Allerlei.
Des christens troost.
Alle godsdiensten en alle wijsgeerige stelsels die door het menscbelyk vernuft zyn uitgedacht en uit het menechelijk hart zijn voortgekomen trachten een antwoord te geven ter oplossing van het wereld-raadsel — het raadsel van het zijn, het raadsel van het lijden, het raadsel van het sterven — maar geen religie en geen stelsel heeft ooit een antwoord kunnen geven dat het antwoord van den christ-geloovige overtreft, die, wanneer hij naar zijn eenigen troost beide in leven en sterven gevraagd wordt, dit bescheid geeft: »Myn eenige troost is, dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor alle mijne zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappg des duivels verlost heeft en alzoo bewaart, dat zonder den wil mijns hemelschen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat my alle ding tot myne zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door zijnen Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert; en Hem voortaan te leven van harte gewillig en bereid maakt", (Heid. Cat. Zond, I vr. en antw. 1.)
Dit is een eenige, alles vervullende, alles herstellende troost. Troost beide in leven en sterven.
Wat in het leven des chistens gezien moet worden, niet door een onderwerpelij ke ziels-gesteidheid slechts, maar in heel de practijk van het aardsche bestaan, bereid gemaakt wordend om den Heere gewillig en van harte te dienen naar Zyn Woord.
Waarbij het sterven van karakter veranderd wordt, zijnde niet meer een ingaan in de donkerheid van het graf om op te staan tot een eeuwig oordeel; maar zijnde een afleggen van dit leven, een doorgaan door het graf en een overgaan in de eeuwige heerlijkheid, waar Christus is; en waar het ïeven, het echte leven eeuwiglyk zal worden gekend met verzadiging der vreugd in aanschouwing van den Heere, Die zal zyn alles in allen.
Wat Wij noodig hebben.
Ten eerste: Overtuigde Christenen, dié weten, wat zij gelooven, waarom zij gelooven, in wien zy gelooven; die eerlijk zijn in hun Christen zijn; zichzelf geheel overgevende en het Evangelie geheel aannemende.
Ten tweede: Onderlegde Christenen, , die den grond kennen, waarop zij staan, die niet alleen hooren, maar ook vragen ; die niet alleen lezen in den Bijbel, maar hem ook" bestudeeren, totdat zij vasten grond onder de voeten voelen.
Ten derde: Geheiligde Christenen, die door Gods genade inwendig vrij geworden, nu ook vrij blijven door Zijn kracht; die aan zich zelven arbeiden en vorderingen maken, de wereld overwin nende.
Ten vierde: Moedige Christenen, die overal dezelfde zyn, en omdat zij weten, wat zij hebben, ook onbevreesd hun overtuiging belijden.
Ten vijfde: IJverige Christenen, die waar zij zijn, een zout zijn, die overal meehelpen en de handen uitsteken ten bate van het Koninkryk Gods en hun gemeente.
Ten zesde: Zelfstandige Christenen, die op eigen voeten willen staan, hun eigen belangen behartigen, voor de benoodigde middelen zelf willen opkomen en weten, dat zy, en waarom zij tot een Gemeente behooren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's