Staat en Maatschappij.
De dienstweigeraars.
Bij de beraadslaging in de Tweede Kamer over het algemeen regeeringsbeleid is een onderwerp besproken geworden, dat in den laatsten tijd van actueel belang is geworden. Het betreft het vraagstuk van de dienstweigering.
De oplossing nu van dit vraagstuk is geen gemakkelijke.
En dit wel om drie redenen,
In de eerste plaats is bij het geding een conscientiebezwaar betrokken. De ingelijfde bg de militie of bij den landstorm weigert dienst te doen, omdat zijn overtuiging hem verbiedt de wapenen te dragen. Hij beroept zich dan voor zijn bezwaar op de Heilige Schrift en wel op het zesde gebod, dat luidt: „Gij zult niet doodslaan."
Op juiste en afdoende wijze heeft, naar het ons voorkomt, de heer Brummelkamp dit bezwaar in zijne rede van 22 Noveniber afgewezen.
Hij zeide daarvan dit:
, Dit gebod (Gij zult niet doodslaan) zeggen de dienstweigeraars, eu zeg ik met hen, is van Goddelijken oorsprong; het verbiedt dus — zoo besluiten zij dan, en daarin verschil ik met hen — in den volsten zin 'van het woord een mensch, een evenmensch, het leven te benemen op gewelddadige wijze, en dat is dus, volgens hen, in strikten zin verboden. En daar men nu in den oorlog, gesteld het mocht daartoe komen, genoodzaakt kan worden den vgand te dooden — oorlog is zonder dat ondenkbaar — zoo volgt, dat wie eerbied heeft voor het door God gestelde zesde gebod, de wapens niet kan, niet mag dragen, om desnoods den aanvaller te dooden. Doet hg het toch, dan zondigt hij tegen zgn geweten.
Tot versterking van hun meening plegen zg te wgzen op een ander woord uit de Heilige Schrift, luidende: Gg zult uwen naaste liefhebben als uzelven.
Het positief verbod van te dooden, in verband en als aangevuld door dat van de naastenliefde, vormt dan een hechten grond, zooals zij meenen, voor i hun conscientie-bezwaar tegen het dra , gen van de wapens, of in het algemeen I tegen den dienst.
Deze redeneering klinkt aannemelijk, maar berust allereerst op eén foutieve exegese.
Taalkundig staat het vast, dat het Hebreeuwsche woord doodslaan, in het zesde gebod gebezigd, precies hetzelfde beteekent als in onze taal vermoorden, iemand door geweld het leven benemen.
Dit blijkt uit andere plaatsen, waar in den grondtekst hetzelfde woord voorkomt en geen andere beteekenis kan hebben; waarvoor ik voor de deskundigen alleen verwijs naar de bekende plaats uit Jesaja I, waar bij wijze van tegenstelling van het toenmalig Jeruzalem gezegd wordt, dat zij vroeger was een stad vol recht, gerechtigheid hei'bergde daarin, maar nu doodslagers.
„Gij zult niet doodslaan" in het zesde gebod beteekent dus: „Gij zult niemand door moord of doodslag het leven benemen, " En het beroep op dit gebod voor dienstweigering gaat dus niet op. Er is meer.
Dezelfde God die dit gebod heeft uitgevaardigd, heeft bij het lsraëlietische volk den offerdienst verordend, en ieder weet dat men een dier niet offeren kan, zonder het vooraf te dooden. De Goddelijke wetgever zou dus met eerbied gezegd met zichzelf in strijd komen, indien in het zesde gebod bedoeld ware het leven' benemen in onvoorwaardelijken zin.
Sterker nog. God heeft aan Israël uitdrukkelijk geboden, dat de godslasteraar moest worden gesteenigd; dat is, dat hij door het werpen van • steenen op hem bij levenden lijve, op de meest gewelddadige wijze dus, van het leven moest worden beroofd.
Deze straf, om de gruwelijkheid van het misdrijf in den meest onteereuden en verschrikkelijken vorm toegepast, zou niet kunnen verordend zijn, indien door het zesde gebod kortweg alle beneming van het leven ware bedoeld.
Ik concludeer uit dit alles, dat de dienstweigeraars, zich op het zesde gebod beroepende, dat doen volgens een foutieve exegese, een exegese, dié zoowel taalkundig als wat de Goddelijke bedoeling betreft, den toets niet kan doorstaan."
Toch komt men bij de dienstweigeraars ' met de exegese, welke hierboven genoemd werd, geen stap verder, want deze exegese wordt door hen niet aanvaard.
De dienstweigeraars doen een beroep op de gewetensvrijheid.
Nu hebben wij allen eerbied voor conscientie-bezwaren. Het nobele wat daarin zit, verdient steun. Mr, Groen van Prinsterer schreef eenmaal deze schoone woorden: „In Nederland moet al wat de conscientie vrijheid te na komt zonder eufemistisch mededoogen worden gebrandmerkt." Daarom verdient het , instemming, wanneer er iets kan gedaan worden, om degenen die verklaren dat eenige wet des lands, hier de wet op de dienstplicht in strijd is met een Goddelijk gebod en zij uit dien hoofde die wet niet mogen gehoorzamen, ter wille te zijn.
Maar — en hier komen wij aan de tweede reden — hoe zal te onderscheiden zijn tusschen de oprechte bezwaarde en degene, die conscientiebezwaren voorwendt, teneinde op die manier den militairen dienst te kunnen ontloopen. Hier zit de moeilijkheid om de simulanten te onderkennen. Men begrijpt, dat wanneer behoorlijke voorzorgen niet genomen worden de honderden op vandaag aangroeien tot de duizenden op morgen. De dienstweigering wordt dan een goed middel om zich aan zijne eerste burgerplichten te onttrekken.
En in de laatste plaats doet zich de vraag voor: hoe met een dienstweigeraar, die niet voor de eigenlijke militaire dienst zal bestemd worden, verder dient gehandeld te worden. Het spreekt vanzelf, dat vrijstelling van inlijving, zonder meer, ontoelaatbaar zou zijn. Voorde militaire dienst zal een vervangende dienst moeten opgelegd worden. Hei laat zich begrijpen dat deze laatste dienst zwaarder zal moeten wezen dan de militaire verplichtingen welke men niet op zich wil nemen. Al deze punten, die met meerderen zouden kunnen aangevuld worden, zullen onder de oogen gezien en tot eene bevredigende oplossing moeten worden gebracht.
Zoo blijkt het, dat aan het probleem der dienstweigering nog heel wat vast zit
Daarbij blijft het eéne zaak van groote beteekenis in hoeverre erkend kan worden, dat iemand zich aan de hoogste plichten om het vaderland in de dagen van gevaar te dienen, onttrekt.
De Overheid moet er zich rekenschap van geven, dat, gaat zij over tot het niet inlijven der dienstweigeraars, daarmede ernstige belangen op het spel staan.
In ieder geval, en daarop komt het hier aan, heeft zij den toetssteen te bezitten om de oprecht gevoelde conscientie-bezwaren van de gesimuleerde te kunnen onderscheiden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's