De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

13 minuten leestijd

Vrede op aarde

Hoe zullen velen weer de schouders opgetrokken hebben, als zij op 't Kerstfeest hoorden spreken over „vrede op aarde". Is de vrede niet weg ? Worden de vredesnota's niet gevolgd door levering van munitie en door 't zenden van troepen? Vliegen de volkeren elkander niet in 't aangezicht, waarbij de een den ander gaat dooden, liefst op de meest ruwe wijze, vol zijnde van bitteren haat?

Waar is nu de „vrede op aarde", waarvan tweeduizend jaar geleden ongeveer de engelen zongen in Efratha's velden ? ...

Voorzichtig !

Want als nu uitsluitend aan dézen vrede gedacht wordt, en minachtend dan de schouders worden opgetrokken, bewijst men dan niet, dat men heelemaal niet verstaat, dat van vrede op aarde gesproken wordt bij de geboorte van Hem, die komt als Zoon van God, als Borg voor zondaren ?

Ja, dat ziet men geheel over 't hoofd. Daar denkt men zelfs niet eens aan.

Men grijpt maar een stuk van der engelen lied en men gaat maar redeneeren en men draaft maar door —• vergetende dat hier sprake is van het welbehagen Gods zendende Zijnen eeniggeboren Zoon als Verlosser van zondaren, om vrede te brengen aan het arme zondaarshart, dat bij ontdekkend licht heeft leeren zien dat de mensch als een opstandeling met zijn God in twisting is.

Zóó moet het Kindeke in Bethlehems kribbe gezien en gekend en geëerd en aangebeden worden.

En zóó moet verstaan het welbehagen Gods, om in Christus te spreken van vrede voor een arm zondaarsvolk, dat van opstand vol en met God in strijd, zichzelf het eeuwig oordeel waardig gemaakt heeft.

Neen — niet allereerst moet hier het oog zijn gevestigd op der volkeren krijg.

Niet allereerst moet hier gedacht worden aan een toestand waarby geen oorlog meer op aarde zal zijn.

Niet allereerst moet gesproken worden over de verhouding van de menscben en van de volkeren onderling.

Het gaat hier allereerst om den twist tussehen den mensch en God, tussehen het schepsel en zijn Maker.

En ziet, die zichzelf als een opstandeling mag leeren kennen voor een heilig God, speurende in het diepste des harten vijandschap en ongehoorzaamheid tegenover Hem, Die ons gemaakt heeft, die moet in stille bewondering uitroepen: hier is de Vrede-Maker, van God gezonden, om op aarde onder de mensehen van gedachten des vredes te gewagen en het te verkondigen, dat de lïeere gee| lust heeft in den dood des zondaars, maar'^ daarin, dat de goddelooze zich bekeere en leve — waarbij de Heiland Zichzelf wil aanprgzen als Middelaar en Voorspraak, als Borg en Zaligmaker.

Tot kennis van die zaligheid wil de Heere Zijn volk leiden, bij 't licht dat nu ontstoken is. En dit heilgeheim wil de Heere nu doen verstaan aan Zijn dierbre gunstelingen.

En ja — dan mag, dan moet op Kerstfeest ook nu in dit 4de oorlogsjaar gezongen worden van vrede op aarde.

Wat vree smaakt de ziel die daar knielt voor den Heere!

Wat vree is in het harte, dat bij wonder Geesteslicht mag nazeggen: „ik weet mijn Verlosser leeft."

Wat vree en blijdschap woont er in Sions harte, waar men mag gelooven en ervaren: nu is er geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn.

Wat vree en vreugd, waar ondervonden mag worden, dat de Heere lieflijk waarmaakt: Ik heb uwe zonden achter Mijn rug geworpen in de zee van eeuwige vergetelheid; mqn zoon, mijn dochter, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven.

Vrede op aarde.

Ja, vrede op aarde voor een arm zondaarsvolk, dat in Christus mag kennen den plaatsbekleedenden Borg en dat als Christus' gemeente mag gelooven en belijden: Hij is onze Vrede.

En neen! daarmee is het oorlogvoeren der natiën niet goed. gepraat of vergoelijkt. Geenszins. En ieder van de vorsten, ieder van degenen, die met regeeringsmacht bekleed zijn, elk der volkeren ook zal 't voor God hebben te verantwoorden waarom de oorlogsfakkel geworpen werd in het midden van Europa, tot ver over de grenzen van ons werelddeel. Men zal het voor God, ons aller Eechter, moeten verantwoorden, waarom al die menschenlevens zijn opgeofferd en al die verwoesting is aangericht! Ook hier, is het wandelen in Gods wegen waarlijk tot zegening en het zondebedrijf tot een vloek en tot een oordeel!

Maar als men spreekt van „vrede op aarde"-en dan allereerst en uitsluitend doelt op een toestand van „geen oorlog meer onder de volkeren" bewigst men toch: dat men van dat Kind in de kribbe en van dat engelenlied niet het minste begrip heeft. Want daar in Bethlehem, in de zending van Gods Zoon op aarde, gaat het allereerst om de verzoening van den zondaar met zijn God—en die dear overheen stapt, zonder dat te leeren zien en kennen, heeft geen recht om te zeggen, dat de komst van Jezus op aarde zonder kracht en het engelenlied een leugen is.

En ja — dan verwacht ook Christus' gemeente een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont. Maar nu nog niet. staande op de hoogte des geloofs ziet zij het vrederijk komen. Maar nu nog niet. En het zal er voor ieder maar om gaan om zijn ziel uit te dragen als een buit uit het midden van deze zondige aarde, waarop de ongerechtigheid woont, om straks te deelen in Christus heerlijkheid en te aanschouwen dat het nieuwe Jeruzalem nederdaalt op aarde.

Dan zal satan gebonden worden. Dan zal de ongerechtigheid niet meer zijn. Dan zal de schoonste harmonie, de rijkste vrede en reinste vreugd gezien en gesmaakt worden. Dan zal Gods volk in heerlijkheid en in vrede wonen, van eeuwige zaligheid vol.

Tot welk volk ieder zal behooren, die dien recht gezicht heeft gekregen op .lezus, komende om vrede te maken voor een arm zondaarsvolk, door het bloed des Kruises.

Hebben we zoo het wonder van Bethlehem reeds leeren verstaan, om God te prijzen voor het schenken van die zaligheid in de vergeving der zonden om Christus wil?

'Laat ons dan óok zoeken de schoonste harmonie op aarde, verwachtende grooter heerlijkheid met Christus' toekomst.

Waarbij ook dit behoort te worden opgemerkt: dat hier op aarde het licht en de duisternis, de leugen en de waarheid, de gemeente Gods en de wereld 'niet in vrede kunnen en niet in vrede leven mogen.

Daarom willen we ook op Kerkelijk gebied van geen vredig samenwonen van elkaar uitsluitende geloofsovertuigingen weten.

Christus maakt scheiding tusschen leugen en waarheid.

Hij wil niet, dat degenen die de waarheid tegenstaan ongemoeid zullen blijven.

Hij, die als Vredevorst in den weg Zijner borggerechtigheid spreekt van verzoening door het bloed des Kruises, spreekt zelf van het die zich zullen ergeren aan het Kruis en die Hij tot een val zal zijn.

• Hij, de Vredevorst, die den vrede komt gebieden in het harte van Zijn gunstelingen, spreekt lieflijk tot de Zijnen „vrede laat ik u, mijnen vrede geef Ik u"; maar Hij wil ook dat de kinderen des lichts, die uit de waarheid leven, de kinderen der duisternis, die de waarheid verdraaien en tegenspreken, niet met vrede zullen laten. „Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te .brengen op aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard."

Wij mogen niet vredig toelaten, dat de mensch met valsche redenen wordt getroost; dat de oneffenheden valschelijk worden gladgestreken; dat de breuke op onwaarachtige wijze wordt geheeld; dat een valsch evangelie wordt verkondigd.

Het Kind in de kribbe gaat straks naar het Kruis — en van Golgotha naar den berg-der verheerlijking.

Zoo komt vrede. Zóo komt Gods Koninkrijk.

Maar die Hem nu alzoo niet eeren en die een ander fundament leggen en een ander evangelie brengen en een anderen Christus verkondigen, die zullen we niet vredig laten begaan. We zullen hen tegenstaan. En bij valsche verdraagzaamheid openbaart de Heere Zijn toorn. Hij straft Zijn Kerk. Terwijl bij de trouw Zijner Gemeente in het belijden van de waarlieid "en het bestrijden van de leugen Zijn zegen beloofd wordt voor ons en onze kinderen.

Bezwaar tegen de Belijdenis.

Gelijk men ook in ons blad, in de rubriek Kerknieuws reeds heeft kunnen lezen, is door dr. B. M. Buizer, lid der Geref. Kerk te Middelburg en oud-leerling der Vrije Universiteit een bezwaar (gravamen) tegen de belijdenis ingebracht betrekking hebbende op het stuk van de Kerk, bizonderlijk dus tegen de art. 27—30 Ned.-Gel.-belijdenis.

Waar deze zaak ten nauwste verband houdt met de Gereformeerde kerkbeschouwing zijn we zeer benieuwd hoe deze zaak in het midden van de Geref. Kerken — en ook in 't midden van onze Herv. Kerk — zal worden ontvangen en behandeld.

We laten het bezwaar van dr. Buizer hier volgen:

„Als belijdend lid van de Gereformeerde Kerk te Middelburg acht ik mij verplicht een bezwaar, dat bij mij gerezen is tegen art. 27—30 van onze Belijdenis, ter Uwer kennisse te brengen.

„Toen ik als dooplid der Nederlandsch Hervormde Kerk door openbare belijdenis overging tot de Gereformeerde Kerk, meende ik, zooals mij geleerd was, daarmee over te gaan tot de Kerk, die de zuiverste openbaring is van het lichaam van Christus. Ook daarna hoorde ik in den kring der Gereformeerde Kerken steeds uitspreken, dat er onderscheid gemaakt moet worden tusschen de Kerk  als vergadering der geloovigen in den zin van antwoord 54 (en 55a) van den Catechismus, en de Kerk, als instituut; dat de zaligheid dus niet, — zooals de Roomschen leeren — aan het lidmaatschap eener geïnstitueerde Kerk gebonden is'; en dat men moet erkennen een pluriformiteit van geïnstitueerde Kerken, waaronder dan de Gereformeerde in belijdenis, kerkenorde en handhaving der tucht de zuiverste is.

„Zoover ik mij herinner, hoorde ik - van geenerlei bezwaar tegen deze opvattingen, zoolang ze gebruikt werden b.v. om de Gereformeerde leer omtrent de Kerk van die der Roomschen scherp te scheiden, en zoolang de nadruk gelegd werd op het woord „zuiverste" en dit - voor Gereformeerd gevoelenden in de Hervormde Kerk beweegreden en aansporing was tot aansluiting aan de Gereformeerde Kerk.

„Zoodra echter de nadruk gelegd werd op de keerzijde van genoemde opvattingen, dat nl. aan de Kerken van mindere zuiverheid en van min vaste formatie de eerenaam Kerken niet mag onthouden worden en derhalve de beoefening van de gemeenschap der heiligen ook tot hun leden uitgebreid moet worden; en vooral zoodra dit laatste in practijk gebracht werd, verhieven zich de stemmen van hen, die weifelden, bezwaar maakten of rechtstreeks veroordeelden. Zoo is b.v. bij de bespreking van de vraag, of een Gereformeerd student lid van de Nederlandsche Christen-Studenten-Vereeniging behoort te zijn, door overigens onverdacht Gereformeerden, de meening uitgesproken, dat met de Ethischen geen gemeenschap op het gebied der religie, met name geen bidden mogelijk is.

„Op dien grond reeds — afgedacht van practische bezwaren, die hier niet ter zake doen — achtte men, dat een Gereformeerde geen lid mag zijn van deze vereeniging, die een religieus doel heeft en waartoe ook studenten van andere richting, o. a. een groot aantal Ethischen, behooren.

„In verband met deze kwestie werd de Belijdenis nog niet uitdrukkelijk genoemd. Wel was dit het geval bij wat in verschillende Gereformeerde Kerkbodes geschreven is over het optreden van ds. Netelenbos op de Algemeene Predikantenvergadering van 18 April jl. te Utrecht. In verband met het voorgaande wil ik twee dingen op den voorgrond brengen: Genoemde vergadering komt samen onder het wachtwoord, dat er geloofsgemeenschap mogelijk is bij verschil van dogmatische overtuiging, en had ds. N. uitgenoodigd in haar midden een getuigenis te geven vanzijngeloof in Jezus Christus. Het feit nu alleen van zijn optreden in dien kring, afgedacht van wat hij daar sprak, is door Gereformeerden openlijk afgekeurd. Ds. N. deed voorts niet alsof hy daar „getuigde" voor met „heidenen en tollenaren" gelijkstaanden, maar zocht door positie te nemen in de Christuservaring der geloovigen geestelijke aanraking te krijgen met zoovelen als er onder die bonte schare door den levensband des geloofs met Christus verbonden waren. Dit zoeken ook wordt geacht tegen de Gereformeerde lijn in te gaan. De waarheid, dat geloofsgemeenschap mogelijk is "bij verschil van dogmatische overtuiging, durft men blijkbaar onder Gereformeerden niet algemeen en openlijk te beamen.

„Was het nu bij verschil van inzicht gebleven, er zou voor mij geen aanleiding geweest zijn tot indiening van een gravamen; maar de bestrijding van ds. N. nam hier en daar het karakter aan van een beschuldiging van ontrouw aan de Belijdenis. Dit bracht mij er toe onze Belijdenis, in het bijzonder artt. 27—30 uit dat oogpunt te onderzoeken.

In de vier genoemde artikelen wordt blijkbaar over één en dezelfde Kerk gesproken. Daarvan wordt in art. 27 een definitie gegeven, welke overeenkomt met die van antw. 54 van den Catechismus. In art. 28 echter is sprake van de tucht, in art. 29 o.a. van de sacramenten, in art. 30 van dienaars, opzieners en diakenen, wat wijst op de Kerk als instutuut. De Belijdenis maakt dus geen onderscheid tusschen de Kerk als vergadering der geloovigen naar antw. 54 van den Catechismus, en als instituut, maar kent één Kerkbegrip, dat deze beide insluit. Van die Kerk nu wordt in art. 27 gezegd, dat zij eenig is, in art. 28 dat er buiten haar geen zaligheid is, en in art. 29, dat zij is de ware Kerk. Wanneer we deze belijdenis van onze vaderen overnemen, beteekent dat dus m. i. dat wij beljjden een geïnstitueerde Kerk, die de eenige, ware Kerk is, waarbuiten geen zaligheid is; en die eenige, ware Kerk moet dan voor onzen tijd natuurlijk zijn onze Gereformeerde Kerk. Dan is er niet pluriformiteit, niet veelheid van ware Kerken, maar slechts een tweeheid: de ware en de valsche Kerk, en moet die tweeheid door Gereformeerde leeraren gepredikt en door alle Gereformeerden beleden worden. Dan is er voor wie b.v. in het stuk der uitverkiezing niet met onze belijdenis instemt en standvastig weigert zich bij de ware, d. i. de Gereformeerde Kerk te voegen, consequent genomen, geen zaligheid, en is er met hem geeu gemeensjchap der heiligen mogelijk. En is-zoo iemand lid "onzer Kerk, dan moet ten slotte het Banformulier over hem uitgesproken worden, dat, behoudens berouw en bekeering, tegelijk uitsluit van de geïnstitueerde Kerk (door wering van de sacramenten èn van de gemeenschap van Christus.

„Tegen den hiervoren omschreven Belijdenisinhoud en de daaruit voortvloeiende consequenties voor de toepassing der kerkelijke tucht acht ik mij om des gewetens wille verplicht bezwaar in te brengen, wijl zij m.i. in strijd is met den geest van Christus en weigert de leidingen Gods met Zijn (algemeene) Kerk te erkennen.

„Deze verklaring stel ik in Uwe handen met het verzoek in de eerste plaats mijn bezwaar ontvankelijk te willen verklaren, opdat ik met een vrij geweten lid van onze Kerk kan blijven, en deze zaak vrij en open besproken kan worden, ten einde een beslissing onzer Kerken voor te bereiden; en in de tweede plaats de noodige stappen te willen doen, opdat mijn bezwaar voor de Synode onzer Kerken gebracht worde, en deze daarover oordeeïen moge.

„Ten slotte verklaar ik mij ten allen tijde bereid van dit mijn gevoelen desgevraagd nadere rekenschap te geven."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's