Stichtelijke overdenking.
Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een Koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zïjn wonderbaar licht. 1 Petr. 2:9.
Oin te verkondigen de deugden des Heeren.
Petrus heeft het over den natuurlijken mensch en over den wedergeborene van hart; over de wereld en over de Gemeente Gods. En de een wandelt in de duisternis, de ander wandelt in het licht. De een is het huis waar de duivel heerschappij voert, doende de werken der zonde en der duisternis — de ander is de tempel Gods, waar de Heilige Geest de waarheid doet kennen en de Heere geprezen wordt in Jezus Christus.
Het groote onderscheid ligt ten slotte hierin zooals Petrus dat uitdrukt: en een is Jezus dierbaar en de ander verwerpt Hem in ongehoorzaamheid (1 Petr. 2 : 7).
De toestand van den onwedergeboren mensch die leeft naar de lust van zijn onbesneden hart en wandelt naar den wil van zijn boos gemoed, wordt genoemd duisternis. En van den wedergeborene-- wordt gezegd dat hij wandelt in het licht, dat hem wonderlijk is en tot vreugde strekt, dringend tot lofprijzing van 's Heeren Naam.
Daarin ligt een hard oordeel over den mensch zooals hij van nature is. Want er wordt gezegd, dat hij blind is, niet onderscheidende de dingen die des Geestes Gods zijn, op reis zijnde naar de buitenste duisternis, waar satan met zijn engelen gebonden liggen onder den eeuwigen vloek Gods.
Dat is voor den hoogvoelenden mensch niet streelend om te hooren. Hij waant zich toch zoo verlicht. Hij meent zoo wijs te zijn. Hij kent de wegen waarin hij wandelt zoo precies. Hij kiest het beste, het mooiste, het aangenaamste. En hij maakt zichzelf en anderen wijs dat het zoo voor jong en oud van geluk tot geluk gaat.
En dan wordt daar door Gods Woord hier en overal gezegd, dat de mensch in de duisternis wandelt, geen onderscheidingsvermogen bezit, dwaalt, en van kwaad tot erger gaat. Dat hij een kind der duisternis is, doende den wil van den vader der leugen en onbewust voortwandelt langs het hellend vlak dat eindigt in de eeuwige rampzaligheid.
En komt het niet telkens uit, dat het Woord 't bij 't rechte eind heeft? Is de mensch niet duisternis uit en van zich zelf? Gaat hij niet, vervreemd van God, van kwaad tot erger? Doet hij niet den wil van den Booze, die God haat en de zonde bemint, die de waai'heid verwerpt öu de leugen liefheeft?
Duisternis — en tegelijk als we 't woord liooren, denken we aan iemand die te midden van gevaren wandelt, straks valt en ellendig omkomt terwijl niemand zich over hem bekommert.
Duisternis — en tegelijk als we 't woord hooren, denken we aan den donkeren nacht waarin het wild gedierte uitgaat om zijn prooi te verschalken en te dooden.
Duisternis — en o! dat is de tijd van zondebedrijf, van schandelijkheid.
Zóó is de mensch van nature. Hij is in de duisternis en hij is zelve duisternis. En de werken der duisternis doende valt. hij in de handen van den vorst der duisternis, om geworpen te worden in de plaats van eeuwige duisternis — al verder en verder van God afdwalend, om te vallen onder Zijn eeuwigen vloek en van Hem verwijderd eeuwig arm en ellendig te zijn.
Duisternis — dat is arm, ellendig, naakt, blind. Duisternis — dat is vervreemd van God en verloren.
„Maar" — zoo zegt Petrus — „maar gij zijt uit de duisternis geroepen en overgezet in 's Heeren wonderbaar licht."
Een tegenstelling dus, tusschen den wereldling en het kind van God.
Er is een wonder geschied aan de ziel. Een wonder van Gods opzoekende, verkiezende genade. Een wonder in Christus. Een wonder aan de ziel van een arm zondaar, aan het harte van een kind der duisternis. En door dat wonder heeft de ziel een ander oog gekregen. Om andere dingen te zien. Om in een andere wereld over te gaan. Om bij andere dingen te leven. Om over andere dingen te spreken. Om nu te zeggen: „In Jezus is al mijn heil; Ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij."
Dat is een wonder, dat wonderlijke dingen doet aanschouwen en wonderlijke dingen doet beleven.
Neen, zonder de opzoekende liefde Gods gaat dat niet. 't Is nooit zóó, dat de ziel kan zeggen: ik heb Hem eerst liefgehad.
Integendeel! De Heere moet beginnen met Zijn liefde over ons te doen komen en Zijn hand naar ons uit te strekken. Zijn Woord aan ons hart te leggen en Zijn Geest in onze ziel neer te zenden. De Heere moet ons aanraken, zoodat we leeren stilstaan, leeren overleggen wie en wat we zijn, leeren belijden onze zonden, leeren bekennen onzen verloren staat, leeren roepen om genade, leeren deelen in Zijn ontfermende, vergevende, vertroostende liefde in Christus. En zóó genadiglijk als een wonder van Gods ontfermen opgezocht, bewerkt, geleerd, en geleid, — worden we overgezet uit de duisternis in het heerlijke licht.
Jezus is het Licht.
Zwak straalde dat licht reeds uit aanstonds na den val. Toen trad Christus reeds naar voren. En sinds werd het licht duidelijker, hoewel nochtans in schaduwen. In altaar en priester en tempel sprak dat licht. En toen kwam het in volle openbaring in de volheid des tijds toen Jezus geboren werd, zijnde het afschijusel van Gods heerlijkheid, het Licht der wereld!
Tot dat licht moeten we komen.
In. dat licht moeten we ingezet, ingebeurd, ingeleid worden. Overgezet uit de duisternis in dat wonderbaar licht. En dan zijn we overgegaan van den dood in het leven.
Dan zien we de dingen eerst juist zooals ze zijn. Dan leeren we ons zelf kennen. Dan leeren we wat ons omringt in het rechte licht zien. Dan leeren we de nieuwe wereld aanschouwen zooals die vol genade in Christus geopenbaard is voor een arm zondaarsvolk. En in een nieuwe betrekking tot God gekomen zijnde, met Hem verzoend in Christus, leeren we den Heere prijzen vanwege Zijne ontfermingen, om ook anderen aan te raden 't geld toch niet langer uit te geven voor 't geen niet verzadigt, maar tot Jezus te gaan en Zijn heil te ontvangen om niet.
O! wat wordt alles anders voor de ziele die door schuldbesef verslagen tot den Heere mag vluchten om daar dan verzadigd te worden met het brood des levens.
Dan is er een andere levenskeus, een andere levenswandel. En de korte inhoud van leer en leven is: Jezus Christus en die gekruisigd!
Wat de bron is waaruit dit alles voortkomt? De wortel waaruit dit alles opbloeit? Niets anders dan Gods verkiezende genade. „Een uitverkoren geslacht" „een verkregen volk" staat er. God heeft zich zelf een volk verkoren, waarop Hij Zijn hand legt, om te zeggen: gij zijt de mijnen !
En die verkorene komt Hij roepen door Zijn Woord. Hij komt ze vangen door Zijn waarheid. Hij grijpt ze door Zijn wet. Hij bekeert en leert ze door Zijn Geest . En dan geven zij zich over aan Hem, gewilig zijnde in den dag Zijner heirkracht, zeggende: Gij zijt ons te sterk geweest en hebt ons overmocht.
Daartoe zendt de Heere ons Zijn genademiddelen. Daartoe spreekt Hij tot ons, roept ons, werkt aan ons — opdat we Zijne opzoekende liefde zullen bekennen en ons zullen leeren bekeeren tot den Heere.
En dat volk vergadert de Heere om te zijn één volk, met één geloof. Saam zullen zij zich moeten scharen als zonen en dochteren in het midden van het huis huns Vaders, die in de hemelen is. Saam opzien naar het kruis. Saam reizend naar één land. Saam, als broeders en zusters één, om één strijd te strijden, één werk te werken, één Naam te belijden, één Koning te dienen — en straks aan één plaats aan te landen, om dan altijd bij God te zijn in het hemelsch Kanaäin.
O ! wat ontbreekt er veel aan die éénheid. Aan die éénheid in het huis dee Heeren in dezen lande, door God zelf gebouwd. Aan die éénheid rondom de tafel des Heeren; aan die éénheid in gebed en wandel; aan die éénheid in huis en school en maatschappij. Daartoe heeft de Heere de zijnen, die licht van boven mogen kennen en in Christus hun roem en sterkte mogen bezitten, geroepen „dat zij allen één zijn".
Zijn we wel klein genoeg in onszelf; wel afhankelijk genoeg van den Heere, wel ijverig genoeg in het zoeken van Zijn aangezicht; wel genoeg vervuld met dankbaarheid en liefde ; wel genoeg verbonden aan Gods Woord; wel gewillig genoeg om Gods wil te doen ?
Hoe meer genade we mogen kennen, hoe nederiger.
Hoe dichter saam bij den Heere, hoe meer we één zijn !
Om dan een groot werk te doen.
Want Gods volk wordt genoemd een koninklijk priesterdom, 't Is een volk van adel; van hooge geboorte; kinderen Gods; Koningskinderen; erfgenamen van een eeuwig Koninkrijk ; straks in den hemel om te zitten op tronen.
„Ik wil U zijn tot een Vader, en gij zult mij zijn tot zonen en dochteren" spreekt de Heere.
„Ik noem u niet meer dienstknechten, maar ik heet u broeders" zegt Jezus.
Zóó voornaam is dat volk.
Niet uit zichzelf. Uit zichzelf nietige zondaren; alles missend en waardig om als kinderen der duisternis voor eeuwig om te komen.
Maar in Christus met God verzoend en deelend in de genade des Heeren zijn ze kinderen Gods, voor een eeuwigheid geroepen tot heerlijkheid.
En zóó zullen zij den Heere dienen.
Als priesters.
Als een heilig volk; Gode geheiligd en den Heere gewijd; afgezonderd tot 's Heeren dienst; in zichzelf onbekwaam en onrein, maar in Christus lieflijk den Heere om Hem te dienen met een volkomen hart, als Gods Geest daarin woont en werkt.
Tot een anderen staat des levens overgegaan. Tot een wandel des lichts geroepen. Eertijds duisternis, maar nu licht in den Heere. In Jezus Christus vindend de hoogste vreugd en Zijn Naam belijdend op elk terrein des levens. Want Jezus is het licht der wereld; alleen die Hem volgt zal in de duisternis niet wandelen en zijne ziel zal zich verlustigen in den Heere en verzadigd worden met het' goede.
Een goed gerucht zullen zij dan ook van hun Koning verbreiden. Ze zullen Zijne goedertierenheden roemen en zeggen dat daarin 't leven is. '
Geen roem in zichzelf. Alle roem is uitgesloten, 't Is alleen onverdiende zaligheid. De Heere doet alles om Zijns zelfs wil en alles, alles is verbeurd en verzondigd door den mensch.
Maar daarom zullen Gods kinderen den Heere prijzen waar Hij hen uit de duisternis kwam overzetten in het licht.' En ze zullen de kindéren der duisternis, die de duisternis liefhebben en de werken der duisternis doen aanzeggen, dat zij zich hebben te bekeeren, hun booze wegen hebben te verlaten en den Heere aanhangen, om Hem lief te hebben en in Zijne wegen te wandelen.
Zij zullen zeggen tot allen: hoort heden Zijne stem en verhardt u niet. Zij zullen spreken van Ninevé dat zich bekeerde en van Sodom dat verbrand werd. Zij zullen betuigen: „zoo waarachtig als de Heere leeft. Hij heeft geen lust in den dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekeere en leve".i
En tot de verslagenen van harte zullen ze spreken van 's Heeren beloften en van de grootheid Zijner liefde en de veelheid Zijner barmhartigheden. Ze zullen de bedroefden troosten en de dwalenden terecht wijzen. Ze zullen zich verblijden met alle degenen, die den Heere mogen kennen. En als een volk des lichts zullen ze de deugden Gods verkondigen, hier bij aanvang en eenmaal in den hemel volkomenlijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's