De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

15 minuten leestijd

Vrouwenkiesrecht in de Kerk.

Het vraagstuk van het vrouwenkiesrecht is aan de orde, niet alleen op staatkundig maar ook op kerkelijk gebied. Vroeger dacht men er niet aan de vrouwen het stemrecht te geven. Men sprak er zelfs niet over, noch op politiek terrein, noch in het midden der Kerk, Deed men dat omdat men het de moeite niet waard achtte om in te denken Avat „vrouwennood en vrouwenwenschen" waren ? Geenszins. Het is onrechtvaardig wanneer Eisbeth Krukenberg in die Frauenbewegung den man beschuldigt-, dat hij de ridderlijkheid en het rechtvaardigheidsgevoel miste, om in deze voor de rechten van de vrouw zich te interesseeren en daarvoor op te komen. Neen! men leefde veeleer vroeger meer onder invloed van de gangbare beginselen van het christendom, welke aan de vrouw een andere plaats aanwezen dan de man pleegt in te nemen. En men redeneerde niet over de vraag: moet ook de vrouw het stemrecht hebben ? omdat men meende, dat in deze de man het hoofd der vrouw is eu van God gesteld is tot haar vertegenwoordiger in het publieke leven.

Men was. vroeger ridderlijk en rechtvaardig .genoog, om der vrouwen nood en wenschen in te denken en dié mee te voelen, maar, onder invloed van het christendom, aan de vrouw de rechten toekennend, die haar van Gods wege toekomen, voelde men, dat tot haar „nood" en „recht" niet behoorde, om met een stembiljet naar" de stembus te gaan, noch op politiek-noch op kerkelijk terrein. En zoo was er ook eigenlijk nooit mét ernst discussie over.

Maar de Vrouwenbeweging, in de vorige eeuw begonnen, heeft dat anders gemaakt.

Toen — om maar hier en daar een greep te doen — 9 October 1889 door mevr. Drucker de Vrije Vrouwenvereeniging werd opgericht, word het doel van deze beweging omschreven als „het bevorderen van maatschappelijke en staatkundige belangen der vrouw" en vijf jaar later (1894) werd opgericht „de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht."

't Was mee tengevolge van wat Multaluli n zijn „Vorstenschool" had uiteengezet: „man en vrouw zijn maatschappelijk volkomen gelijk."

Men begon te spreken van „de slavernij van de vrouw" en emancipatie werd het wachtwoord.

Dat was toen eigenlijk ook»-al niet nieuw meer. Want nu 160 jaar geleden kon men in De Philantrope (26 Oct. 1757) lezen: De vrouwelijke sexe heeft verlof bekomen om de manlijke sexe in 't stuk van kleedije een weinig meer dan voorheen te egaliseeren; maar wat is 't effect dezer permissie geweest? Ziet men er thans marcheren met een zwarten hoed of bonnet op 't hoofd; kort gekruld haar in den nek en kamisool aan't lijf; broek, kouzen, schoenen aan beenen en voeten, ja zelfs een wandelstok in de hand; alles geschoeid op de leest van het manvolk? "

Toen dus ook reeds: alle onderscheid tusschen man en vrouw zooveel mogelijk uitgewischt; man en vrouw zooveel mogelijk in alles gelijk!

De Vrije Vrouwenbeweging heeft succes gehad.

't Aantal beroepen, waarin de vrouw mocht werkzaam zijn, werd allengs uitgebreid. In 1879 promoveerde Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts; eu het aantal vrouweiyke doctoren nam van jaar tot jaar toe, zoodat er in 1909 reeds 47 waren; terwijl er tien jaar te voren (1899) 1044 vrouwen werkzaam waren bij post en telegrafie.

Deze dingen .spreken sterk. Gelijk ook wat zegt, dat van een boek als „Hilda van Suijlenburg" in korten tijd 5000 ex. verkocht werden.

Met dit alles werd het streven openbaar: verlangen naar volkomen maatschappelijke gelijkstelling van beide seksen, met algeheele omverwerping van hetgeen tot nu toe geweest was. Wat vooral telkens uitkwam in het orgaan der Vrije Vrouwenvereeniging: Evolutie, onder redactie van de dames W. Drucker en Th. P. S. Haver. , De vrouw heeft 't recht om te leven, evengoed als een man, 'niet meer aan alle zijden belemmerd" lezen we we in Hilda van Suijlenburg. En mevrouw Drucker schreef: „ De vrouw zij den man in alles gelijk." Waarbij Aletta Jacobs beweerde: „Onze beweging beoogt niets anders dan vrijheid en onafhankelijkheid voor de vrouw."

Tegenover deze dingen plaatst zich het christendom lijnrecht. De geest van het christendom is altijd geweest, om de geslachtsverhouding van man en vrouw nader te bepalen naar de lijnen in Gods Woord getrokken, waarbij er altqd op gewezen is, dat man en vrouw maatschappelijk niet gelijk zijn, maar juist door hun ongelijkheid elkander aanvullen, hierbij het huwelyk eerend als een heilige inzetting Gods en een heerlijke gave van den Schepper.

Te zamen zijn ze eerst recht mengeh. Ten Kate zong zoo schoon:

Tweeling is de mensch geboren Maar toch in zijn tweeheid één Helft eu weerhelft, ééne ziele Beide elkanders vleesch en been.

Daarom , beschouwt het Christendom ook het huwelijk' als de hoogste bestemming der vrouw.

„Ik zal hem een hulpe maken, die als tegenover hem zij" heeft God gezegd, en „die twee zullen tot één vleesch zijn."

Maar wat lezen we in Hilda van Suijlenburg? Daar staat: „Niet in het "huishoudentje, tusschen de vier muren ligt de roeping der vrouw; bewegen moet ze zich op alle gebied."

En de levenswijsheid van vele meisjes is: niet onder den man staan; niet in liet enge huwelijkskooitje; vrij blijven; geen huwelijk; vrije liefde en-als gelijke van den man optreden op elk gebied.

De heerlijkheid des mans te zijn in het huwelijk (zie 1 Cor. 11:7; Ef. 5 : 22 —24; Gen. 3 : 18) kent men niet meer en 'begeert men niet. En omdat men niet naar 's hemels wet wenscht te leven vervalt men tot allerlei tegen-natuurlijke dingen, waartoe ook behoort een maatschappelijke gelijkheid voor beide geslachten te eischen.

't Lijkt zoo mooi om te zeggen: zijn ze dan niet gelijkwaardig, man en vrouw ? Moet de vrouw dan minderwaardig geacht worden? .... Dwaze vragen. Is de linkerhand dan geen andere dan de rechterhand? Is' het hart niet Anders dan het lioofd? Is de eik niet ïlnders dan de wingerd?

Als nu de man man is en de vrouw wouw, dan voegt men zich naar „Gods gezetten regel."

Het christelijk ideaal mogen we niet uit 't oog verliezen: En dat is: de vrouw zij de hulpe des mans; zij trede zoo weinig mogelijk op; de man zij 't hoofd en de vrouw 't hart van het gezin; — en wandelend in den weg Gods, met eerbiediging van Zijne heilige en wijze ordinantien zullen we welvaart en zegen kunnen verwachten.

De vrouw zij vrouw. Zij geve zich als echtgenoote. Zij leve als moeder voor haar kinderen. En in dat alles openbare zij de liefde, welke bekwaamt tot het brengen van het offer n.l. zichzelf. Heeft Spurgeon niet gezegd „dat de meeste mannen datgene zijn, wat hun moeders van hen hebben gemaakt? "

Een goede moeder te hebben, die haar kinderen recht opvoedt en ze door haar liefde, haar' voorbeeld, haar tact, maar vooral door haar gebed weet te vormen en te leidan — zoo'n goede moeden' is van onvergelijkelijke waardij. Ook de Staat, ook de Kerk zal er onschatbaar voordeel van ontvangen. Meer nog dan van de vrouw, die geen vrouw en geen tnoeder zijn wil, maar haakt naar het stembiljet, om naar de stembus zich te begeven...

Doch met dit alles hebben we nog niet aangeraakt waar het nu eigenlijk ook in onze Herv. Kerk om gaan zal. Want zooals men weet is niet alleen bij de jongste Grondwetsherziening op politiek terrein aan de vrouw het zoo genaamde passieve kiesrecht reeds verleend en is de slagboom die haar van het actieve kiesrecht scheidt, opgeheven (gelijk ook in Engeland, het „conservatieve" Engeland, het vrouwenkiesrecht is ingevoerd), raaar die politieke beweging heeft ook op kerkelijk terrein haar invloed doen gelden; en onze Herv, Kerk heeft, bij monde van de jongste Synode, de vraag aan de orde gesteld: „zullen we ooh de vrouw niet tot de stembus toelaten? ”

Wel oordeelde men, dat de vrouw niet verkozen mag worden tot het ambt, noch tot predikant, noch tot ouderling, noch tot diaken. Maar haar langer het stembiljet bij de verkiezing van leden van het kiescollege te onthouden oordeelde men, bij meerderheid van stemmen, niet betamelijk en ook werd zij geschikt geacht om tot lid van het kiescollege gekozen te worden.

En dit is niet iets speciaal Hervormd want ds. O. Lindenboom, pred. bij de Geref. Kerk te Amsterdam, schrijft een serie artikelen in De Bazuin, waarin hij de stelling Verdedigt „dat, wat wij in het presbyteriaal stelsel van kerkregeering stemrecht noemen (wèl te onderscheiden van kiesrecht) aan de vrouw moet worden toegekend naar den eisch des Woords."

We hebben hier voorzeker met een zbor gewichtige en diep ingrijpende zaak te doen, waarvan we ons niet met een paar groote woorden en enkele teksten mogen afmaken. Ook mogen we in deze dingen niet vereenzelvigen of dooreenvermengen wat niet hetzelfde zijn.

Zoo mag er natuurlijk geen sprake zijn om aan de vrouw in 't algemeen gelijke rechten toe te kennen als aan den man. Ook moeten de beginselen der Fransche revolutie worden uitgebannen.

Maar intusschen moeten we dan ook verder de dingen wèl leeren onderscheiden. En we zullen de Schrift naarstig moeten onderzoeken, opdat we naar des Heoren inzettingen wandelen. Want Vondel heeft terecht gezegd:

Volg 's Hemels wet, want onrust vangt eerst aan. Zoo ras men wijkt van Gods gezetten regel.

We hopen dan ook nader nog op. deze zaak terug te komen, waar we voor 't oogeublik 't hierbij willen laten.

Alleen zij 't ons vergund voorloopig wat losse grepen te doen Uit het vele, dat reeds over dat onderwerp is geschre­ ven en nog wel gesebreven zal worden.

Ditmaal dan een uitknipsel uit „De Heraut" van 6 Jan. 1918.

„De gronden" aldus dr. H. H. Kuyper in De Heraut „die men voor de invoering van dit vrouwenkiesrecht in de Kerk aanvoert, zijn in hoofdzaak drieërlei.

Vooreerst het belang van de Kerk zelf, die, naar men zegt, daardoor geestelijk zal gebaat worden. Het staat toch vast, dat het religieuse element bij de vrouw veel sterker ontwikkeld is dan bij den man. Zie. het maar aan de meisjes-catechisaties, die veel beter bezocht zijn dan de jongens-catechisaties; aan het kerkbezoek, waarbij de vrouwen de mannen verre overtreffen; aan den invloed, dien het ongeloof, het materialisme en het socialisme op de mannen uitoefenen, terwijl daarentegen de vrouw nog meest geloovig blijft en door haar opvoeding van de kinderen het geestelijke leven bewaart en versterkt. Gun daarom aan de vrouw, zoo zegt men, medezeggen schap in de Kerk; laat haar meestemmen bij de keuze der ambtsdragers en een geestelijke wedergeboorte der Kerk zal volgen.

In de tweede plaats wijst men er op, hoe onbillijk en onrechtvaardig het is, de vrouw van de verkiezing der ambtsdragers, vooral van die der predikanten uit te sluiten, aangezien een predikant toch niet alleen voor de mannen, maar ook voor de vrouwen heeft op te treden en de vrouw dus evenzeer het recht moet hebben als de man, om op de verkiezing van den predikant invloed uit te oefenen.

En eindelijk meent men, dat de Schrift zelf voor de invoering van het vrouwenkiesrecht pleit. Immers de Apostel zegt in Gal. 3 : 28 dat „daarin (d.w.z. in de gemeente) is noch Jood, noch Griek, noch dienstknecht, noch vrije, noch man noch r vrouw, want dat zij allen één zijn in Christus Jezus" en spreekt daarmede uitdrukkelijk de principieele gelijkheid in de gemeente van alle leden, dus ook van de mannen en vrouwen uit".

De Heraut, die dit releveert, acht weerlegging van de beide eerstgenoemde gronden onnoodig, maar gaat op het laatste argument in, dat voor ons de hoofdzaak is.

Want zoo lezen we: „Indien de bedoeling van den Apostel metterdaad was, dat het onderscheid tusschen man en vrouw in de Kerk van Christus is opgeheven en aan beiden dezelfde rechten toekomen, dan is de zaak uitgemaakt, want dan mag de Kerk bij de toekenning van het kiesrecht ook geen onderscheid maken tusschen man en vrouw. Dat dit de bedoeling van den Apostel niet is, blijkt echter duidelijk uit wat de zelfde Apostel op andere plaatsen zegt, omdat hij, ware de bovengenoemde opvatting juist, dan met zich zelf in tegenspraak zou wezen.

In I Tim. 1 : 12 toch zegt dezelfde Apostel: ik laat de vrouw niet toe, dat zij leere, noch over den man heersche, maar wil, dat zij in stilheid is, want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva". Er is hier sprake van het openlijk leeren in de gemeente en de Apostel verbiedt dit haar uitdrukkelijk; de vrouw mag in de gemeente van Christus noch leeren, noch over den man heerschen; ze mag derhalve noch het leerambt noch het regeerambt in de Kerk uitoefenen. En de Apostel grondt deze besliste uitspraak, waarbij de vrouw van het ambt in de Kerk wordt uitgesloten, op de scheppingsordinantie Gods, Adam is eerst geschapen, zegt hij, en daarna Eva, wat natuurlijk niet alleen de mededeeling van een feit is, maar waarin de ordinantie Gods ligt uitgedrukt, dat de man geroepen is de eerste te zijn en de vrouw hem geschonkeja is tot een hulpe. Wanneer de vrouw de eerste plaats inneemt door openlijk te leeren of het regeerambt in de Kerk uit te oefenen, wordt tegen deze ordinantie Gods gezondigd. Dat dit onderscheid in de Schepping gegrond, in de gemeente zou behooren weg te vallen en de vrouw als gelijke van den man zou moeten optreden, wordt door den Apostel dus uitdrukkelijk weersproken.

Nog sterker laat de Apostel zich uit in I Cor. 13 : 34, waar hij niet alleen aan de vrouw verbiedt om zulk een ambt in de Kerk uit te oefenen, maar zelfs ook in de vergadering der geloovigen het woord te voeren. „Dat onze vrouwen, zoo zegt hij, in de gemeente zwijgen want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt. En zoo zij iets willen leeren (hier is niet bedoeld het leeren van 1 Tim. 2:12 d.w.z, het houden van een leerrede, maar het passieve leeren, het trachten door vragen om iets te weten te komen) laat haar te huis hare eigene mannen vragen, want het staat leelijk voor de vrouwen, dat zij in de gemeente spreken". Ook hier handhaaft de Apostel weer de ordinantie Gods, nu niet die in de Schepping zelve gegeven is, maar die na den val als straf over de vrouw was uitgesproken. De verwijzing toch naar hetgeen de wet zegt: at de vrouw onderworpen behoort te zijn, ziet op het woord tot de vrouw in Gen. 3 : 16 gesproken, dat de man over haar heerschappij zou hebben. Wel verre vandaar, dat de straf over de vrouw uitgesproken, omdal 7, ij den man verleid licoft, alUians in de gemeente is opgeheven, leidt de Apostel uit dit Woord Gods af, dat de vrouw in de gemeente niet mag optreden om te spreken, zelfs niet om vragen te stellen ten einde onderwezen te worden. De onderworpen positie, waarin God haar gesteld heeft, maakt dat de vrouw in de gemeente zwijgen moet.

Nu wil dit natuurlijk niet zeggen, dat de vrouw in de gemeente nooit haar stem mag laten hooren. Het muiier non cantat in ecclesia, de vrouw mag in de Kerk zelfs niet zingen, is nooit de stelregel van de Gereformeerden geweest. Ze hebben juist den zang van het mannenkoor in de Kerk afgeschaft en daarvoor in de plaats gesteld den zang door heel de gemeente, door mannen en vrouwen beide. En zoo kunnen er ook gelegenheden voorkomen, waarbij de vrouw wel geroepen moet worden om een verklaring af te leggen of een belofte te doen. Bij de openbare belijdenis des geloofs heeft de vrouw te antwoorden op de bekende belijdenis vragen; bij de kerkelijke huwelijksbevestiging heeft zij de trouwbelofte aan den man te doen; als zij optreedt als getuige bij den doop van haar kindeke, moet zij op de doopvragen antwoorden. Ook dan zal de fijngevoelige vrouw nog liever door een stil buigen van het hoofd, dan door een flink, door heel de kerk klinkend ja ik, antwoorden.

Maar hetzij dit antwoord hoorbaar of door een gebaar van het hoofd wordt gegeven, dit antwoorden op een vraag haar gesteld, is geheel iets anders dan het eigenmachtig optreden van de vrouw alsof zij de gelijke van den man is, om ook haar stem in de gemeente te laten hooren. Alleen dit laatste keurt de Apostel beslist af, niet alleen omdat het strijdt met de ordinantie Gods, maar ook omdat het voor de vrouw leelijk staat. De schuchterheid en bescheidenheid, waarmee de echte vrouw optreedt, zijn haar schoonste sieraad; zij juist maken de vrouw beminnelijk. Door die schuchterheid en ingetogenheid af te leggen en zich als gelijke naast den man te stellen, maakt de-vrouw zichzelf leelijk. Ze derft dan de schoonheid, die God haar schonk.

En geheel hetzelfde wordt betoogd in I Cor. 11, waar het verschijnen van de vrouw met ongedekten hoofde in de vergadering der geloovigen wordt veroordeeld. Sommige vrouwen waren daarmee begonnen uit emancipatiezucht. (zie o, a, Th. Bademann in Zahn's Kommentar des Neuen Testaments VII). Ze meenden als gelijke van den man te kunnen optreden en lieten daarom den sluier, het uiterlijk teeken van hare onderwerping aan den man, weg.

Daarom komt de Apostel hiertegen op, niet alleen omdat de natuur zelf ons leert, dat het voor de vrouw leelijk staat, het hoofd ongedekt te laten, daar aan haar het lange haar als sieraad is gegeven (vs 6) maar vooral omdat daarin een verzet school tegen het bestel Gods, die den man eerst had geschapen en daarna de vrouw om den man; die den man, het beeld en de heerlijkheid Gods, tot een hoofd der vronw had gesteld (vs 3 en 7). Nu hangt het dragen van een sluier saam met de Oostersche usantiën, en daarom kan hieruit geen blijvend gebod voor alle eeuwen worden afgeleid. Maar wat wel blijft en voor ons tot regel behoort te zijn, is het beginsel, dat de Apostel hier zoo beslist mogelijk uitspreekt, dat de vrouw, niet alleen in het maatschappelijk leven, maar ook in de gemeente, niet als gelijke van den man mag optreden, maar de hoogere positie, die God aan den man schonk, te erkennen en te eerbiedigen" heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's