der Staten-Generaal uit de Openingsrede.
Dit kon eigenlijk ook niet anders. Het moest verwacht worden, dat deze weglating als een ernstige grief het Kabinet zou, worden aangerekend. En vele leden der Kamer, zoo wordt gemeld, kwalificeerden deze handelwijze van het ministerie dan ook als uiterst grievend.
En dit te meer, waar men moet aannemen, dat de bedoelde weglating opzettelijk geschied is. Immer werd inroeping van Gods zegen, niet alleen in alle Troonreden, maar ook in Openingsreden van 1908, 1909 en 1911 opgenomen.
Dat hier opzet in het spel was en njej op bloot verzuim. een beroep kan gedaan worden, geeft „de Vaderlander" het offieiuj] orgaan van de Liberale Unie ook volmondig toe.
Dat blad neemt het zelfs voor de regeering op. Het zegt, dat een ieder lid der Staten-Generaal kan, als hij daarop gesteld is, voor zichzelf den zegen Gods afsmeekèn over de werkzaamheden daarvan. Maar — de Regeering staat er anders voor, die heeft ook te rekenen met die leden der Staten-Generaal, die in het inroepen van Gods zegen een schending zien van de houding, die in een constitutioneelen Staat door de Regering in zulke zaken behoort aangenomen te worden.
De Regeering had daarom geen reden de formeele inroeping van Gods zegen in het Staatsstuk op te nemen.
Wij bejammeren het, dat het officieoi orgaan der Liberale Unie dezen toon heeft laten hooren.
En dit wel om twee redenen. Vooreerst om de vrijzinnigen zelf. Men. kan het zoo telkens vernemen, hoe er van dien kant bezwaar wordt gemaakt, als men de liberalen verwijt, dat zij zich buiten het Staatsrecht plaatsen. Dit noemen zij beslist onjuist.
En in de tweede plaats is de verdediging van het standpunt, dat het Kabinet hier innam door het blad niet juist. Ons volk is een Christennatie, die door een chrlstelyke overheid wordt geregeerd. Nog bij ieder wetsontwerp dat bij de State; Generaal inkomt, heet het in de „Koninklijke Boodschap": „En hiermede, Mijne Heeren, bevelen wij U in Godes heilige bescherming". En in de considerans van elk wetsvoorstel kan men het lezen; „Wij Wilhelmina, bij de gratie God Koningin der Nederlanden",
Dit alles nu wijst er op, dat de Naam Gods ook bij onze wetgeving nog nitt uitgebannen is, dat met dien Naam nog gerekend wordt, dat die Naam nog in eere is,
Intusschen geeft, wat thans geschiedt, heel wat te denken, en het is dan ook te begrijpen, dat steeds ernstig gewaarschuwd wordt, tegen hetgeen ons volk te wachten staat, wanneer vrijzinnigen en socialisten weer heer en meester van het terrein worden.
Weloverwogen en met voordacht stoot men Gods heihgen Naam uit het staatkundige leven van ons volk, en doe daarmede het Wezen Gods opzettelijk smaad aan.
Daar zit.iets angstigs in, vooral in de ontzettende tijden, waarin wy leven.
Moge, ook publiekelijk in 's Lands raadzaal daartegen een ernstig protest gehoord worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's