Stichtelijke overdenking.
Zij zullen komen met geween en met smeekingen' zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden'aan de waterbeken, in eenen rechten weg, waarin zij zich niet zullen stooten. Jer. 31; 9.
Komen met geween.
Het is een ontroerende, verbrijzelende - gedachte, dat wij allen van God zijn afgevveicen; dat er niemand is, die goed doet; niemand, die God zoekt, ook niet êén. hierop bestaat geen enkele uitzondering; dit brengt een verpletterend oordeel over allen, want deze moedwillige afwijking is geworden tot een jammervolle verbanning.
Wij zijn onwaardig om tot God toegelaten te worden. Wij hebben 't recht verbeurd Zijne Woning te betreden zoomin een droge stoppel voor den vuurgloed kan bestaan, zoomin kunnen wij voor God bestaan. Wij hebben alles verzondigd. De zondaar vindt den terugweg afgesneden, den toegang gesloten, en de Cherub met het vlammend zwaard op den weg naar den boom des levens wijst een iegelijk onverbiddelijk terug. Het opschrift boven de poort van het nieuwe Jeruzalem spreekt duidelijke taal: Hier zal niet inkomen iets dat onrein is.
Het is niet genoeg, dat wij dit uitspreken met de lippen, terwijl ons hart er onbewogen onder blijft. Velen stellen zich daarmee tevreden. Maar indien wij niet meer hebben dan dat, wij zullen zijn als kaf in de wan van den grooten Landman.
Lippentaai houdt ons vreemd aan de menigvuldige worstelingen en weifelingen, angsten en aarzelingen, die de ziel benauwen kunnen, maar met lippentaai blijven wij ook onbekend met den lieflijken Vredehof, waarheen die diepe paden leiden; waar de ziele leert rusten aan het hart van heur Heiland, waar alles vrede ademt, als in den stillen avondstond, na een dag van zwaren arb«id, vrede zich legert over bosch en beemd en de rust in Gods schepping lieflijk is.
ln Eden moge 't anders zijn geweest, maar nu is geen Kanaan te bereiken dan door de woestijn; nu is er geen leven, of 't wordt in barensnood geboren; t\zal er geen blijde oogst kunnen zijn, of 't zaaien met tranen is voorafgegaan.
Welnu, als de zondeschuld wordt opgebonden, en de verlorenheid ons om vademt, zoodat nergens uitkomst meer wenkt, dan wordt 't bang; maar als hemelmuziek klinkt 't ons dan in de ooren, dat de Heere een afgesneden zaak op aarde doet.
In de diepe mijnen van zondesmart en zielsberouw worden de levende steenen van Gods eeuwigen tempel behouwen en pasklaar gemaakt en daar wordt er niet één gemist.
Het is duidelijk, dat hier in bovenstaand. Schriftwoord sprake is van het wondere voorrecht, dat voor 't uit zijn land verbannen volk van Israel eenmaal de dag zal aanbreken, dat ze wederkeeren zullen naar de erve der vaderen, naar de heilige stad.
Heel dit hoofdstuk is vol van de schoone teekening der genaderijke leidingen, die God met dat volk houdt, dat Hij als het ware uit de dooden doet opstaan.
Elk bijbellezer weet ook, dat wij hierin beeld en afschaduwing hebben van de wyze, waarop God de Heere 't ware, geestelyk Israel uit de ballingschap en verstrooiing van zonde en wereld zal voeren naar 't beter vaderland, naar 't hemellichaam Kaaan.
Van dien terugkeer wordt sproken. hier gesproken.
Een volk in ballingschap, verstoken van tempel en altaar, verdreven van huis en hof; o welk een smartelijke aanblik!
Diepe vertwijfeling en namelooze smart overstelpte vooral diegenen onder hen, die in dit alles de wrange zondevrucht proefden Zij verstonden 't woord: 't zijn uwe zonden, die u kastijden; uit hnn boezem rees de bangste klacht; zij moesten de diepe wegen des Heeren billijken en van hun lippen vloeide de droeve klacht:
Wij zaten neer, wij weenden langs de zoomen Van Babylon's wijd uitgebreide stroomen.
Daar is nog zulk een volk in baliïugschap, zij namelijk, die de diepe ellende vau hun zondestaat recht en grondig leerden kennen.
Hoe zwaar drukt hun de zondelast; welk een zieleangst verteert hen, als zij met schuld beladen staan voor de Vierschaar Gods. Zij weten dat Hij, de Heilige en Rechtvaardige, den schuldige geenszins onschuldig houdt, dat Zijn gramschap tegen hen ontstoken is, dat zij niet kunnen bestaian voor Zijne Wet, dat er geen gemeenschap mogelijk is tussehen den Heiligen God en den doemwaardigen zondaar, en dat maakt 't hun zoo eng, 200 bang, want zij kunnen niet buiten Hem; zonder God, dat is zonder licht en troost en steun en hulp en toevlucht.
De Schrift leert ons, dat er in Babel ook wel Israëlieten waren, die zich schikten in hun lot, die zich zochten te verzoenen met hun ballingschap en in 't vreemde land zich gingen thuis gevoelen; zóó zijn er ook vele zondaren, die 't buiten God zoeken te stellen, en zich sieren met de ketenen hunner ballingschap.
Maar daar waren er ook, die Sion niet niet vergeten konden, en die aldus spraken: eer dat ik u vèrgete, o Jeruzalem, zoo vergete mijn rechterhand zichzelve!
Dat is geestelijk niet anders. Vanwaar nu dat verschil?
Waarom dartelt de een zonder God door de wereld, terwijl de ander in 't zwart gaat om zijn Godsgemis.
Dit is uit God; hierin schemert Zijn ver - kiezend Welbehagen; waar lichtstralen des Geestes in de ziel vallen, daar wordt de ware toestand gekend en ons hart van angst verteerd, omdat wij God kwijt zijn.
Het js waar, dat deze ervaring voor 't oogenblik neerslaat en bedroeft, maar daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid.
Want zij zullen komen met geween; niemand komt tot den Zoon, tenzij dat de Vader hem trekke. Die trekkende genadealmacht des Vaders ziet gij hier aan 't werk. Opdat een zwerfziek en afkeerig menschenkind met geween tot God za komen, is onwederstandelijke Geesteswerking noodig.
Adam vluchtte na zijne zonde van God weg en zocht zich te verbergen, dat is nog de eerste neiging van elke ziel, die aan zichzelve ontdekt wordt; zich verbergen, indien 't mogelijk ware. Immers zij heeft 't voor den Heere zoo diep verzondigd, dat zij voor Zijn heilig oog niet kan bestaan.
Dit moet anders worden, want de weg van-God-af voert den eeuwigen afgrond tegemoet.
De Heere draagt zorg, dat 'took metterdaad anders wordt. Hij werkt op zulk een onbegrijpelijke, almachtige en toch tegelijk wonderzoete en lieflijke wijze in het hart, dat zich de zondaar schier ongemerkt laat leiden.
Zoo leert de Heere de zielen den terugweg betreden met geween.
Wat is oorzaak van dat geween?
Uit welke bron ontspringen deze tranen? Hier is 't oprechte zondeberouw; hier is de droefheid naar God, die bekeering, ommekeer werkt. Zulk een droefheid maakt 't onmogelijk om te volharden in het wegvluchten van den Heere, in het zich afkeeren van Hem; zij doet 't oog der ziele, door tranen verduisterd, opblikken tot den Vader aller barmhartigheden, en legt ons verbrijzeld en verteederd aan Zijne voeten neder.
Hier is zondesmart; maar ook, hier is God terug. En hoe meer nu 't oog'open gaat voor deze zondeschuld, hoe grooter de waarde van ontferming wordt, dat de h'ooge en heilige God naar znlk een heeft willen omzien.
Dit is geen wanhopige, maar veeleer een weldadige smart; dit zijn geen Judastranen, maar Petrus-tranen; dit is het ervaren van zielsverteedering, die dan over ons komt, als God ons twee dingen toont, onze schuld en Zijn geduld, onse zonden en Zijne ontferming.
Tegen de strenge. Wet gezondigd te hebben, slaat neer en verplettert, maar oneindige liefde weerstaan en bedroefd te hebben, dat vermurwt en verteedert en dat maakt u zoo klein en zoo deemoedig.
Wie zoo zielesmart kent, die is bezig te komen. Als God zoo onze zielen verootmoedigt, dan krimpt de afstand tussehen Hem en de ziele, dan komt God nader. Immers op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest die voor Mijn, Woord beeft.
Daarom volgt er nu ook: en met smeekingen zal Ik hem voeren.
Smeeking, dat is de bede, die opklirnt uit 't verslagen en verteederd gemoed. Hier speurt gij duidelijk de leidende hand Gods; Hij zal zelven. Hij heeft de leiding. Hij wijst de richting en bakent 't pad.
't Is een teeder woord, Hij zal he voeren, dat kan niet uit de verte; dat doet Hij door vlak bij hen te komen en hun hand te vatten; onderwijl storten zij hunne smeekingen voor Zijn aangezicht uit; onderwijl klagen ze 't Hem, dat 't hun zoo bange is, dat de gevaren zoo talrijk zijn, dat zij zoo zwak en onwaardig zijn en smeeken om hulp, houden zij nooit op zichzelf te beschuldigen ; o, wil ons toch niet begeven, wij zijn zoo onvemuftig en wij weten den weg niet.
Deze woorden teekenen ons duidelijk de diepe afhankelijkheid, waarmede de weg des levens betreden wordt.
Wie smeekt, vernedert zich, doet afstand van zijn zelfstandigheid; wie smeekt om genade, belijdt onomwonden zijne schuld. Het is goed, dat men hope en stille zij op het heil des Heeren. Immers in de woestijn is God Zijn volk tot een fontein. Hoe kan Hij Zijne pelgrims verrassen, verkwikken, alles alles goed maken. Hoor maar: Ik zal hen leiden aan de waterbeken,
't Is van Babel naar Kanaan een woestijnreis. Wij kunnen er ons iets van voorstellen, welk een verrassenden aanbUk zulk een kabbelende heldervlietende beek in de woestgn moet opleveren. Hoe weldadig moet dat kabbelend ruischen. dat sprankelend water aandoen in die wereld van zand. Hoe rust 't oog, dat moede werd van het hel-blinkende woestijnzand met welgevallen op 't welig groen, dat de beek omzoomt.
Gij gevoelt, dat hier sprake is van de vriendelijke zegeningen, van de blijde verrassingen en de zorgende goedheid, die God Zijn volk bereidt op den weg
Waterkeken in de wildernis: zeg niet, bekommerde ziele, dat gij er niet van weet. De Heere laat Zijn kind nooit schaamrood staan; Hij hoort 't geroep van alle ellendigen.
Denk eens na, blik den afgelegden weg eens langs, was de Heere u ooit een dorstig land of een dorre woestijn?
Waterbeken in de wildernis! ziedaar, de werken des Heeren. Is elke zondaar, dien Hij macht geeft om Zijn kind genaamd te worden niet als "n waterbeek in de woestijn? als een wortel uit een dorre aarde?
Zooals de waterbeek met groene zoomen en weelderigen plantengroei verrast in de woestijn, zoo en oneindig meer verrassend nog is het, wanneer uit het dorre, doodige, verstorven menschepgeslacht zielen op waken ten eeuwigen leven.
Gij zelf, kind des Heeren, zij t een woesjn —maar de Heerë doet door Zijne genade in die woestijn de.waterbeken opwellen.
Zoo is ook elke vertroosting, bemoediging en verkwikking uwer ziel, een wonder van erbarming, een werkstuk van Almogende genade.
Alle oorzaak daartoe ontbreekt in u. Daarin is niets dat vanzelf spreekt, 't Is alles éen wonder, 't Kleinste korrelke van zielsvertroosting is verbeurd, verbeurd in die mate, dat ge eer waterbeken zoudt zoeken in de wildernis.
De Heere doet al deze dingen.
Als God de leiding heeft, dan zijn we veilig. Want zoo belooft hun de Heere, Ik zal hen leiden in een rechten weg., waarin zij zich niet zullen stooten. Den rechten weg kunt gij alleen dan kiezen, wanneer gij goed op de hoogte zijt van het terrein en 't geheel overziet.
Ontbreekt u die kennis, dan raakt ge aan 't dwalen, en ook al zoudt ge dan in 't eind nog terechtkomen — des neen — toch zoudt ge onnoodig-lange afstanden moeten afleggen, nu hier dan daar op hinderpalen en struikelblokken stooten. God kiest den rechten weg die er ons onfeilbaar zeker brengt, want Hij overziet het geheel; Hij is de Overste Leidsman Hem is alles bekend; Zijn oog doorwandelt de gansche aarde. Aan Zijn hand gaat gij veilig; in dien rechten weg zullen zij zich niet stooten. Om dit te verstaan, moet ge bedenken, dat de wegen in Palestina oudtijds (en nu nog) in een erbarmelijken toestand verkeerden, schier onbegaanbaar waren. Groote ruwe steenblokken overdekten de heirbanen; alleen wanneer vorstelijk bezoek , werd (wordt) verwacht, dan werd 't pad geëffend, de weg begaanbaar gemaakt. Zoo moet ge ook den oproep verstaan . met 't oog op de nadering van Messias: bereid dèn weg des Heeren, maak recht in de wildernis een baan voor onzen God!
Ja waarlijk, de Héëre zal genade en eere geven aan Zijn volk. Hij draagt zorg, dat hun pad geëffend, van steenen gezuiverd wordt, opdat zy den voet aan geen steen zullen stooten! Hoe veilig gaat 't aan Zijne hand!
Niet stooten ? vraagt ge; maar hoe rijmt zicli dat met wat de dichter zingt: veel wederwaardigheen, veel rampen zijn des vromen lot?
't Wil ook niét zeggen, dat de weg des Heeren voor Zijn volk over rozen gaat, maar dat alle dingen zullen medewerken ten goede. Er is op dien weg niets, öf 't heeft een grondige reden, . alles heeft zijn doel. Dat is niet altijd even duidelijk te doorzien; elk waarom laat zich hier niet oplossen. Hier blijft menig vraagteeken staan; hier wandelen wij door geloof en niet door aanschouwen.
Maar als de Heere zegt: 't is goed dat de man het juk in zijn jeugd draagt; 't is goed, mijn kind, dat gij door velerlei verdrukkingen door-en ingaat, dan moet gij hiervoor geen bewijs zoeken ; zoó moet 't zijn, want Hij heeft't gezegd. 't Was Adams val, dat hij God wilde doorzien, de reden Zijner bevelen wou kennen; zij ons dat tot waarschuwing!
God zegt, dat alles noodig is, niets nutteloos, dat alle dingen moeten medewerken ten goede, en heil u, lezer, wanneer gij dat van Hem moogt aannemen!
Lezer, kent gij 't weenen.in oprecht zondeberouw, in diepe zielesmart?
Uit den bodem van ons leven wellen vele tranen. Er is geen huis zonder kruis. Maar daar is tweeërlei droefheid; laat ons daarop acht geven, opdat wij den wortel onzer smart mogen kennen, en de droefheid naar God ons deel moge zijn!
Mogelijk, lezer, is 't deel van Gods volk u niet begeerlijk, wijl dat komen met geween u afschrikt; gij wilt liever voorttrekken met gejuich en vreugdegeschal, niet waar?
Geduld maar! Zij, die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien; maar als ge in zondelust en wereld vreugd 't zaad der ijdelheid uitstrooit, dan zult ge in den groeten dag des oogstes tranen van wanhoop storten in de plaats der duisternis, waar weening zal zijn. Leer hier uwe zonden beweenen, en den Heere smeeken om gena opdat ge hiernamaals zult mogen behooren tot hen, van wie geschreven staat: en Hij zal alle tranen van hunne oogen afwisschen, en Hij zal bij hen en hun God zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's