Staat en Maatschappij.
De religie van de binnenkamer.
De minister van Binnenlandsehe Zaken heeft, zooals hij dit uitdrukte, zijn peccavi (rouwmoedige schuldbekentenis) uitgesproken.
Dit geschiedde na de ernstige klacht van den voorzitter der anti-r evolutionaire Kamerclub, dat in de Openingsrede de naam Gods verzwegen was geworden, zoodat de regeering het blijkbaar niet noodig oordeelde, om er getuigenis van af te leggen, dat ons land en volk in deze benarde tijden zoozeer de hulpe Gods behoeft.
De minister begon met eene verontschuldiging :
„Indien ik, zoo zeide hij, had kunnen voorzien, dat deze weglating velen zon hebben gegriefd, zou ik niet geaarzeld hebben de Openingsrede aan te vullen."
En daarna kwam het boetekleed:
„Maar ik moet erkennen, dat ik het niet voorzien heb, maar dat ik het had kunnen voorzien, en in zooverre wensch ik hier mijn peccavi uit te spreken."
Het doet ons genoegen, dat de minister deze rondborstige verklaring hoeft afgelegd, waarmede de minister genoegdoening, bij zonderlijk aan de Antirevolutionairen, gaf. Wij zouden dan ook verder de zaak kunnen laten rusten, ware 't niet, dat wat de minister op de laatst aangehaalde zin uit zijne rede liet volgen, ons nog tot het maken van een enkele opmerking verplichtte.
De bedoelde woorden luiden: '
„Ook in het stellen van Staatsstukken wordt men beheerscht door het innerlijke leven, en er zijn velen in het land — en ik behoor tot hen — die in tegenspoed en in voorspoed, en helaas meer in tegenspoed dan in voorspoed, in hun binnenkamer opzien tot God, maar die niettemin geen behoefte gevoelen daarvan in het openbaar te getuigen."
De aandacht valt bijzonder . op de laatste woorden.
De minister eert God in zijn binnenkamer, doch hij behoort niet tot degenen, die behoefte hebben in 't openbaar daarvan te getuigen.
Hier treedt weer naar voren het onvervalscht liberale standpunt, dat buiten de binnenkamer het schepsel met zijn Schepper geen punten van aanraking heeft.
De godsdienst hoort thuis op het terrein van het gemoedsleven, de Staat als politieke macht heeft elke aanraking met dit intieme leven zooveel mogelijk te vermijden.
De Staat is los van God.
Op dit beginsel staande kan voor mv. Cort van der Linden in bet aanroepen van Gods heiligen Naam in eenig staatsstuk dan ook geen beteekenis liggen. Hij wil intusschen van de Naam Gods wel gewagen, maar dan doet hij dit alleen, omdat velen zich door het weglaten van de inroeping van Gods zegen zouden gegriefd gevoelen.
Wat mr. Cort van der Linden met zijne regeerings verklaring belijdt, is eene religie, welke zich in de binnenkamer laat opsluiten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 december 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 december 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's