Stichtelilke overdenking.
Als mijne - gedachten binnen in mij vermenigvuldigd wierden, hebben uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt. Ps. 94 : 10.
Menschengedachten en Gods vertroostingen.
Ons leven, van nature losgeraakt (en gerukt!) van de Levensbron, gaat uit naar geluk en zoekt heil in dingen, die straks als een morgendauw vergaan en die veelal zelfverwijt in de consciëntie nalaten. De voordeelen, welke men zoekt, zïjn profijt en genot en men droomt van gouden bergen" en rustigen levensavond en verder reikt men niet dan dit leven; niettegenstaande soms het bedriegelijke van heel dit leven in den nevel wordt erkend, gaat het door, en de vorst dezer wereld houdt het oog voor 't schrikkelijk einde gesloten. Men wordt ouder en ouder bij den dag; steunsels ontvallen, arbeidskracht en - lust ontzinkt; op den weg wordt het eenzamer al wordt het rumoeriger; gebreken worden lasten, gevoel van zwakheid drukt neer, rampen dooden de energie en er is geen welgegronde hoop, die 't leed verzacht en 's levens uitkomsten vermeerdert.
De moedeloosheid neemt vaak de gedachten gevangen en zij neemt zoo zeer de overhand, dat Gods algemeene goedheid (want Hij is aan allen goed!) niet meer wordt gezien, en eindigt het al niet in wanhoop, dan heeft men een hopeloos leven en straks een troosteloos koud sterven in 't verschiet.
Luther (juist heden-10 Nov. gedenk ook ik aan zijn geboortedag) schreef eens, toen zqn ziele in hem overstelpt was, op zijn tafel: Vivit, vivit, vivit! (Hij leeft enz.) Een vriend komt binnen en vraagt hem, wat dat beteekent. Luther antwoordt: „Mijn Jezus leeft, en bijaldien Hij niet leefde, zou ik niet wenschen te leven."
Dat was andere taal; taal van een in God getroost hart, dat door de nevelen heenzien mag en geniet iets van de levende liefde in het gestorven zijn en het opstaan van den wondervollen Zaligmaker.
Dezelfde Hervormer heeft den 94sten Psalm een gebed genoemd voor alle Gods kinderen en van al het geestelijk volk tegen al hunne vervolg«rs, zoodat deze psalm kan gebeden worden van 't begin der wereld tot aan haar einde.
Liederen als dit lied worden in dagen van verdrukking gewaardeerd en verstaan. Als de goddeloozen opkomen als een vloed en van vreugde opspringen, eu de werkers der ongerechtigheid zich beroemen en denken de „overhand te zullen hebben met hunne tong"; en 't hooge woord, vaak 't leugenachtig woord, uitgaat om de volkeren te misleiden; als de woeste vijandschap doldriftig opspat tegen de Rots der eeuwen, en het op verbreken van alle banden en op verdrukken van 's Heeren erfdeel afgaat; als er gedacht en gesproken wordt: -„De Heere ziet het niet, en de God Jacobs merkt het niet", dan, dan grijpt een'volk nog wel eens naar zyn ouden Bijbel en naar zijn psalmboek, en vraagt: O! God der wraken! O! Heere, verschijn blindende, d. i. treed in Majesteit voort en breng vergelding over de hoovaardigen.
Het kan zoo geweldig stormen; en de hemel kan zoo zwaar van wolken zijn en de vraag zoo bang: Wie zal zich voor mij stellen voor de boosdoeners ? voor de werkers der ongèrechtigheid? Ten ware de Heere mij een hulpe geweest ware, ik zou gestorven zyn; 't was' niet uit te houden. Als ik zeide: Mijn voet wankelt. Uwe goedertierenheid, o Heere! ondersteunde mij.
Daarna krijgen wij bericht van wondervolle zielservaringen in het vers hierboven uitgedrukt.
De Heere heeft ons menschen gemaakt, schepselen begaafd met verstand en oordeel, rede en geweten, gevoel en allerlei gewaarwordingen.
De wereld boven en buiten ons brengt bij ons „indrukken" teweeg en in ons binnenste vormen zich allerlei gedachten over onszelven en wat ons omringt. De mensch leeft in een wereld van gedachten.
Van uit het hart des menschen korden voort booze bedankingen, overspelen, hoereriijen en dergelyke. 't Vergif heeft ons denken aangetast, als al onze vermogens, zoodat de richting van ons denken den verkeerden kant uitgaat en wij „vijanden des verstands" zijn geworden en ons harte een „smidse van hooze gedachten" is. genoemd (Boston).
Vandaar dat onze gedachten ongeregeld zijn en onder allerlei invloeden van buiten en gewaarwordingen van binnen, als sneeuwvlokken bij stormweer, komen aanzetten. De eene gedachte brengt haastig de andere voort of wordt door éen „invallende gedachte" verdreven, zoodat men soms eens begeert stil te zitten, de oogen te sluiten en zich af te vragen: hoe kom ik nu aan die akelige gedachte ? In wilde vaart komen ze soms aangedreven, als de wolken bij felle winden ons met schrik vervullen. Bernardus van Clairvaux zegt, dat het met 's menschen hart is als met een molen, gedurig d'een of andere stof van eigen gedachten malende, en zoo 't geen aanslag heeft „steekt het zich zelf in brand."
's Menschen gedachten vermenigvuldigen zich, ook in de geslachten, en zetten lich vast vaak in z.g.n. wijsgeerige stelsels en hoe die gedachten, opkomende uit het moeras van ons natuurlijk bestaan, Gode vijandig en Hem onteerende, dwaze overleggingen zijn, geeft elke dag ons te kennen, en elk mensch, die recht op zichzelven mag acht geven, weet tot smartelijke beschaming hiervan meer af, dan hij ooit aan een ander zeggen kan.
Soms duizelen wij er van hoe wilden woest het daarbinnen kan toegaan en op een anderen tijd hebben wij de droeve ervaring, hoe ééue gedachte ons bindt, ja vervolgt. Daarin is vaak iets afmattends.
Welk een voorrecht als onze gedachten onder de tucht des Heiligen Geestes gesteld mogen zijn en hoe noodig onder Zijn geleide!
Eén peilt en weet en telt al de gedachten der ijdelheid en ongerechtigheid en dwaasheid. En Hij deed het van David en Asaf.... en van u en mij.. .
Nu kunnen die eigen zondige gedachten en dwaze oordeelvellingen zoo zeer ontstellen. Over de dingen van Gods waarheid en Zijne gerechtigheid; over al den weg, waaronder 't weent en steent en lijdt en strijdt. Ook over wat er opwelt en bruischt in het leven der volkeren van gansch een wereld. En dan krimpt u soms 't hart ineen, als ge ziet den geest der revolutie, des afvals, en gij merkt, hoe de fondamenten omgewoeld worden en nieuwe dwaasheid eeuwige wysheid wil vervangen. Dan komt er vreeze en bezorgdheid binnen en de vraag: Zou God het weten, ©a eou er wetenschap bij den Allerhoogste zijn? , Gij zoudt begeeren uit te schreeuwen': O land, land, land, hoor des Heeren woord!
Moet dat dan zoo van God af, en tegen Hem in?
Wij doorleven ernstige schokken, machtige en daarin ontzaeheiyke wekstemmen Gods, die ons zeggen: Tot de Wet en tot de getuigenissen
Dat in Gods gezag de ware vrijheid gelegen is, wordt bij den dag duidelyker. alsook, dat de verwerping van alle gezag tyrannie baart en de miskenning van Gods gezag in zake de waarheid de leugen vermenigvuldigt.
Ons harte kan (en moest steeds) schreien bij zooveel driestheid en dwaasheid.
En als 't dan toekomt aan eigen ervaring in - donkere dagen, dan vervullen weemoedige gedachten 't harte en zeggen we wel: Waarom, waarom, o Heere?
O! Zeker, wij wenschen de zonnige dagen niet te vergeten, doch hoe menigmaal is de lucht bewolkt! Als dan de gedachten zich vermenigvuldigen met 't oog op eigen zonden en het recht Gods en wij door verkeerd oordeel God onteeren en onze lasten verdubbelen; als dan gebrek in geloofsoefening en liefdebetoon in eigen kring en breeder uit, ons in 't aangezicht komt en de schuld zich vermenigvuidigt, dan is er een God noodig. Wiens barmhartigheid gaat over al Zijne werken en hooger is dan al onze, dan al onze, dan mijne schuld. En dan in zoovele raadselachtige bedoelingen en twijfelachtige gevallen; en dan.... doch vult gij, waarde lezers, dit zelf maar verder aan.
Stond er nu: als mijne gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, dan was het met al mijne troostgronden uit; dan raak ik er tusscheii en ontbreekt mij alle moed; dan stond er een waar woord. Doch nu staat er; „hebben Uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt". Daar is een God in den hemel, boven de wolken, en Hij is in de diepe afgronden en weet zelfs een Jona te troosten in diepe wateren en bitter leed.
De hooge wijsheid des Heeren geeft, in vele gevallen, geene rekenschap van Zijne daden; wèl geeft Hij Zijne vertroostingen door den Heiligen Geest. Als telkens tusschen de wolken door zendt Hij vriendelijke stralen en heft de ziele op, door in haar te werken heerlijke gedachten, met kracht vergezeld."
Hij doet gelooven en schenkt in dat geloof kracht om te rusten en stille te zijn, ziende het heil des Heeren. Bij de beroeringen der volkeren geeft Hij te erkennen, dat Hij" zit boven het rumoer der natiën en Zijne oordeelen in rechtmatigheid volvoert en Zijn volk niet zal, niet kan vergeten en geen enkele Zijner gekenden.
De'stoelen des gerichts staan vast, al beweegt zich gansch de wereld. De"Heere voert Zijn welbehagen uit. 't Regeer is in goede handen en overschaduwd door de goedgunstigheid des Heeren, omringd door Almachtige liefde, rustende in onfeilbare trouw, zal het welgaan en mag 's Heeren volk alle de wegen Hem aanbevelen in geloof. Och! dat er maar veel werkzaamheden mochten wezen^ bij Gods bondgenooten, om het veilig te zien in die Eéne hand!
Een volk in angst en nood, drukt de Heere, als een moeder bet schreiend kind, te vaster aan Zijn hart, d. w z. Hij geeft ze getuigenis van Zque eeuwige liefde en vepgekering, dat Hij is hun God eeuwig eu altoos. Bij bekommernis voor eigen weg en harte past Hij noodige waarheid met kracht toe en ruimt de steenen uit den weg en maakt een „vlak veld" en geeft in de vlakte een ruim gezicht.
Tegen vreeze zet Hij de genade des betrüuwens, tegen moedeloosheid verlevendigt Hij de hoop, tegen onbekwaamheid stelt Hij Zijne algenoegzame genade en zegt: „Ik zal maken, dat zij in Mijne wegen wandelen."
God weerspreekt het niet, als Zijn volk zich onbekwaam en verdoemeniswaardig belijdt met vernederd harte, maar Hij plaatst er Zijne troostgronden tegenover en doet door Zijnen Geest deze zoo zien, dat de zwarigheden verdwijnen; mijne schuld is groot, maar Gods genade in Christus voor mq nog grooter; mijne vreeze is machtig, doch Hij is machtig genoeg om mijn vreeze te beschamen; myn nood is hooggaande (en die der volkeren!) doch de Heere is boven allen nood. Zalig zoo wij door genade getroost, onze gedachten gevangen mogen geven onder 's Heeren genade-heerschappij. Heerlijk als het volkje Jacobs meer leeft bij de woorden Gods en Zijne bizondere vertroostingen, dan bij eigen gedachten. _Wie zet de bergen vast? En wie heeft Zijn genadeverbond bevestigd, vaster dan berg en rots? Vreest daarom niet, gij klein küddeke, want het is des Vaders welbehagen u.het Koninkrijk te geven.
Nog wordt het getuigenis gegeven, dat alle kruis en tegenspoed niet in ongenade komt, maar van Zijne Vaderlijke goedheid ; door 't bittere, naar onze gedachten, wordt het zoete der genade soms geproefd. Wel maakt de Heere sterke menschen zwak, doch de zwakken troost Hij wonderlijk
Uit vorige ondervindingen gaf de Heere vaak moed en troost te putten en dwaze, tot zwaarmoedigheid trekkende, gedachten verdreef Hij door Zijne waarheid en 't rechte licht te laten vallen op bizondere omstandigheden.
Nooit heeft iemand te vergeefs op den Heere gebouwd. Gods vertroostingen zijn bevonden sterker te zijn dan menschengedachten. En die vertroostingen brengen nederigheid, sterken de hope, ook in deze tijden, en wekken moed op Hem, Wiens gedachten hooger zijn danonze gedachten, gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde.
Onder allerlei ervaringen zijn het deze vertroostingen, die u doen lachen, heilig lachen, al is het ook met tranen in uw oog.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's