Uit het kerkelijk leven.
Een antwoord aan Dr. A. Kuyper. VII. -
Nog twee artikelen zijn we verschuldigd ten antwoord aan Dr. A. Kuyper. En wel één in betrekking tot de attestenkwestie te Amsterdam en elders; terwijl een slotartikel volgen moet waarin de eigenlijke vraag, ons gedaan, behandeld wordt.
In zake de z.g.n. aanneming van lidmaten — beter gezegd het toelaten tot de openbare belijdenis en het toegang geven tot het H. Avondmaal — is er in onze Herv, Kerk heel wat te doen geweest. En wel om déze oorzaak: in onze Herv. Kerk is een belijdenis; die belijdenis wilden velen graag wég hebben; die belijdenis was er en bleef er intusschen, doch nu was 't de kunst om de mazen zóó groot te maken, dat ook moderne gemeenteleden er gemakkelijk door konden.
Vooral bij de „aanneming" waren groote mazen in het net noodig, opdat vooral toch geen moderne jongelui vast zouden loopen. De belijdenisvragen mochten dan ook in vorm gewijzigd worden — evenwel moest de geest en de hoofdzaak van die vragen blijven. De jongelui moesten dus in hun belijdenis en in hun belofte met die vragen rekening houden en mochten daarvan niet principieel afwijken.
Dat zulke dingen — als met de eene hand genomen en met de andere hand gegeven wordt — moeilijkheden kunnen opleveren, is gemakkelijk te begrijpen. En dat de ouderlingen, die bij „de aanneming" tegenwoordig moesten zijn, dan misschien wel eens een woordje zouden zoggen in zake de belijdenis-zelve, was tê voorzien. En daarom werd er een bepaling gemaakt, dat de ouderlingen die belijdenis-zelve niet nader mochten ingaan; daar de predikant zijn leerlingen kon vragen en deze dan ten slotte hadden te verklaren of zij op de belijdenisvragen van art. 39 konden en wilden antwoorden of niet.
Daarbij werd de mogelijkheid geschapen, dat men ergens elders, buiten eigen geiheente dus, voor een anderen kerkeraad belijdenis des geloofs kon afleggen, om zich daarna in eigen gemeente als lidmaat aan te dienen, met verzoek in het lidmatenboeken te worden ingeschreven.
Zoo werd de Kerkeraad ter plaatse geheel machteloos gemaakt en een naburige Kerkeraad heerschte feitelijk over hem; hoewel beide Kerkeraden reglementair gebonden waren en "bleven aan één en dezelfde belijdenis.
Men voelt, dat is allemaal knutselwerk, knoeiwerk — 'twelk in een Kerk niet moest voorkomen.
Dat is enkel en alleen om te kunnen smokkelen.
Want officieel is men gebonden aan de belijdenis — maar nu gaat men een smokkelhandel organiseeren, om toch in de Kerk te kunnen binnenkomen, ook al „struikelde men over elf van de twaalf geloofsartikelen"" Triumfantelijk kon men alzoo den wettigen Kerkeraad een bewijs van lidmaatschap toonen, afgegeyen door een Kerkeraad van elders, die zich toch feitelijk buiten de zaken van een ander te houden heeft.
Waar dat knoeiwerk door de Synode is ingevoerd met 11 tegen 10 stemmen de modernen 4 voor — de orthodoxen tegen) daat heeft de Kerk zelve zich steeds in groote meerderheid er tegen verklaard; hoewel ook orthodoxen, waar zij in moderne gemeenten een minderheid vormden, met dit lapmiddel ook geholpen waren en alzoo bij een naburigen rechtzinnigen Kerkeraad belijdenis kónden afleggen en tot de Kerk 'worden toegelaten.
In'1877, '78, '79, '80 was deze kwestie in vollen gang. En we hebben maar te herinneren aan de Dordtsche troebelen in 1879, waarbij de rechtzinnige predikanten Eigeman en Hoogenhuyze benevens enkele ouderlingen betrokken waren, om te doen gevoelen, dat er krachtig verzet was tegen de' bepalingen in de reglementen, die voor de modernen zoo welkom waren. En dat verzet openbaarde zich ook in de kerkelijke Besturen; we hebben maar de namen te noemen van ds. K. F. Creutzberg en ds. jhr. W. F. Trip van Zoudtland (leden van de Synode en van het Prov. Kerkbestuur van Gelderland) alsook van ds. Felix van Utiecht, ds. J. G. Verhoeff van Bodegraven enz. Maar deze mannen wilden ook dat men in deze niet eigenmachtig tegen de Reglementen mocht ingaan, daar toch de weg in deze is, dat de Kerk zelve, wanneer een of andere bepaling ondeugdelijk is, deze verkeerdheid heeft te herstellen, waarbij een particulier of een of andere Kerkeraad de bevoegdheid mist om hetgeen de Kerk vaststelde, zonder vorm van proces van nul en geener waarde te achten. Waarbij men gesterkt werd door de overtuiging, dat de ondeugdelijke bepalingen van art. 38 en 39 en 40 van het Regl. op het godsd.onderwijs in de Kerk zelve èn bij de Prov. Kerkbesturen in bij de Classicale Vergaderingen èn bij de Kerkeraden op krachtig verzet stootten.
Niemand had het gevoel, dat de Herv. Kerk als zoodanig deze bepalingen wilde en zou handhaven. Waarbij méér dan duidelijk was (zie het Rapport dat uitgebracht werd in de Synode van 1879) dat de Kerk inderdaad hoogstens toestond: met behoud van positieve belijdenisvragen aan de predikanten vrijheid te geven de vragen zelf te formuleeren, onder uitdrukkelijk beding, dat althans de 'geest en de hoofdzaak van de in de belijdenisvragen van art. 39 vervatte belijdenis, verklaring en belofte zou worden bewaard.
Iets, wat o.a. ook in de Synodale circulaire aan de Kerkeraden d.d. 20 Aug. 1912, no. 488 nog eens nadrukkelijk is geconstateerd ter herinnering aan allen die bij „de aanneming" betrokken zijn.
Dat nu heeft men in Amsterdam waar de heeren dr; Kuyper en dr. Rutgers, hoogleeraren aan de Vrije Universiteit, ouderlingen bij de Herv. gemeente waren veel te veel ovei 't hoofd gezien. Daar liet men zich. èn inzake de Theol. studenten aan de Vrije Universiteit en in zake de beheerskwestie en ook inzake de attesten-kwestie veel te veel afleiden van hetgeen officieel de belijdenis der kerk was, om alleen te zien op enkele bizondere bepalingen die allerongelukkigst waren. Men had met beide handen moeten vasthouden dat officieel karakter der kerk, om gemeenschappelijk langs kerkelijken weg de verkeerde bepalingen weg te krijgen. Maar dat wilde men in Amsterdam niet, wat ook wel blijkt uit 't geen „de Gereformeerde Commissie" adviseerde in 1880, Waarop ook spoedig groote verdeeldheid in dien kring kwam en heel de Gereformeerde Commissie eigenlijk uit. elkaar viel — ook al mee door de „ongevraagde' adviezen van dr. Kuyper in „de Heraut."
Op die lijn van met geweld tegen de ondeugdelijke bepalingen van het Reglem, voor Godsd. onderwijs aan te loopen en ze eigenmachtig builen werking te stellen ging men te Amsterdam in 1886 een heel stuk verder, onder krachtige leiding van van de twee bovengenoemde ouderlingen Kuyper en Rutgers. Deze mannen, ouderlingen bij moderne predikanten als Berlage, Laurillard en Ternooy Apel, klaagden die leeraars en leidslieden niet op deugdelijke gronden aan inzake hunne afwijkingen in de leer. Maar deze mannen wilden, tegen de reglementaire bepalingen en voorschriften in, de leerlingen van die predikanten beletten in de kerk binnen te komen. (23 Maart 1885).
Ieder voelt, dat was niet de meest koninklijke weg. En die verkeerde weg heeft dan ook ten slotte een groot deel van den Amsterdamschen kerkeraad in de moeilijkheden gebracht, waaruit de Doleantie is ontstaan.
Een onverdacht getuige in deze kwestie is zeker docent De Cock uit Kampen. Beter dan dat wij ons oordeel zeggen, kunnen we. zijn getuigenis aanvoeren. En déze docent aan de Kampensche Theol. School schreef 27 Aug. 1886 in „ De Bazuin" onder het opschrift: „Is het weigeren om moderne lidmaten in te schrijven, te verdedigen ? " 't volgende :
„Mij komt het voor, dat aan de kinderen der gemeente te Amsterdam het grootste onrecht wordt aangedaan, indien en zoolang de kerkeraad weigert hen aan te nemen op de belijdenis, die hunne ouders en hun leermeester hen hebben onderwezen, en dezen als leden erkend blijven. Dezen komen niet tot de gemeente ze zijn er in door den doop ; ze zijn niet onderwezen buiten de gemeente, maar in de gemeente, door een harer leeraren, door een als wettig erkend voorganger der gemeente, door een man, die nu en dan zelf voorzitter is van den kerkeraad.
Niets, volstrekt niets is er, dat den kerkeraad kan wettigen om tot de kinderen te zeggen: ik blijf wel uwe ouders als leden en den man, die u onderwezen heeft, als leeraar der gemeente erkennen, maar u weiger ik het lidmaatschap, indien gij met hen van 't zelfde gevoelen zijt."
Dit oordeel van den man der Afscheiding .spreekt voor zich zelf. En ook wij weigeren alsnog, niet miskennende de goede bedoelingen die bij velen wel zullen hebben voorgezeten, van de Doleantie te getuigen, „dat men enkel om de wille van z'n belijdenis aangaande den Christus buiten de kerk gezet is."
Men heeft een onkerkelijken weg bewandeld in 1886. Men heeft verkeerd gehandeld .in 1886,
En velen die in deze niet wilden mee gaan de kroon van 't hoofd rukkend, door het verwijt „dat zij den Christus verloochenden", is men zelf hartstochtelijk ingegaan, in ondeugdelijke paden tot kerkherstel, om dan ook buiten de kerk te komen staan.
(Slot volgt.)
Onze Brochure.
Het begint nu een beetje te loopen met onze brochure „Over de leervrijheid in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk." Zooals we reeds met een enkel woord opmerkten ging het bij den uitgever — die, zooals ds. Knap terecht opmerkte, ook niet al te veel werk van de uitgave zelf heeft gemaakt — met den verkoop maar slecht. Er werd ook niet eens keunis van gegeven aan bet publiek, dat de brochure er was. Maar nu loopt het aardig en die nog een exemplaar van dit boekje hebben wil, zal zich moeten haasten.
Waarom we nog eens op deze uitgave terug komen ?
Eenvoudig hierom, omdat de predikanten, de kerkeraadsleden (vooral onze ouderlingen) en ook de leden dgr Gemeente, die zich van kerkelijke zaken op de hoogte houden, dit boekske niet kunnen missen.
Uit officieele stukken is hier bijeenvergaderd wat betrekking heeft op de leer der kerk; en vooral in deze tijden dient ieder zich daarvan op de hoogte te stellen.
Ook in de afdeelingen van onzen Bond alsmede in den kring van onze Jongelingsvereenigingen zal men goed doen een of meer exemplaren te bestellen, (althans 1 ex. voor de bibliotheek), om dan b.v. aan de hand van deze brochure eens een opstel te maken over „de Synodale organisatie of „de leervrijheid in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk."
Het is zoo noodig, dat onze menschen van deze dingen op de hoogte zijn. Dat moet er ingestampt worden, opdat het er nooit meer uitgaat!
Laat men daarom niet talmen, maar ieder bestelle p.o. een exemplaar bij den Maassluischen Boekhandel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 december 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 december 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's