Uit het kerkelijk leven.
Luthers geloofsbelijdenis niet meer de onze?
In een artikel „Nabetrachting-Hervorming" neemt de West-Friesche Kerkbode, , uit „Relig. Indrukken" van J. A. Böhringer een fragment over, waarin o.a. deze zin voorkomt: „Maar — zoo vragen wij nu „hebben wij het recht wel om Luthers feest te vieren? maken wij niet daartegenover een vreemd figuur? Luthers geloofsbelijdenis toch is niet meer die-van de meesten onzer."
Die laatste woorden hebben we onderstreept. En ja, ook naar onze eerlijke overtuiging is het helaas! waar, dat de vrijzinnigen, dat de modern-godsdienstigen niet meer een geloofsbelijtlenis hebben welke in beginsel, in den geeat derzelve en wat den inhoud betreft met de geloofsbelijdenis van Luther overeenstemt.
De beschouwing van de zonde, van de genade, van de verzoening, van de rechtvaardigmaking en heiligmaking is bij den modern-godsdienstige zoo geheel, anders dan bij Luther, Galvijn, Zwingli, Melanchton en de mannen der Hervorming die verder in dien kring thuis hooren.
De modern-godsdienstigen van onze dagen denken anders over God en Christus over Gods Woord en den weg der zaligheid; ze hebben een andere opvatting aangaande den booze en het kwade, aan gaande de wonderen, aangaande het geloof en de sacramenten. Heel hun levens-en wereldbeschouwing is toch eigenlijk héél anders — juist omdat ze de geloofsbelijdenis van Luther en de groote Hervormers hebben ingewisseld voor een principieel andere religieuszedelijke beschouwing.
De modern-godsdienstigen wandelen in wegen van hen, die, juist omdat ze héél anders dachten over Gods Woord, al spoedig na de Reformatie buiten de Kerk der Hervorming zyn komen staan.
Het leven van de Hervormers en van hen die uit hetzelfde geloof dezer mannen leefden is neergelegd in de Luthersche en Calvinistische geloofsbelijdenissen. Die confessies zijn niet gemaakt; die zijn geboren. Dat is frisch water opspringend uit een levende bron. En die nu niet uit die geloofsovertuiging leven moesten dat èn in de Luthersche — èn in de Hervormde Kerk ook eerlijk erkennen en daarmee afscheid nemen van die kerken die rechtstreeks voortkomen uit de belijdenis der Hervormers.
Er zijn verschillende kerken en er zullen verschillende kerken blijven, totdat hierboven Gods levende Gemeente waarlijk één zal ziijn. Maar laat men dan tenminste hier, zoolang deze bedeeling duurt, eerlijk z'n geloofsovertuiging uitspreken en laat men 't erkennen, dat men juist om de wille van z'n geloofsovertuiging niet bij elkaar hoort. Waarbij een ieder z'n geloofsbelijdenis heeft te toetsen aan den Bijbel, telkens en telkens weer om door Gods genade z'n geloofsbelijdenis en z'n geloofsleven terug te vinden en z'n geloofsleven beschreven te zien in z'n geloofsbelijdenis.
't Gaat om Geest en Waarheid. Geest en Leven. Om de Waarheid Gods, naar Zijn Woord. Om. de Waarheid Gods, in Christus. Om die Waarheid, waarbij een arme zondaarsziel alleen kan leven door Gods Geest, Gode alles wijdend tot Zijne eere, vervuld met den eenigen troost beide voor leven en sterven.
Wil men nog eens hooren hoe de Protestantsche vorsten en edellieden dachten in den jare 1529?
Daar staan ze voor ons, zoo geheel bezield met hetzelfde beginsel van Luther, die zeide: „Liever zou ik om brood bedelen dan iets tegen mijn God bedrijven." En daarom ook „als de Rijksdag van Spiers tot maatregelen wil overgaan om de zaak der Hervorming te beteugelen en uit te roeien, dan treden de Evangelische vorsten kloek met dit credo naar voren:
„Wij gelooven dat de Schrift uit de Schrift verklaard moet Worden; dat de Bijbel op zichzelf een verstaanbaar boek is, dat in.de hand van elke. christen. behoort te zijn, en dat elk; geloovige daarin een krachtig wapen heeft om dwalingen te bestrijden en een voortreffelijk middel om in de duisternis licht te doen opgaan. "
Wij hebben ons daarom voorgenomen, om met Gods hulp, de hand te houden aan de zuivere en onvervalschte prediking van Gods Woord, zooals ons dat geopenbaard en zooals het te vinden is in de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments en zonder daaromtrent eenige bijvoeging of afwijking te gedoogen. Dat Woord alleen is waarheid en daarin alleen kunnen wij leering, bestuur en troost vinden, onder alle omstandigheden des levens. Dat Woord is een Leidsman die ons nooit verlaten of op een verkeerden weg voeren zal. Dat Woord is het eenige, vaste en onwankelbare fondament, en die daarop bouwen zullen niet beschaamd gemaakt worden. In vergelijking met dat Woord is alle menschelijke woord en leering ijdel, dwaas en verwerpelijk."
Ziet, , men spreekt ook onder modern godsdienstigen van geloofsmoed en karakteradèl.
Maar heeft het geloof daar ook een inhoud, welke overeenkomt met 't geen de Reformatie het éen en het al noemde ?
Op audiëntie zijnde bij Keizer Karel V, den 23sten September 1529 sprak Frauentraut uit naam der Protestantsche vorsten: „Wij en óns volk kunnen geene besluiten huldigen, die een anderen grondslag hebben dan Gods heilig Woord, "
Spreekt men onder de modern-godsdienstigen óok zoo?
En om nog iets anders te noemen: In een plechtige bijeenkomst van Paus en Keizer, waarbij ernstig gesproken werd over de Hervorming, werd in hetzelfde jaar 1529 door Gattinara, 's Keizers Kanselier, betrekkelijk de kerkelijke aangelegenheden een zeer verstandig voorstel gedaan — wat evenwel volstrekt niet in den smaak van paus Clemens VII viel. Dat voorstel was: „De Kerk is in deze oogenblikken inwendig verdeeld. Gij (Keizer Karel V) zijt het hoofd des Rijks; Gij (Paus Clemens VII) zijt het hoofd der Kerk. Het is Uw heilige plicht de handen ineen te slaan, om den tegenwoordigen staat van spanning en onrust te doen ophouden. Roept van alomme Gods wettige en wijze mannen samen en laat eene vrije Kerkvergadering, die Gods Woord ten grondslag neemt, nieuwe bepalingen maken, die voldoen aan de behoeften van allen." Durft men dat onder modern-godsdienstigen ook aan, om Gods Woord, den Bijbel, tot hoogste authoriteit te proclameeren op onze kerkelijke vergaderingen ?
Men verwijt ons wel, dat wij Roomsch zijn en een bepaalde kerkleer de hoogste macht toekennen.
Maar men weet beter.
En onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis èn onze Heidelb. Catechismus èn de Vijf Leerregels van Dordt verklaren dat Gods Woord boven alles gaat.
Welnu, laat men eens zeggen, of men het beginsel aanvaardt „Wij hebben ons voorgenomen om met Gods, hulp, de hand te houden aan de zuivere en onvervalschte prediking van Gods Woord, zooals ons dat geopenbaard en zooals het te vinden is in de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments en zonder daaromtrent eenige.. bijvoeging of afwijking te gedoogen."
Laat men eens verklaren, of men „Kerkvergaderingen wil, die Gods Woord ten grondslag nemen."
Laat men eens eerlijk zeggen, of men hartelijk instemt met het echt Protestantsch gevoelen: dat Woord is een leidsman die ons nooit verlaten of op een verkeerden weg voeren zal. Dat Woord is het eenige, vaste en onwankelbare fundament en die daarop bouwen zullen niet beschaamd gemaakt worden, In vergelijking met dat Woord is alle menschelijk woord en leering ijdel, dwaas en verwerpelijk."
Wat denkt men van deze dingen onder de modern-godsdienstigen ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's