Uit het kerkdijk leven.
Israels verwachting.
De oorlogskansen hebben Jeruzalem weer meer gebracht in de gesprekken der menschen. En het feit, dat een Christennatie deze stad in Palestina aan der Turken hand ontrukte, deed vooral der Joden oogen gericht worden naar bet Oosten, omdat Engeland tevoren verklaarde, dat het dié heilige stad en het heilige land niet voor zichzelf begeerde, - maar aan de Joden wenschte terug te geven hun vaderlijk erfgoed.
Feestvreugde is daarom onder de kinderen van Abraham, die meer vertrouwen stellen in Engeland dan in Turkije, en nu verwachten, dat zij weldra in grooten getale naar Palestina kunnen terugkeeren, waar zij de vervulling van Gods beloften, aan de vaderen toegezegd, tegemoet zien.
Vleeschelijke beschouwingen liggen hierbij ten grondslag bij Israel, dal tot op heden de Schriften des O. Verbond!? las en leest als met een deksel op 't aangezicht. Als Jeruzalem en de heilige bergen maar weer in 't zicht komen, dan zal de heilzon over Abrahams zaad opgaan. En zij wachten en wachten, meer dan de wachters op den morgen!
Wij behoeven niet te zeggen, dat Israel m deze feil gaat. Den Christus hebben zij verworpen; Zijn bloed hebben ze over hun hoofd gehaald onder den toorn Gods, en de oordeelen van den hemel hebben ze afgeroepen over 't hoofd van hunne kinderen — vandaar hun omzwervingen ook, zonder koning, zonder priester, zoner ternpel, zonder altaar;
En in plaats dat zij zich nu leeren bekeeren tot den Heere en Zijnen Christus, om met Saulus van Tarsen uit te roepen : wat wilt Gij, o verheerlijkte Christus, wat we doen zullen" — is hun hope dwaselijk op het land Kanaan en op de tad Jeruzalem, verwachtende dat daar hun 't heil zal worden geopenbaard.
Maar als de Schrift spreekt van een vergaderd worden op den berg Sion, op den berg des Heeren, om daar verzadigd te worden met.het heil — dan bedoelt immers de Mond der Waarheid het komen tot den berg, waarover de Heere den Christus gezalfd heeft; -' het komen tot Gods genadeverbond en.het deel krijgen aan de heilsgoederen in Christus, den Middelaar des Nieuwen Verbonds voor een arm zondaarsvolk geopenbaard.
Dan gaat het niet om vleeschelijke voorrechten, om een vleeschelijk kindchap Gods, om de vleeschelijke besnijdenis en om den aardschen tempelberg, in het aardsche Kanaan.
Immers krijgt alles geestelijke beduidenis naar den aard van het nieuwe en betere Verbond, dat de Heere in Ohristus heeft opgericht met Zijn volk van alle plaatsen Zijner heerschappij.
Om Christus gaat het. Daar is de Priester en het Offer tegelijk. Om Golotha gaat het; daar is het Lam geslacht, dat de zonde der wereld wegnam. En neen, het - heentrekken naar Palestina kan ons niet brengen tot de gemeenschap met den Heere, tot de levensvreugd vol zaligheid.
Palestina en Jeruzalem moeten teleurstellen.
Het Israel Gods zal den Heere moeten leeren zoeken en vinden in de gemeenschap met Jezus Christus, in de vergeving hunner zonden door het bloed des kruises. Hij moet onze Koning, onze Priester en onze Profeet worden. En daarom zou het voor Abrahams kinderen zoo zeer , te wenschen zijn, dat zo niet hoopten óp Engelands regeering en op Jeruzalems gewijden grond, om blind hét heil te verwachten van een aardschen tempel en een vernieuwd altaar, maar dat Jacobs nakomelingen leerden hopen op den Heere, om nu met de Gemeente van Christus te zien naar den dag van Zyn geboorte, waarbij deze adventsweken immers ons bij vernieuwing bepalen.
Want hèt is de dag van heil; dit is de dag van zaligheid! En allen die dézen dag recht kennen, mogen zich verheugen en verblijd zijn, want de Heere komt daar tot Zijn erfvolk, om groote zaligheid te openbaren, allen, die in Christus mogen kennen hun schuldovernemenden Borg en plaatsbekleedenden Middelaar.
Daarom ga ook in déze adventsweken het gebed voor Israel op, dat zig hun hope mogen leeren stellen op den Zaligmaker Jezus Cliriëtus, , liever dan op de vernieuwing van Jeruzalems tempel. Want daar in Kanaan kan niets dan teleurstelling waclhten, maar wie den Heere leeren kennen in de openbaring van Jezus Christus, zal verzadiging van vreugd vinden, verzoening, vrede en vreugd, welke blijft tot in eeuwigheid.
Onder Servituten.
„De Hervormde Kerk is", zoo lazen we onlangs in de N. Rott. Ot. „evenmin de ideale Kerk der orthodoxen als der vrijzinnigen". „Noch de orthodoxen noch de vrijzinnigen kunnen hunne Kerkrechtelijke idealen of liturgische idealen in dat Kerkgenootschap verwezenlijken." Deze beschouwing lijdt niet aan vaagheid.De Kerknieuwsschrijver van dit groote liberale dagblad ziet dus duidelijk: de Herv. Kerk is noch het een, noch het ander; noch orthodox, noch vrijzinnig. En omdat hij ook wel voelt, dat er toch nog wel rasechte orthodoxen zullen zijn on ook rasechte modernen, zegt hij dan ook verder: „Wie' hunner dat wil (n.l. z'n Kerkrechtelijke of liturgische idealen verwezenlijken) ga naar de Gereformeerde Kerken of naar den Protestantenbond".
Mooi zoo!
Maar eilieve, waarom wil men dan de Herv. Kerk laten zooals ze nu is, terwijl ze dus nu eigenlijk geen vleesch en geen visch is, noch orthodox, noch modern?
Moet zij dan speciaal een Kerk zijn voor menschen die noch het een, noch het ander zijn? En moet zij dan gedoemd worden als een kleurloos ding een roemloozen dood te sterven?
Dan is men even onbarmhartig als die moedor bij Salomo's eerste recht, die liever zag dat het levende kind gedood werd, dan dat het aan de ware moeder kwam?
Laat ons toch zoo onbarmhartig niet zijn!
Laat ons hooger ideaal hebben, dan de Herv. Kerk „een ding van niets" te doen zijn.
Doch, dan komt de Kerknieuwsschrijver van de N. Rott. Gt. en zegt: „de Herv Kerk is een gemeenschappelijk erf wederzijds met tal van servituten bezwaard." Wat zijn die „servituten" dan?
We kennen tal van bepalingen, waaronder men het Kerkelijk samenleven in de Herv. Kerk heeft willen vastleggen.
Maar voor ons gaat vanaf 1816 --om voor 'foogenblik maar eens met dat jaar te beginnen - een dikke lijn door heel het stel Kerkelijke Reglementen, welke lijn is: geeu leervrijheid!!
En dan dat „geen leervrijheid" niet alleen negatief gesteld; maar positief aangevuld, met allerlei bepalingen als; „naar Gods Heilig Woord", „geest en hoofdzaak der belijdenis", „handhaving der belijdenis" ; — waarbij ook de sacramenten schriften wèl omschreven.
Van „servituten" dus gesproken — als een „eeuwig" servituut ligt op onze Herv, Kerk, dat zij is een belijdende Kerk en dat haar belijdenis niet stout geschonden mag worden door niemand , en nooit; aan welk „eeuwig" servituut op knoeierige wijze is beknibbeld, wat dr. Hooykaas indertijd in het Handelsblad „een onwaarachtig geschipper" noemde.
Dat onwaarachtig schipperen, dat telkens met 10 tegen 9 stemmen geschiedde — tegen het duidelijk en krachtig protest van de Kerk zelve ingaande — moet daarom maar eens flink aan de kaak gesteld worden, juist om het „Servituut" dat op de Herv. Kerk ligt. Zelfs „geest en hoofdzaak" — en zóo alleen heeft men 't er door kunnen halen — mocht aan de belijnenis zelve geen wezenlijke schade brengen!
En wil men dan nog praten van „een gemeenschappelijk erf voor orthodoxen en modernen, wederzijds met tal van servituten bezwaard" ? •
Maar we weten goed raad; we zeggen met dr. Bronsveld: „in de Reglementen onzer Kerk moeten zoodanige bepalingen worden gemaakt, waardoor het boven allen twijfel wordt verheven, dat iemand, die de moderne wereldbeschouwing is toegedaan, tot die Kerk niet kèn toetreden, wil hij althans een eerlijk man zijn". Dat lijkt ons nog zoo kwaad niet.
Misverstand.
Bij de vrijzinnigen bestaat voortdurend misverstand ten opzichte van het karakter onzer Hervormde Kerk, 't welk gestadig in de hand ge, werkt wordt door de beschouwingen van onze Gescheidene broeders, die de band der gemeenschap met de Herv. Kerk hebben doorgesneden en nu in eigen geformeerde Kerken saamwonen.
De vrijzinnigen redeneeren zóo: de Herv. Kerk is een Kerk waar elke richting-evenveel recht heeft; een Vereeniging van „elk wat wils".
Voortdurend komt men met deze beschouwing maar weer naar voren — maar voortdurend zullen we daartegen ageeren, in de hoop dat de druppelden steen zal iiithoUen en deze verkeerde beschouwing der vrijzinnigen zal worden uitgebannen.
De nienwe voorganger der Vrije Gememte te Amssterdam, ds. H. Q, van Wijngaarden, voor kort nog predikant bij de Ned. llerv. Gemeente te Almelo, komt in No. 1 van de „Nieuwe Stemmen van de Vrije Gemeente" ook aanstonds met die verkeerde opvatting der vrijzinnigen naar voren. Ds. Hugenholtz, de stichter van de Vrije Gemeente, was van oordeel dat de modernen in de Herv. Kerk niet thuis hoorden; o.a. óok, omdat de nieuwe belijdenisvragen (in 1877) te veel belijdenisvragen waren. Daarom ging hij nu veertig jaren geleden, uit de Herv. Kerk heen, om in de Vrije Geraeente zijn geestverwanten te vergaderen; welke geestverwanten ds. Hugenholtz o.a. deze stelling leerde „tot de beginselen der Vrije Gemeente behoort de overtuiging, dat de moderne richting zich in de Hervormde Kerk niet vrij en consequent kan ontwikkelen."
Dat was in 1877; nadat men de wijziging der belijdenisvragen ter hand genomen had. Toen werd 30 Nov. 1877 met 141 tegen 19 stemmen besloten, de Herv. Kerk te verlaten; omdat de modernen in de Herv. Kerk een belijdende Kerk zagen, , waarin voor de vrijzinnigen geen plaats was.
En nu in 1917 zegt de nieuwe voorganger ds, van Wijngaarden in de Nieuwe Stemmen uit de Vrije Gemeente, terwijl er principieel na 1877 niets in de Herv. Kerk is veranderd, het volgende:
„Ten tweede moet worden erkend, dat met name het Hervormde Kerkgenootschap vooral door de woorden „geest en hoofdzaak", maar ook door alles wat daarmee samenhangt blijken gegeven heeft, dat er binnen hare muren toch meerdere vrijheid mogelijk was, dan men in de troebele jaren van 1870—1880 heeft kunnen vermoeden. Toen kon men meenen, dal de wassende macht van het confessionalisme de Kerk zou overstroomen en alles wat vrijzinnig heette zou wegsleuren. Thans weten wij, dat er binnen de Ned. Herv. Kerk allerlei schakeerin^ kan blijven bestaan, dat ook Gods dienstoefeningen mogelijk zijn. welke met bidden en danken niet worden gewijd, dat Buddhistisch gezinden zich iunnen uitspreken op den kansel, dat het sociahsme er kan worden verdedigd en dat de gehate belijdenisvragen hoe langer hoe wijder worden, zooals de transmissieriem bij de motor hoe langer hoe meer uitrekt naar het langere dienst doen.
Ja er is vrijheid binnen de Ned. Herv. Kerk en daarvoor alleen zou het dus niet noodig zijn om thans onze vereeniging te stichten.
Maar laat men niet vergeten: deze vrijheid behoort volgens zeer vele leden niet tot het wezen der Kerk. Zij is er. Naar wij . hopen blijft zij er. Maar den confessioneele en gereformeerde broeders
Zonder schijn van bewijs wordt hier dus door ds, van Wijngaarden gezegd, dat de Herv. Kerk sedert 1880 meer vrijzinnig is geworden en dat men zouder bidden en danken daar godsdienstoefening kan en mag houden ; dat Buddhisten en socialisten zich daar echt thuis kunnen voelen; dat de belijdenisvragen zóó gerekt zijn, dat er geen belijdenis meer inzit; dat er „vrijheid" is binnen de Ned. Herv. Kerk
Nu is van heel deze redeneering geen woord waar. Ieder predikant heeft den beroepsbrief onderteekend, waarin staat, dat hij zich in leer en leven houden zal aan Gods Heilig Woord, Ieder predikant en elke kerkeraad en elk kerkelijk bestuurslichaam is gebou; den aan art, 11 van het Algem. Regl'.
Ieder lidmaat is in belijdenis gebonden aan de beginselen en hoofdwaarheden, vervat in de aloude apostolische geloofsbelijdenis en in de Hervormde belijdenisschriften, waarvan de Heidelb, catechismus onwillekeurig 't meest naar voren komt.
Geén lidmaat wordt in de Herv, Kerk toegelaten of hij (zij) moet de belijdenis aangaande een drieëenig God, aangaande Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon enz., onderschrijven in den zin zooals de Kerk dat van ouds heeft bedoeld. En terwijl dat. nu zoo is, zegt men telkens zonder blikken of blozen, de historie en de waarheid een slag in 't aangezicht gevend, dat de Herv, Kerk voorschrijft, dat een Boeddhist en socialist even veel recht heeft in de Kerk als een confessioneel of gereformeerde. Wat onzin!
De Herv, Kerk kent geen partijen of richtingen.
De Herv. Kerk spreekt nergens van Confessioneelen, Gereformeerden, Vrijzinnigen, Buddhisten, Socialisten of wiel ook.
Waar de Herv. Kerk van spreekt is: Alle predikanten moéten beloven en onderschrijven, dat ze het Evangelie van' Jezus Christus zullen verkondigen (prop. formule); dat zij in leer en leven zich' zullen richten naar Gods Heilig Woord (beroepsbrief); dat zij in "kerkeraad of elk kerkelijk college ook, naar art, 11 Algem. Regl, de leer der kerk zullen handhaven en dat ze geen lidmaten zullen toelaten of erkennen, dan wanneer dezen bevestigen, dat zij het hartelijk eens zijn' met de beginselen en grondwaarheden der belijdenis; (zie o, a, de Synod, circulaire'van 20 Aug. 1912) - en waar dat alies nu zoo is, door herhaalde verklaringen van de Synode zelve bevestigd, daar willen de vrijzinnigen toch telkens de menschen maar wijs maken, dat in de Herv. Kerk rechtens élke geestesrichting thuis hoort, Buddhist en Socialist ingesloten.
Nu gelooven we ook, dat de Synode in deze veel te slap is. Uit goedheid , misschien. Men wil dan z. g. n. geen dwangmiddelen bij geestelijke zaken gebruiken. Maar intusschen heeft de Synode nog nooit verklaard: dat de Ned, Herv, Kerk voor elke geestesrichting plaats laat. Dat hebben wel particuliere vrijzinnige personen verklaard en dat zou men in enkele kringen wel willen, maar de Herv. Kerk als zoodanig heeft het nog nooit verklaard. Altijd is de belijdenis der Kerk ontzien, zijt dan ook misschien soms meer nood gedwongen dan uit hartelijke liefde!
En — dat ds. van Wijngaarden met zijn triomfantelijk daar heen geworpen redeneering zelf toch ook niet al te gerust is bij deze dingen, bewijst heel z'n betoog wel. Want hij zegt toch eigenlijk: „laten we onze 'Vrije Gemeente maar houden, want die vrijheid in de Herv. Kerk staat niet al te vast en het kon nog wel eens knders worden!" —
Men is dus in het kamp der vrijzinnigen niet al te gerust. En niet zonder oorzaak. Want het officieel karakter der Herv. Kerk is niet om belijdenloos te zijn en een vereeniging van „elk wat wils" te wezen, waar Buddhist en Socialist zich thuis voelen. De Herv. Kerk is een belijdende Kerk, met Gods Heilig Woord als regel voor leer en leven, gebonden aan de beginselen harer eigene belijdenis; al is de practijk helaas I veel te slap in deze.
Door beschouwingen van ds. van Wijngaarden ziet men alweer hoe schandelijk misbruik men van de langmoedigheid „ „ en zachtheid en verdraagzaamheid van de Synode maakt, Brutaal neemt men de heele hand, waar een vinger wordt toegestoken. Wat helder in 't liclrt stelt, dat de Gereformeerden en Confessioneelen niet zoo heel verkeerd hebben gezien, dat, juist om het schandelijk misbruik dat van de woorden „geest en hoofdzaak" in art. 39 Regl. godsd. onderwijs gemaakt wordt, dringend noodzakelijk is, dat die elastische woorden verdwijnen, '
Waarbij gelukkig niet de Gereformeerden en Confessioneelen alleen staan. Ook tal van hen die men bij „de Etischen" indeelt hebben dat gevoeld; en blijkens een uitlating in de Nederl. Kerkbode voelen zij het heden nog alzoo.
Want waar B. te S. in „Uit en Over de Pers" van het beweren van ds, van Wijngaarden melding maakt, voegt hij vinden deze vrijheid, die ons meer losbandigheid dan vrijheid schijnt te zijn, een gruwel al behooren wij niet tot de Confeesioneele «n gereformeerde broeders. Wij deelen de hoop van den heer v. W. dat zij blijve moge dan ook niet, maar hopen veel meer dat zij zoo spoedig mogelijk uit onze Kerk verdwijne."
Dat laatste willen we hier even onderstreepen. Ook in den kring van de Redactie van de Ned& id. Kerkbode word dus gevoeld, dat die z.g.n, vrijheid liever losbandigheid moet worden genoemd en dat die vrijheid zoo spoedig mogelijk verdwijnen moet.
Daarvoor moeten dan ook de handen in elkaar geslagen worden!
Er wordt schandelijk misbruik van enkele bepalingen en omschrijvingen in de Reglementen gemaakt. En daardoor raakt onze Herv. Kerk in discrediet. Ze dreigt karakterloos te worden, door haar vriendelijke toegevendheid tegenover hen die principieel verschillen met dehoofdwaarheden der belijdenis. En daar moet een stokje voor gestoken worden. Zooals die z.g.n. vryheden gekomen zijn zoo moeten ze ook verdwijnen. En hierin staan de Gereformeerden, de Confessioneelen en de Redactie van de Nederl. Kerkbode niet. zoo heel ver van elkaar!
Zullen we onze Kerk nog meer in discrediet laten brengen, door hen die schandelijk misbruik maken van enkele omschrijvingen en bepalingen in de Reglementen?
En zullen we straks, zooals de Vrijzinnigen blijkbaar willen, bij „algemeen kiesrecht" onder de huidige valsche en oneerlijke verhoudingen, de verwarring nog grooter laten worden?
Zullen we maar argeloos het „algemeen kiesrecht", waaronder het actief „vrouwenkiesrecht" aanvaarden om z.g.n. tot een nieuwe Organisatie te komen?
Wie is er onder de orthodoxen, die zich zoo bij den neus laat nemen, waar men de Kerk den doodsteek wil toebrengen ?
Neen — eerst moeten de rechten der Kerk zelve nader worden vastgelegd, opdat straks „bijwoners en vreemdelingen" haar niet verraden en verkoopen, En daarom, vriendelijkheid en zachtheid en geduld is o! zoo mooi.
Maar wie hier de adder onder het gras ziet, die zij waakzaam en kloek! Om de verwarring dan minder te doen worden en de waarheid helderder aan 't licht te doen treden, openbare de Kerk zelve sich meer en meer als een belijdende Kerk en alle bepalingen, waar schandelijk misbruik van gemaakt wordt moeten dan maar ingekort worden of geheel verdwiinen!
Dat past ook geheel in het kader van onze Synodale organisatie.
We-moeten eerst wat afbreken, en wel 't geen de vrijzinnigen met 10 tegen 9 stemmen hebben ingevoegd.
En als dat knoei werk, 't welk tegen den duidelijken zin van de Kerk zelve ingevoegd is, om het karakter der Kerk te schenden, dan kunnen we verder gaan, om te komen tot een gezond kerkelijk leven, met een daarbij passende kerkelijke organisatie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 december 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 december 1917
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's