Staat en Maatschappij.
Verhooging van de Onderwijzerswedden.
Ondorwijzerswedden. Blijkens mededeeling van den Minister vau Binnenlandsche Zaken aan de beide Kamers der Staten-Generaal, heeft de Koningin het voorstel van Wet tot wijziging van artikel 26 der wet tot regeling van het lager onderwijs in overweging gehouden, of naet andere woorden gezegd, is het wetsvoorstel-Marchant tot verhooging der minima van de salarissen der onderwijzers met f 100 niet door Hare Majesteit bekrachtigd geworden.
Nu kon deze beslissing, waarvan de kennisgeving van 8 November l.l. dateerde verwacht worden, immers werd den dag te voren door den minister een ontwerp van wet ingediend tot verhooging van , de onderwijzerswedden, welk ontwerp in de plaats zou treden van dat wat door de Kamers reeds werd aangenomen.
Eindelqk dus doet de regeering' zelve eene poging om in den onhoudbaren toestand, waarin tal van. onderwijzers financieel verkeeren verbetering te brengen.
Naar luid van de toelichting, welke bij het voorstel gegeven wordt, is weliswaar het hoofdmotief, waarom tot dusverre eene verhooging der wedden uitbleef, de toestand^ van de schatkist, nog wel steeds een zorgvoUe, maar in de laatstelijk verstreken maanden zijnde middelen ruimer gevloeid, zoodat aan een bescheiden voorziening, welker noodwendigheid reeds lang vaststaat, weer kan gedacht worden.
Terecht spreekt de regeering hier, en daarop moet de nadruk vallen, van een bescheiden voorziening, want meer dan bescheiden is het niet, wat de minister van binnenlandsche zaken den onderwgzers aanbiedt.
Het kan haast niet bescheidener.
Het eenige goede beginsel, waarvan het wetsvoorstel uitgaat is, dat de gelden, die voor de verhooging der salarissen beschikbaar worden gesteld, op dit oogenblik aan die onderwijzers ten goede zal komen, waar de behoefte zich het dringendst doet gevoelen.
Maar daar blijft het dan ook bij.
Want ook de geringe vermeerdering van salaris, die deze onderwijzers, wordt het wetsontwerp aangenomen, zullen ontvangen, voldoet nog niet aan de laagste verwachtingen, welke mogen gesteld worden. Overigens krijgen alle andere onderwijzers, waaronder er velen zijn die vaak in even benarde omstandigheden verkeeren, maar wier salaris boven de minimum-aanvangswedde kwam, niets.
Daarenboven is, wat de minister voorstelt, een premie aan die gemeenten en die schoolbesturen, die de jaarwedden Imnner onderwijzers op het minimum lieten staan.
Om een voorbeeld te nemen.
Stel gemeente A. bracht reeds vroeger of misschien dit jaar de aanvangswedde van hare onderwijzers met minder dan vijf dienstjaren, voor wie het Rijk voor elk f 500 toelegt op f 600, dan krqgt dese gemeente by het thans gedane voorstel voor die ouderwyzers niets, terwql gemeente B. die de onderwijsers, welke tot deze categorie behooren, maar op een salaris van f 500 lieten nu dus uit de gemeentekas niets bijlegde, thans voor elk onderwijzer uit 's Rijks kas f 100. Hetzelfde geldt ook voor de schoolbesturen.
Gemeenten en schoolbesturen, die het minst voor verbetering van de tractementen hunner onderwijzers deden, zien thans hunne zuinigheid door eene rijksbijdrage beloond.
Hetzelfde betreft die onderwiijzers die vijf of meer dienstjaren hebben volbracht, en die eene bezoldiging genieten van minder dan f. 200 boven de minimum wedden, deze zullen thans hun salaris tot die f 200 zien opgevoerd.
Nu weten we wel, dat bg zonderlijk de schoolbesturen niet altijd bij machte waren om hunne onderwijzers beter te salarieeren, wijl de gelden om dit te kunnen doen vaak ontbraken, maar met dit al wordt, wat de regeering thans voorstelt, eene bevoorrechting in het leven geroepen van de minder goedgezinde gemeenteof van de schoolbesturen, die ten achter bleven, boven de gemeente-en schoolbesturen welke oog hadden voor den nood, waarin hunne onderwijzers verkeeren.
En zulk een regeling is niet goed te keuren.
Daarenboven, en dit kon bij 't gevolgde stelsel ook niet anders, wordt wat bij het wetsvoorstel aangeboden wordt, een toeslag en geen verhooging van de minima-wedde Voor de onderwijzers is dit een groot nadeel, wat bij het voorstel van wet van den heer Marchant ondervangen werd, omdat met dien toeslag bij het pensioen niet gerekend wordt.
Intusschen, hoe dit alles ook zij, het zal noodig zijn, dat er van de volksvertegenwoordiging groote aandrang uitga, om op meer afdoende wyze voor het oogenblik de positie der onderwijzers te verbeteren.
Dit geldt voornamelijk voor hen, die bij het bijzonder onderwijs in betrekking zijn.
De gemeenten zullen voor hunne onderwijzers, onder drang van schoolinspectie en Gedeputeerde Staten, wel eene regeling weten te ontwerpen, die althans ten deele in den noodstahd voorziet. Maar de onderwijzers aan de bijzondere school zullen kunnen toekyken.
Kunnen wij dus het ingediende voorstel van wet niet met gejuich begroeten, één ding staat vast, en wat thans wordt aangeboden doet den evenaar in het huisje nog verder doorslaan; namelijk dat de toestand, waarbij de minima-wedden gehandhaafd blgven, en de uitweg gezocht wordt in toeslagen van allerlei aard, zoo onhoudbaar zal blijken, dat de noodzakelijkheid voor een nieuwe schoolwet bij den dag urgenter wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's