Uit het kerkelijk leven.
De moord op zendeling Van de Loosdrecht gepleegd.
Van bevriende zijde zond men ons — zoo lezen we in , de Nederlander" — een ontroerend schrijven van mevrouw Van de Loosdrecht uit Rante Pao (Midden-Celebes). .
Zoo men weet, werd de zendeling A. A. Van de Loosdreeht, uitgezonden door den Geref, Zendingsbond, dezen zomer door een inlander vermoord, en zij, de innig-lief hebbende vrouw en moeder, nu reeds weduwe, vertelt in haren brief op aangrijpende wijze hoe zij haren man en haar lieve kindertjes hun vader hebben verloren.
„26 Juli om 4 uur 's middags vertrok mijn man naar Bori; 'twas eerst zijn plan om naar Manggala te gaan, maar op 't laatst werd dit plan veranderd en vertrok hij naar Bori, Wij hadden juist dien morgen voor het eerst weer samen een kleine wandeling gemaakt in den tuin, want na het ontvangen van het bericht, betreffende het overlijden van mijn moeder, 't welk wij 't eerst vernamen uit een condolatiebrief, was ik ziek geworden. Daarom zou hij dan nu ook Zaterdags al weer terugkomen. Toen mijn man te Bori aankwam, was er alles rustig. Zich van geen gevaar bewust, zit hij met den goeroe om half zeven op den voorgalerij in. het goeroehuis eenige Toradja-verhalen te lezen. Mijn man zat achter de tafel, de goeroe stond naast hem. Plolseling komt een Toradja de trap op, het gezicht zwart gemaakt, het hoofd met een doek omwonden. Óp 't zelfde moment dat mijn man opkijkt, springt de man op hem toe en stoot hem een speer in de borst. hij trok de speer er weer uit en verdween toen in het duister. Mijn man was eerst neergestort, waardoor de tafel en de lamp omvielen; de boeken en schriften vatten vlam. Waarschijnlijk hierdoor weer tot zich zelf gekomen, had A, nog de kracht om zich op te richten en naar de keuken te loopen, daar viel hij toen neer. De goeroe was op 't eerste oogenblik verstomd van schrik en kon geen woord uitbrengen, De njonja en schoolkinderen, die op het geluid kwamen aanloopen, dachten, het brandje ziende, dat de goeroe daar zoo van ontsteld was, maar een meisje, dat in de keuken was en naar buiten wilde snellen, vond mijn man. Men bracht hem in de kamer op zijn veldbed; al zeer verzwakt door bloedverlies zei hij toch nog : „ Haal de njonja van' Berana en den controleur." Ons kokkie, dat bij hem was, holde daarop naar de stal en zadelde zijn paard; echter toen hij 't erf wilde afrijden, werd hij met steenen gegooid, zoodat hij het paard moest loslaten en zelf weer in huis vluchtte. Intusschen waren op het hulpgeroep van den goeroe een groot aantal menschen gekomen; die het huis bewaakten en den weg vrij maakten. De goeroe vroeg nu weer aan A. of hij iemand wilde zenden, om mij te halen, , Ach neen, laat het maar, ik heb al te veel bloed verloren ; zoolang kan ik niet meer leven. Ach, waarom hébben de Toradja's mij nu willen dooden, ik heb hun toch nooit anders dan goed gedaan." Toen, tegen onze kokkie: „Zeg njonja, Bobie en Nellie goeden dag. Ik wil bidden"
Even lag hij nog stil en stierf toen, zonder doodstrijd. Doodgebloed....
, Dien nacht, om twee uur ongeveer, werd er bij mij op de deur geklopt. Toen ik opendeed stond daar Belksma, achter hem de commandant met een aantal soldaten met getrokken sabel. Belksma deelde mij mede, dat er ergens een opstandje was uitgebroken en het daarom beter was, dat ik met de kinderen naar Rante Pao kwam. Ik wekte de kinderen; de boeken van den Bond waren in vijf minuten in een bundeltje gebonden en zoo min mogelijk geluid makend, werd ik met de kinderen in een draagstoel naar Rante.Pao gebracht. In de draagstoel had ik tijd om na te denken. Ik dacht vanzelf aan mijn man, die, niets kwaads vermoedend, op reis was gegaan. Maar erg ongerust was ik niet. Vooral in den laatsten tijd scheen het, dat het vertrouwen der menschen in ons toenam. Toen wij aankwamen bij den heer Brouwer [civiel gezaghebber], was daar ook reeds de familie Belksma. Overal op den weg brandden groote vuren om het terrein te verlichten en spionnen en oppassers liepen af en aan.
Om één uur 's nachts had de Controleur bericht gekregen van den moord op mijn man. Zij wisten het reeds dat hij was overleden, maar men durfde het mij niet vertellen, 's Morgens om zes uur vertrok de heer Brouwer met gewapende politie naar Bori, om, zooals ik dacht, mijn man te halen, die, zeide men mij, zwaar gewond was. Na zijn vertrek heeft Belksma mij de ontzettende waarheid medegedeeld. Die éérste uren zal ik nooit vergeten, 't Geloof in God en menschen ontviel mij. Wij waren zoo intens gelukkig! Voor deze wereld hadden wij geen ander verlangen dan hier steeds samen werkzaam te zyn onder 't volk, dat ons beider liefde en belangstelling had.
Tegen den middag kwam de stoet van Bori terug. Ik snelde naar de Passangraham, waar men hem had neergelegd. Nog geen 24 uur geleden had ik hem zien wegrijden, gezond en krachtig, en nu, dat weerzien zóó, , , .
Ik vroeg of men mij een oogenblik met hem alleen wilde laten. Ik heb in die oogenblikken ontzettend geleden èn gestreden, maar goddank, daar heb ik mijn geloof en kracht weergevonden. Ook dit lijden werd mij genade, een blijk van Gods liefde.
Mijn man werd opgeroepen midden uit zijn werk. Toen de Meester kwam vond Hij hem werkzaam in Zijn wijngaard. Hij heeft gewoekerd met de talenten hem geschonken, de Vader heeft hem ontvangen: „kom in, gij getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten, "
En ik, ik moet van alle aardsche steun afstand doen, om geheel alleen op den Heere te vertrouwen, 't Geloof werd beproefd, de liefde gelouterd.
Op dien dag is nog een angstige nacht gevolgd, waarover Belksma u wel zal schrijven.
Vooral met het oog op onzen toestand vond mynheer Brouwer het beter dat zign vrouw en ik naar Makale gingen. Door den gezaghebber aldaar werden wij allerhartelijkst ontvangen. Gisteren (6 Aug.) kwamen wij weer te Rante Pao terug.
Als oorzaak van den opstand hoorde ik het volgende: Een aantal dobbelaars hadden gezworen den heer Brouwer te dooden. Toen men zes dagen daarna nog geen goede gelegenheid had gevonden, zwoer men, juist eenige oogenblikken vóór mijn man te Bori kwam, dan maar een ander Hollander te zullen dooden, wat dan tegelijk het teeken zou zijn voor den opstand.
De ass.-Resident is nog hier om de zaak te onderzoeken. Ook de Gouverneur van Celebes bracht mij te Makale een bezoek.
Ik hunker er naar om met mijn kindertjes veilig in Holland te zijn, maar moet eerst de u bekende gebeurtenis in December afwachten.
Ik zou 'graag velen willen schrijven, maar het vermoeit mij te veel. Ik moet rust houden, Doe aan alle Zendingsvrienden mijn hartelijke groeten.
Gaarne Uw toegenegene,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's