Stichtelijke overdenking.
En deze wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid, maar die den wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid. I Joh. 2 vers 17.
De liefde des Vaders.
De liefde tot God die door genade in ons hart geboren wordt, heeft een dubbel kenmerk en werpt een rijke vrucht af. Daar is dan één afsterven van de wereld en een doen van den wil Gods. En de vrucht is de kroon der eeuwige heerijkheld.
Zoo iemand de wereld liefheeft, aldus schrijft .Johannes aan , zijne kinderkens", de liefde des Vaders is niet in hem. Niemand kan die twee liefhebben. Hij zal den eene moeten liefhebben en den anderen haten, of den eene haten en den anderen liefhebben. Niemand kan twee heeren dienen. Indien men de wereld liefheeft, de liefde tot den Vader, kort-weg , des Vaders" genoemd, is niet in hem. Hebt de wereld niet lief, zoo luidt dan ook des Apostels vermaning. En om nu zijne vermaning kracht bij te zetten, spreekt hij in het hierboven geplaatste woord van de vergankelijkheid dezer wereld. Zij is de liefde vaa onze onsterfelijke ziel niet waardig.
De wereld gaat voorbg en hare begeerlgkheid. Wij denken hierbg aan alles wat in deze wereld groot genoemd wordt Koninkrqken hebben hier op aarde, het eene na het andere, hun macht ontplooid. Machtige wereldmonarchen hebben hun schepter gezwaaid en het scheen alsof zij alleen hadden te gebieden en alles Iuisteren moest naar hunne wenken, Keizer Augustus kon een bevel geven dat de geheele wereld zou beschreven wo/rden. Waar is echter de macht van deze machtigen gebleven? Het droom-gezicht van Nebukadnezar, van den steen, door onzichtbare hand geworpen, die het beeld vergruisde, is talloos vele keeren verwerkelgkt. De macht dezer wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid.
Zoo is het ook met 's werelds weelde. Van den rgken man in de gelijkenis; (zijn naam zelfs wordt niet genoemd, staat dat hij allen dag leefde vroolgk en prachtig. Duizenden volgen hem in zgn begeerte, ook al zien zij hun begeerte niet vervuld, om in de weelde dezer wereld, haar goederen en haar rijkdom hun ziel rust te bereiden. Maar onwrikbaar vast blijft daar staan het woord der Schrift: naakt zgt gij in de wereld ge-komen, het is ook openbaar dat gij naakt daaruit zult gaan. De schitterendste weelde iaat de ziel ledig voor de eeuwigheid, De wereld gaat voorbg en hare begeerlykheid.
Niet minder is dit met de geneugten deler wereld. Schril steekt bg de velerlei ellende, die er op aarde is, de pret af, ' Het vaak dólle en holle vermaak zooals dat bij de kinderen dezer wereld gevonden wordt. Menigeen, tot rgper jaren gekomen, is verlegen over zgn dwaze' vreugde van weleer. Wat heeft het hem nagelaten? Welken blgvenden zegen durft hg daarvan boeken ? 't Genot dezer Wereld gaat voorbg. Zg roepen het immers elkander toe: iaat ons eten en dnn-ken en vroölijk zijn, want morgen sterven wg. Zq zeif bevestigen het dat het in hun stervensure zeker met al hunne vroölijkheid gedaan is. De wereld gaat voorbij en hare begeerlgkheid,
Wij gëdenken ook aan de eer, de hulde; waarmee men gekroond wordt in de wereld. Er is vaak zo weinig nodig of die kroon wordt ons weer van het hoofd gerukt. Niets is zoo wisselvallig als de lof der menschen. Hij is gelijk de spelende schaduw, als de zon straalt door de heen en weer geschudde takken. Na eens valt zij hier, dan daar. Na eens roept men hosanna, dan weer , kruist hem". En toch, hoe kan de mensch de bewierooking dezer wereld beminnen, en dan vergeten dat ook hiervan geldt: de wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid.
Als de Apostel van de wereld spreekt in het hierboven geplaatste woord, is bedoeld alles wat tot dit aardsche leven behoort, al is het ook op zichzelf geen kwaad. Daar zijn de banden des bloeds, ; daar is de vriendschap der menschen-: kinderen. Hoe teeder kan de liefde wezen tusschen man en vrouw, ouders en kinderen, hoe hecht de familie-en vriend-; schapsband! Het zijn lichtglanzen in het • duistere leven; bloemen op het veld der menschheid, waar toch zooveel haat en tweedracht groeit. Maar de dood spaart; geen huis, geen kring. Nu hier en dan' daar valt er een tusschen uit en zijn; plaats wordt niet meer gevonden. Menigeen die tot rgper leeftqd is gekomen telt ze in rijen die voór hem heen zijn gegaan. De wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid.
Zoo gaat het ook 's menschen gezondheid, kracht en schoonheid. Daar zgn menschen die heel hun leven ziekelijk zijn. Maar zg zijn toch slechts uitzonderingen. De meesten mogen zich een korter of langer tgd verheugen in 'n frissche levenskracht, zoo zelfs, dat het schijnt alsof de dauw hunner jeugd altijd hen bgbiijft. Geen arbeid is hen te zwaar.: Geen moeite is er of ze kunnen haar doorstaan. Maar langzamerhand, schier onmerkbaar komt het veelal. Soms plotseling. De schoonheid gaat voorbg : de jeugd ligt ver achter: de rechte gestalte: buigt zich naar het graf. Gezondheid, kracht en schoonheid, zij kunnen hen niet vasthouden. Zg gaan voorbij, zooals alles voorbg gaat wat tot het aardsche leven behoort.
Op elk graf mogen wij in onze ge-dachten wel zetten : de wereld gaat voorbg en hare begeerlijkheid. Daar liggen zg onder het stof, die hier op aarde misschien het fiere hoofd in zelfbewtistheid hebben opgeheven; in de woonplaats van made en worm. Dat is nu het einde, bg al den arbeid door hen verricht onder de zon.... Hoe gehecht zijn wij toch aan dit aardsche leven. Het leven is zoo zoet, ' zelfs bij de grootste ellende, bij de biterste armoede. Als de mensch dat leven maar houden mocht' Dood te zijn, afgesneden uit dit leven is ook zoo vreeseIijk, ook al denkt men niet eens aan wat na den dood wezen zal. Huid voor huid en alles wat iemand heeft zal hg geven voor zgn leven. Maar het leven gaat voorbg, onverbiddelijk voorbg. Ja, op de graven van rgken eu armen, ouden en jongen kan geschreven: de wereld gaat voorby en hare begeerlgkheid. Maar God geve dat wat er volgt ook voor ons gelden mag: die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid-
Het komt op deze groote zaak aan dat wij sterven vóórdat wij sterven. In onze stervensure is alles wat de wereld biedt, voorbg, onherroepelgk voorbg .... En toch weer niet voorbg. Aan het eind wacht de rechterstoel. , Weet dat God, om al deze dingen u zal doen komen voor het gericht'!"— Komen voor het gericht ? Waaom? Omdat ik geieefd heb? Omdat ik gezond was'? Omdat ik gehuwd was t Omdat ik vrienden had"? Omdat ik m*n dagelijksch werk deed? Neen, daarom, niet. Maür wel omdat wg in aile dese dingen geen rekening hebben gehouden met den Heere, met de eere Gods: omdat wrij alle deze dingen bezoedelen met de diepe verdorvenheid onzes harten. Wel gaat de wereld voorbij en hare begeerlijkheid, maar zg komt voor ons terug, voor zover wij er mee in verband stonden, opdat wij rekenschap zouden geven van oas rentmeesterschap.;
En wie zal dan rechtvaardig zijn?
Wanneer deze vraag ons in beslag neemt, krijgen wij te doen met de wereld van ongerechtigheid in ons. Daaronder met smart te bukken, daarmede teworstelen, daarmee te komen voor den Heere, om in hartelijk leedwezen Zijn genade aan te roepen .... zie, dit is het sterven. van den ouden mensch, het sterven dan ook aan de wereld. De begeerte naari genade neemt dan grootér plaats in dan de begeerte om te leven. Het werken om de spijze die blijft is ons dan van grooter beteekenis dan de arbeid om de'spijze die vergaat. De band des geloofs met God wordt ons liever dan elke band des vleesches wijl verstaan wordt: die vader of moeder liefheeft boven Mij, Is Mijns niet waardig! De gezondheid onzer ziel is ons dan grooter schat dan die des lichaams en wij zouden liever verminkt ingaan dan twee handen en twee voeten hebbende te worden geworpen in het eeuwige vuur. Hoe sterker de liefde tot God is, tot Zijn wet en Zijn genade, Zijn recht en Zijn vrede, des te meer zal er' een sterven zgn aan de wereld en hare; begeerlgkheid! Het hindert ons dan niet; als de dauw onzer natuurlijke jeugd reeds lang is verdroogd, ... ais de dauw der eeuwige jeugd ons deel dan maar wezen' mag. Laat dan de wereld maar voorbijgaan en hare begeerlijkheid, het deert ons niet, ais de zondeschuld van heel; ons leven maar mag uitgedelgd zijn door: het bloed van Christus!
Een ander kenmerk van de liefde tot God is het doen van Zgn wil. Die den wil van God doet, blijft in der eeawigheid". Maar wie is daartoe bekwaam ? Daar is toch niemand die goed doet, ookj niet tot een toe'? Wij zijn toch allen afgeweken en te zamen onnut geworden ? Wel, dan zullen toch alle menschen, als; het daarvan afhangt, met de voorbijgaande wereld ten onder gaan ?
Wij mogen toch ook niet veronderstellen dat de apostel met dit woord den pas voor allen wil afsnijden en dat het; dus meer een aanzeggen is van het oordeel dat over allen komen zal. Neen, wel degelgk wordt ons hier gepredikt de weg des heils. Het is hier niet een terugzetten in het werkverbond, maar een zuivere vrucht van het genade verbond.!
Het gaat hier over de gehoorzaamheid des geloofs, niet een vrucht van eigen: werk, maar van het genade-werk.
De apostel schrgft telkens over het; groote voorrecht van , in Christus" te zijn. Dat beteekent toch door het geloof een te wezen met den Zaligmaker, zoo als de tak één is met den stam. Daarheen leidt het afsterven vau de zonde, het afsterven van de wereld. Het leven der ziel, het opgroeiende leven des Geestes zullen wg dan vinden in Hem, Die zondaren zalig maakt. Dit is louter genade en de mênsch ondergaat hierin de onwederstandelijke werking des Heiligen' Geestes. Maar toch is er sprake van gehoörsaamheid des geloofs, wijl wij langs dezen weg gewillig aannemen wat ons in Christus geschonken wordt. ;
De menseh wil dan wat God wil. De mensch grgpt dan het eeuwige leven, omdat de Heere hem grijpende maakt. Gods werk maakt den mensen werkzaam, Een hulpeloos zondaar wordt in Christus ingelijfd en neemt al Zgn weldaden aan. Het geloof is de meest volstrekte IijdeIijkheid en toch ook weer de meest heerIgke werkzaamheid der ziel. Daarom kon de Apostel Paulas tot den bevenden stokbewaarder zeggen: geloof in den Heere Jezus Christus. Daarom kan elke prediker met vrijmoedigheid tot allen zeggen, ' die met hun zonde verlegen zijn: Geloof in het heil, dat in Christus aan zondaren wordt aangeboden. En daarom kan Johannes hier schrijven : maar die den wil; van God doet, blijft in der eeuwigheid, Hier geldt het woord van Christus zelf : die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, - maar die den Zoon ongehoorzaam is die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Zo is het ook met de vrucht des Geestes die in Galaten 5 gesteld wordt tegenover de werken des vleesches. De meest volstrekte lijdelqkheid (noem haar afhankelgkheidsgevoel van Christus)' gaat samen met de heerlijkste actie des Geestes. , Die zegt dat hij in Hem. blijft die moet ook zelf alzóó wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft". , Die zegt, dat hg; in het licht is, en zgnen broeder haat, ; die is in de duisternis tot nog toe".
Laat ons zulke woorden, die wg in ons hoofdstuk lezen, niet verdraaien of ontwrichten. Laat staan wat er staat Het gaat hierom dat wij niet slechts hoorders van 's Heeren woorden zijn, maar ook daders. Opdat wij niet slechts hooren van het ware bidden, maar ook zelf smeeken mogen: o God, wees mij zondaar genadig. Gods Woord een daad *; En wg hooren niet slechts van zondaren, maar zgn het ook in eigen oogen. Wg hooren niet slechts van het geloof in! den Zaligmaker, maar zelf gelooven wg.: Gods Woord een daad Wij spreken niet slechts van broederliefde, maar bidden met een vrij consciëntie: vergeef ons; onze schulden, gelgk ook wij vergeven onze schuldenaren Zoo zg ook in ons, 's Heeren Woord. Dan is er een doen van den wil van God, waaraan een heerlijk loon ran genade is toegezegd.
Tegenover het voorbijgaande staat het eeuwige. Tegenover de wereld en hare begeerlijkheid, de wereld van genade en hare begeerlgkheid. Die den wil van God doet, blgft in der eeuwigheid.
Zeker, zg die de dingen dezer wereld begeeren zullen ook eeuwig blgven bestaan, maar hun blgven zal in ramp en eliende wezen. De Schrift heft van het rampzalig bestaan slechts voor een weinig den sluier op, maar wat het helig blad er van zegt doet ons denken aan eene nameloos groote ellende, die wij toch geen leven kunnen noemen. Een bestaan zonder de minste zegening, zonder genade, met wroegmg en smart, onder de vergelding des Heeren, moet een eeuwige dood genoemd worden.
Maar die den wil van God doet, blijft; in der eeuwigheid. Juist het tegenovergestelde van den eeuwigen dood, eene blijvend levensgemeenschap met God. Eene zaak van zooveei beteêkenis dat; de Apostel er ]ubelend van zegt dan,'dan zullen wij altijd bij den Heere zijn.
Gods kind kan het zoo moeilqk begrgpen dat het vaak wankelende geloofsleven in hem, het beginsel ïs van het eeuwige. ö ja, als het altijd maar rotsvast in zqn geloof stond en de tekerheid des Geestes altijd in hem was, zou hq ook met alle vrgmoedigheid kannen zeggen: , ik weet dat het geesteiyke leven dat in mg is, niet met den tijd kan eindigen, maar dat de eeuwigheid noodig zal zijn om de beginselen des Geestes tot ontplooiing te brengen" ...... maar nu is het een vaak wankelend geloofsleven. Wat wij heden in den Heere, genieten is dikwijls morgen weer weg. Zqn er tgden dat wg met onzen God over een muur sprongen en met den Heere door benden wilden dringen, daarna.... ach, met schaamte moet het ; bekend worden de minste tegenspoed is ons te veel en wg durven niets met den Heere te wagen. Er is een passen en meten om met eigen krachten zieh door de moeilgkheden heen te alaan, maar geen plaatsje is er over voor het geloof. Is het niet treurig"? De wereld ; van genade schqnt voorbg te zgn gegaan Het was ons goed nabij God te wezen. Welk een lust was er in's Heeren dienst. En wg kunnen niet begrijpen dat het alles zoo verkoeld is. De wereld van genade gaat voorbg en hare begeerlgkheid. Zoo zouden wg haast zeggen:
• En toch is dit niet zoo. God laat niet varen het werk Zgner handen. Ook dat wankelende geloofsleven draagt de kiem : der eeuwigheid in zich. Wat de Heere werkt, werkt Hg voor eeuwig. Daarom zal de liefde tot God eens zonder de minste verhindering zich kunnen uiten in een volkomen dienen van den Heere, met lichaam en ziel, tot in der eeuwigheid.
Dit is alleen door de eeuwige waardy van Christus' werk. Het kindeke, in Bethlehem geboren, is gestorven aan het vloekhout, maar is opgestaan in heerlijkheid. Hij heeft volbracht de taak der eeuwigheid. Een eeuwige straf heeft Hij gedragen: een eeuwige verlosing teweeggebracht. Nooit gaat Zgn werk voorbij Een heilig en barmhartig God ziet altijd Zgn volk aan in het volbrachte werk van den Zaligmaker. Wat ook voorbij gaat, Christus is gisteren en heden Dezelfde tot in der eeuwigheid En dit geldt ook Zgn werk der verlossing. Daarom geldt dit ook Zgn Kerk en Zgn Woord. De dagen der menschen zijn als het gras, gelgk eene bloem des velds alzöó bloeit hij: als de wind daarover gegaan is, soo is zg niet meer, en hare plaats kent haar niet meer. Maar de goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid en tot eeuwigheld over degenen die Hem vreezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 januari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's