Allerlei.
De twee bedelaars.
Twee bedelaars kwamen elkander tegen en hadden toen het volgende gesprek.
A-Wij hebben toch een naar' bedryf, ik word het ten minute moede. B. Ja? . Ik niet. Ik rlnd het een voordeelig bodrijf en doe het lederen dag met meer genoegen.
A. Dat 's heel vreemd. Wij hebben toch met veel bezwaren te kampen. Vooreerst kunnen wij niet al te dikwijls bij denzelfden persoon komen.
B. Dat is mijne ondervinding niet, Hoe meer ik kom, hoe hartelijker ik onthaald word.
A. Hoe kan je dat zeggen? Ik word met scheldnamen begroet en verzocht naar elders te gaan. Ik kan heel wat afloopen en aankloppen, voor ik iets kryg.
B Ik krijg altijd iets en soms nog iets beters dan hetgeen ik vroeg.
A, Je bent gelukkig en dat in een tijd dat men overal klaagt over slechte, verdiensten, en velen mij durven toe-| roepen, dat ze niet kunnen geven, omdat' zij zelven misschien nog moeten bedelen.
B. Zoo iets hoor ik niet. Ik ga waar men schatrijk is, en waar dus meer dan genoeg ja voor alles wat wy vragen.
A. Hoe verwonderlijk! Als ik mijn nood klaag, luistert men niet en gelooft men mij niet. Zet ik een droevig gezicht dan noemt men mij huichelaar; zie ik blij, dan segt men dat ik geen kommer heb. Ik weet niet, hoe ik te werk moet gaan.
B. Als ik bedroefd ben, dan heeft men deernis met my; als een loflied in mijn hart is, zoo krijg ik nog 'overvloediger zegen.
A. Dat verbaast mg. Vertel ik mijne geschiedenis, zoo verveelt het hwn, eer ik nog half gedaan heb, en men houdt alles voor verzonnen.
B. Hoe geheel anders is 't met mij. Ik kan mijn bezwaren niet vaak genoeg vertellen; men verzoekt mij niets te verzwygen en mij toont men zooveel belangstelling, dat men, veel beter dan ik zelf, bekend is met hetgeen ik te vertellen heb.
A. Wel, aan welk huis bedelt gij toch ?
B. Aan de poort des hemels. En gij?
A. O, ik bedel bij de wereld!
Waarschuwing.
Verniel geen bloem! — De bloemekens der weide, De rozen van den hof, De kruidjes op de heide. Verkonden alle 's Heeren lof. 't Zijn wond'ren van Gods hand, En in hun bont gewemel Versieren zij het land. Gelijk 't gestarnt' den hemel; ~ Verniel geen bloem!
Kwel ook geen dier! — Wat leven heeft gekregen, Hoe klein en min het zij, Vindt in dat leven zegen En maakt zich om zijn aanzijn blij Zoek nimmer uw genot In 't folt'ren van een leren. Dat door dea goeden God Tot blijdschap is gegeven; —-Kwel dus geen dier!
Bezeer geen hart! — Vermeerder niet de plagen; Die er op aard al zijn; Weer liever af de slagen En zalf door liefde en troost de pijn. Laat elk, die u bemint, Steeds wederliefde vinden. En blijf gij goedgezind Ook jegens kwaadgezinden; — Bezeer geen hart!
, (Dr. E. LAURILLARD)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's