Uit den Schoolstrijd.
I.
Toen Jozua de kinderen Israels door den Jordaan in het Beloofde land had gebiacht, richtte deze Godsman in die rivier en in het leger te Gilgal een gedenkteeken van twaalf steenen op, met de bedoeling, dat het navolgend geslacht de daden Gods zou gedenken en den Heere zijn God zou vreezen. Op tal van andere plaatsen, o. a. in de Psalmen, wekt de Heilige schrift ons op, het verledene in gedachtenis te bewaren en er Gods daden in op te merken, om daaraan, voor ons zelven dankbaarheid en ootmoed, vertrouwen en kracht te ontleenen en ze ter onderrichting ook te vertellen aan onze kinderen.
„Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden Vergeet ze niet, 'tis God Die ze u bewees!
Deze vermaning stond ook den Leidschen broederen voor oogen, toen ze in ons heerlijk gedenkboek „Van Strijd en Zegen" de geschiedenis van ' ons Chr. Onderwijs te boek stelden.
We hebben, zoo schreven ze, „We hebben de geschied rol geopend, opdat de jongeren onder'ons, die den strijd niet gezien hebben, zullen weten, wat de Chr. scholen hebben gekost. Gekost niet alleen, niet in de eerste plaats aan geldelijke offers, maar gekost aan gebed; aan tranen, aan strijd en lijden, aan onverpoosd volharden en gelooven op hoop tegen hoop". Wanneer de bespreking van den schoolstrijd er toe leiden mag, dat dit kostelijk gedenkboek in onze kringen weer eens wordt opgeslagen, dan zal de behandeling van dit onderwerp zeker niet onvruchtbaar zijn.
Vooraf een en ander over de school vóór 1798.
Volgens een onzer voornaamste historieschrijvers waren lezen en schrijven vóór de invoering van het Christendom onbekende zaken ; daarom, zegt hij, kan de geschiedenis van ons onderwijs in geen geval verder worden teruggevoerd, dan tot het tijdperk, waardoor het nieuwe geloof in deze streken voor goed was doorgedrongen".
Zonder christelijk geloof, zonder christelyke Kerk dus geen school I Op deze bekentenis willen we even de aandacht vestigen, omdat men van de overzijde zoo'dikwijls hoort beweren: „De Staat moest zich in 1798 wel met het onderwijs bemoeien, omdat de Kerk, die er tot dien tijd alleen zeggenschap over had; er zoo slecht voor zorgde". De school der 19e eeuw wordt dan voorgesteld als de openbare en die vóór dien tijd als de Kerkelijke school, waarin de overheid niets had te gebieden. Toch leeren de handleidingen door openbare onderwijzers geschreven, het gewoonlijk beter. Zoo b.v. zeggen Scheepstra en Walstra in hun handleiding : „In de 16e — en niet eerst in de 19e eeuw — beschouwde de overheid ' het onderwijs reeds als een voorwerp van aanhoudende zorg".
En op een andere plaats gewagen deze schrijvers reeds van een schoolstrijd tusschen openbaar-en bijzonder onderwijs in de 15e eeuw. Ook H. J. Westerling, hoofd eener O. L. school te Amsterdam zegt in zijn werkje „Het Lager Onderwijs":
„Naast de Openbare vond men, althans in de grootere steden Bijzondere scholen die voor particuliere rekening gedreven werden en elkander felle concurrentie aandeden. Daarom v/ordt hier, als er klachten komen, over de slechte financieele omstandigheden, waarin de onderwijsstand verkeert, de oorzaak ook steeds gezocht in het te groot aantal scholen. Als middel tot verbetering zien we dan ook omstreeks het midden ; der 17e eeuw Leeuwarden, Kampen, Enkhuizen, 'Haarlem, Delft en vele andere plaatsen besluiten, een, maximum voor het aantal scholen vast te stellen, en pas als het getal door uitsterving beneden dit maximum gedaald was, opening van nieuwe Bijzondere scholen toe te laten".
Deze Bijzondere scholen dankten het ontstaan aan de omstandigheid, dat de Openbare school zich niet voldoende aansloot bij het leven, bij de dagelijksche practijk. Vooral in de steden hadden b.v. de kinderen der kooplieden behoefte aan uitgebreider leerstof, dan de Openbare school gaf. Dit werd dan gezocht in de Bijzondere scholen, ook wel bij-of schrijfscholen genaamd. Dat de overheid deze inrichtingen niet gunstig gezind was, zagen we reeds. In keur op keur werd het houden van zulke Bijzondere scholen verboden, ook op grond hiervan, dat de onderwijzer der Openbare school daardoor schade leed.
Toen de burgerij zich daardoor niet liet weerhouden haar kinderen naar de Bijzondere school te zenden, werd bepaald, dat de meester in die bijschool voor lederen leerling een bepaald bedrag moest betalen aan den onderwijzer der hoofdschool. De verschuldigde som wisselde af van een vollen stooter tot twee Carolusguldens. Het schoolgeld werd dus bepaald en vastgesteld door de burgerlijke overheid. Ook werden de onderwyzers meestal door haar benoemd. En mocht zij ook in de 18e eeuw hier en daar van dit recht hebben afgestaan aan anderen, toch bleef het regel, dat de burgerlijke overheid het hoogste zeggenschap had.
Mocht men de school in die dagen een „kerkelijke" noemen omdat ze zoo ontzaglijk veel aan de Kerk te danken had, dan zou daarvoor zeker alle reden bestaan, want wat men ook smale, het is een feit, dat ook door de beste historieschrijvers wordt erkend: zonder de Kerk zou iu dien tijd het onderwijs in Nederland niet gekomen zijn tot zulk een bloei, dat de vreemdelingen het als om strijd prezen. Reeds in het begin der bange worsteling tegen Spanje toonden onze vaderen, dat zij het groot belang van goed. Christelijk onderwijs begrepen. Op de Synode te Wezel toch word geeischt, dat den kinderen op de school zou worden ingeprent, dat de vreeze des Heeren het beginsel is van alle wijsheid, terwijl men er op de Synode van Dordrecht [1574] met nadruk op wees, dat „ten dienste der Kerken en politie [de Staat] goede scholen grootelijksvan noode zijn en daarentegen kwade scholen grootelijks schaden".
De Synoden van 1581 en 1586 te Dordrecht gehouden, eischten, dat de schoolmeesters de belijdenis der Nederlandsche kerken , onderteekenden. En de Nationale Synode van 1586 te Den Haag begeerde, dat er overal in den lande goede schoolmeesters zouden zijn, om de kinderen in de godzaligheid te onderwijzen. En hoezeer de inzich ten der overheid daarmede parallel liepen, bleek o.a. uit de Leidsche keur op de Lagere scholen van 1578, waar verklaard werd, dat het plicht is te zorgen, dat de jeugd „van jongs aan beneffens goede, eerlijke consten, zedicheyt en de manierlyckheyt in de vreeze Gods en de beginselen van de ware Christelycke Religie werde opgevoet, gestuurt ende geleert".
Vooral de groote Nationale Synode van Dordrecht 1618—19 wijdde haar aandacht aan de zaak van het onderwijs en heeft door verschillende bepalingen veel goeds voor de school tot stand gebracht. Vooral in de 17e zitting der Synode werd over het schoolwezen gehandeld. Ter onderwijzing van de jeugd in de ware religie diende drieërlei wijze van cathechiseeren: één in de huizen door de ouders; één in de scholen door de onderwijzers en één in de kerken door de predikanten, ziekenbezoekers. ouderlingen,
Waar geen scholen zijn moeten de Kerken zorgen, dat zij er komen. Ook was 'het de taak der Kerk bij de Magistraten op behoorlijke salariëering der onderwijzers aan te dringen en om kosteloos onderwijs voor de arme kinderen te vragen, opdat deze niet van de weldaad der scholen werden uitgesloten. Tevens werd de overtuiging uitgesproken, dat niemand als schoolmeester mocht worden toegelaten, „dan die lidmaat is der Gereformeerde Kerk en versierd met getuigenis van een oprecht en vroom leven en in de catechetische leer wel geoefend", Bovendien moesten de onderwijzers een formulier onderteekenen, waarbij zij verklaarden:
„Wij ondergeschrevene School meesters verklaren oprechtelijk in goede conscientie voor den Heere met deze onze onderteekening, dat wij van harte gevoelen en gelooven, dat alle Artikels en stukken der leer in deze belijdenis en catechismus der Gereformeerde Nederlandsche Kerken begrepen, mitsgaders de verklaring van eenige Art. der voorzegde leer, in de Nationale Synodus te Dordt gedaan in alles met Gods Woord overeenkomen. Beloven derhalve, dat wij de voorzegde leer getrouwelijk zullen voorstaan, en de jeugd naar eisch van ons beroep en haar begrip naarstiglijk inscherpen, op poene, dat wij, hiertegen doende van onzen schooldienst zullen afgezet worden".
Het voornaamste leerboek bij het bijbelsch onderwijs was de Heidelbergsche Catechismus. In drieërlei vorm werd deze naar gelang van den leeftijd der kinderen gpbrüikt. Voor de jongsten nam men daaruit de twaalf geloofsartikelen, de tien geboden, het gebed des Heeren, de instelling der sacramenten en der kerkelijke tucht, met enkele korte gebeden en eenvoudige vragen, passende bij de drie deelen van den Catechismus. Daar hij werden gevoegd eenige voornaamste spreuken uit de Heilige Schrift. Voor de ietwat oudere leerlingen gebruikte men het Kort Begrip en voor de oudsten den gewonen Catechismus. Andere leerboeken mochten bij het godsdienstonderwijs niet worden gebruikt. Men zon den magistraat verzoeken alle Roomschc catechismussen of boeken, die dwalingen inhielden, van de scholen te verwijderen. Verder werd in alle wettelijke regelingen van het schoolwezen uitdrukkelijk gelast, dat elke week het gedeelte van den Catechismus, waarover den volgenden Zondag zou worden gepreekt, in de school moest worden van buiten geleerd, opdat; de knapste leerlingen onder de godsdienstoefening ten aanhoore der gemeente de antwoorden overluid konden opzeggen.
Eveneens werd overal den school , meester de verplichting opgelegd, de kinderen des Zondags naar de kerk te begeleiden, te zorgen, dat ieder goed luisterde en ze na afloop der kerkbeurt over de preek te ondervragen.
, : „Dan int school comende, sal die meester " sonder verbeyt, Hen afvragen, wat de predicant heeft [gezeyd; ; | Wat de text was, wat godlicx hij heeft; [gepreekt? Die dan swijgt ende int vertellen yets [ghebreeckt, : -' En heeft niet sedich geweest in al zijn [doene Correctie sal hij terstont hebben also coene"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's