De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Joh. 1:35 - 43a.

Wat zoekt gij?

Zondt ge iets kunnen aanwijzen dat grooter vreeze zou wekken dan de mededeel ing aan de bemanning van een schip: ^w-e liebben ons kompas verloren", we weten er niets meer van in welke richting we varen. De kans is minstens zoo groot (lat we tegen de kusten ons te pletter zullen loepen als dat een veilige haven ons wacht."

Geen kompas waarnaar de vaart wordt geregeld is precies hetzelfde als geen weg te weten te midden van een vijandelijk knd. Wat zou dat een schrik geven!

Ziethier een levensbeeld van den onbekeerden, van geen God en Christus wetenden zondaar. Hij heeft geen kompas meer, hij is den weg kwijt, hij zeilt en hij zeilt, maar daar is geen vooruitzicht op een haven.

En nu is dit wat zijn lot nog treuriger maakt: hij doet alsof geen enkel gevaar dreigt, hij denkt aan geen toekomst.

Ziet, elk redelijk wezen moet bij zichzelven toch wel eens de vraag voelen opkomen: waarheen strekt zich het doel van mijn tocht uit? Waar ga ik eigenlijk heen? En is er, waarop ik hoop, wel eenige kans van verwezenlijking?

Dit moet worden gevraagd.

Wij zijn reizigers over de groote levenszee. Of om bij de eigen teekening van Gods Woord te blijven: de woestijn des levens ligt voor ons. Wij moeten er door en wij komen er ook allen door. Hieromtrent bestaat niet de minste twijfel. Wellicht zijn we veel eerder aan het eindpunt gekomen dan we zelf hebben vermoed, 'k Doe in dezen een beroep op uw eigen ervaring. Wat is een jaar? Wat zijn tien jaren? Wat zijn twintig jaren? Aanschouwt eens uw eigen kroost. Wat nog in uwe herinnering voor zeer kort of klom op uw knie of zat op uw schoot, legt nu reeds de hand op uw schouder en zegt: „vader, we lijken haast elkaar in postuur."

Het leven. Gel., is een damp. We staan vóór we 't weten aan den eindpaal. Maar zullen wij eens goed uitkomen? De Apostel zeide: het sterven is me gewin. Ce weet welk woord hieraan voorafging: „het leven was hem Christus." Ziet, als we dien weg onder de voeten hebben, kan de uitkomst niet falen. Maar deze ook alleen. De uitspraken van het Woord en van de innerlijke behoefte onzer zielen laten hieromtrent geen twijfel. Als ik alleen dit u maar herinner: „Ik ben de deur, indien iemand door Mij ingaat die zal behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. Ik ben de weg" enz.

Gel., wij hebben niet iets verloren; toen we God kwijt raakten waren we alles kwijt. Wij moeten God weder terug ontvangen. En nu is er maar ééne Openbaring, daar is slechts ééne schenking mogelijk, en deze is in Christus Jezus. Hij is God geopenbaard in het vleesch. Wij moeten Hem persoonlijk terug verkrijgen. In ons hart, in ons leven moet Hij door den H. Geest worden ingedragen.

En nu is dit het heerlijke van de bediening van het Woord, ten minste waar zulks gedaan mag worden naar goddelijke opdracht, daarvan bedient zich de Allerhoogste. Daar is het als bij den doortocht van de kinderen Israels door de vyoegtijn hetselfde als wat de wolkkolom deed bq dag en de vuurkolom bij nacht, nl. heenwijzen naar het beloofde land. Men zou het kunnen vergelijken bij de sterre in het Oosten. Zij wijst heen naar de kribbe, zij wijst heen op niemand anders dan op den Heere Jezus Christus alleen.

Zij wijst: ziet daar is Hij, in Wien uwe ziele het leven vindt.

Moge de Heere zich ook alzoo van dit Woord bedienen.

Onze tekst verplaatst ons aan de oevers van den Jordaan, waar Johannes de Dooper doopte en predikte. Met recht droeg deze den naam van vriend des Bruidegoms. Hij was een vriend en metgezel. Hoe verblijdde hij zich met heel zijn ziele toen hij de stem des Bruidegoms hoorde. Hoe sprong zijn hart op toen hij den Heere daar tot zich zag naderen. Onmiddelijk strekt zicli de w^'svinger met: daar is Hij nu op Wien de eeuwen hebben gewacht.

Daar is Hij nu, naar Wien de vaderen hebben gehunkerd, op Wien heel het volk des Heeren het oog des verlangens heeft gericht.

„Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt", alzoo het woord zijner prediking.

Ziet nu niet meer op mij, vestigt niet meer uw aandacht op Zijn dienstknecht. Iaat hém alleen maar bijlichten.

Daar staat Hij nu in uw midden. Tot Hem de toevlucht genomen. Deze is nu het Lam dat uwe zonden alleen kan dragen en uwe schuld bedekken, u gelieel vrijmaken. Als ge op Hem de hand des geloofs maar moogt leggen.

Wat een lieve prediker is dit, zegt ge, en terecht.

Johannes kende geen ander levensdoel dan de bruid heen te leiden tot haren Bruidegom.

Wat stond het voor Johannes in duidelijke lijnen, dat Deze de Christus was. Hij zegt het met deze woorden: „ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel gelijk een duif en Hij bleef op Heni. Ik kende Hem niet, maar Die mij gezonden heeft om te doopen met water. Die had mij gezegd: op Welken gq den Geest zult zien nederdalen en op Hem blijven, deze is het, Die met den H. Geest doopt.

En ik heb gezien en heb getuigd dat deze de Zone Gods is.

Johannes heeft getuigd.

Reeds eenmaal heeft het woord geklonken over de hoofden der toeschouwers: zie het Lam Gods.

Gij hebt wellicht eene vraag. Zijn nu niet onmiddelijk de discipelen toegestroomd? Zulk een prediker met den Heere in het midden en dan zoo rechtstreeks  op Hem henen wijzende. De zuiverste prediking geeft die dan niet dadelijk vrucht?

Aan u zelven het oordeel.

Des anderen daags, zegt onze tekst, stond Johannes er wederom.

Den eersten dag heeft hij niets gevangen, tenminste het was niet zichtbaar, hij moet het net nog eens laten zinken.

Wat 'n leerryk stuk ligt hier al dadelijk voor ons. Wat kan het vraagzieke hart in mismoedigheid vaak uittreden: waarom zou' ik nu nog geen vrucht merken? Wat zou er toch aan mankeeren? Zou ik maar niet liever heengaan, om voor een anderen en beteren het pad te ruimen? Zou de Heere wel in het midden zijn?

Let eens hier op des Hoogsten, des Liefdevollen gangen. Hg komt maar zelden bij den eersten stoot.

Johannes stond er des anderen daags wederom. De Christus moet eenmaal en andermaal, ja zoolang als het Hem belieft worden aangewezen en aangeprezen, als het Lam Gods.

Wat er dus niet zijn mag bij den discipel: een moede worden. De prijs is de grootste moeite waard.

Johannes stond daar met twee van zijn discipelen. Nu komt de Heere daar weer voorbij. Hij is, zoo lezen we, wandelende. Hij wandelt tusschen de Zijnen door.

Och wat 'n liefdevolle Heiland. Hij wil den prediker nog eens de gelegenheid geven zich te laten aanwijzen. Al wandelend gaat Hij op en neder als een, die op iemand wacht.

Wie zouden het zijn?

Ge zult niet lang in het onzekere verkeeren. 't Is het tweetal dat tot nu Johannes heeft gevolgd.

't Eenige wat noodig is, is dit, dat het Woord wederom wordt uitgedragen, Op dezelfde wijze en met denzelfden inhoud Zie het Lam Gods.

Onmiddelijk wordt de wenk begrepen. Ze laten den prediker los om den Heere Zelven te kunnen volgen.

De opmerkingen hierbij te maken zijn vele.

Weet ge waarbij dit wandelen des Heeren is vergeleken? Bij een magneet, welke her. en der wordt böwogen, waardoor degenen die den Heere toebohooren naar Hem worden heeugetrokken. Hij trok degenen, die Hem van den Vader gegeven waren, tot Zich.

Was, zoo vraagt ge, dit niet eenigszins hard voor Johannes, zoo zijn beide discipelen te moeten missen?

Wat bedoelt ge met: te moeten missen ? Raakt hij hen dan kwijt? Was dit niet alleenlijk zijn bedoelen? Geliefde lezers, ge zoudt het veeleer moeten omkeeren. Wat 'n onbeschrijfelijke eere voor een menschenkind om zielen te gewinnen voor Koning Jezus, om zielen toe te voeren, om ze over te geven aan Hem, die ze behoudt.

De vriend des Bruidegoms heeft maar een levensdoel en dat is de bruid henenvoeren tot haren Beminde.

Johannes heeft het woord niet over zijn lippen voelen glijden, of de beide jongeren treden in des Heeren gangen. Wat is dat een heerlijk verlies. Als de oogen van een menschenkind opeens open springen voor de onmisbaarheid en onontbeerlijkheid van den Heere Jezus Christus. Als al het schepsel moet wijken, ook de allerliefste, ook aan wie we het meeste te danken hebben, ook die het middel is geweest om ons tot den Heere Zelf te leiden. We kunnen als het om de zaligheid gaat met niemand minder toe dan met den Heere. Och als oor en hart geopend worden dan laten we alles los, dan wordt het de Heere alleen.

't Spreekt vanzelf dat de verhouding tusschen degenen, die toegebracht werden en die hiervoor het middel was, de liefste banden blijven liggen. Maar de Heere is de eenige. Dien onze ziele liefheeft.

Heerlijk zóó de discipelen te verliezen. Laat zóó onze school maar verloópen, als ze maar discipelen van den Heere Jezus mogen worden. De grootste eere voor den'prediker zal dit zijn, te mogen beluisteren: „Heere, hier is nu de man, die door Uwe gunst verwaardigd werd mij op U te wijzen. Kom, laat nu Uw Naam eeuwiglijk worden geprezen."

Johannes zag twee van zijne-discipelen den Heere volgen. Ze liepen achter Hem aan.

Let thans eens nauwkeurig op, gij heilbegeerigen. Hier is voor u zooveel, waaruit ge kunt leeren. Zij lieten Johannes staan, hoeveel ze ook aan hem te danken hebben; hun heil moet van iemand anders komen. En die Iemand liep daar voor hen uit. Van wien zou nu het punt van aanraking komen ? .Hoe zouden die twee groepen tot elkander naderen? En op welke wijze?

De Heere keert zich om. Oogenschijnlijk, iemand die er buiten stond kan niet anders gedacht hebben: die man, die daar henenloopt, weet er niets van dat daar twee menschen vlak achter Hem aan gaan met de duidelijke bedoeling: we willen zoo gaarne iets van ü ontvangen. Zou de Heere het niet geweten hebben? — Ongetwijfeld, zegt ge; niets geleerder dan dat. De Heere is al bezig ze tot zich aan te trekken. Zij volgen, en de Heere gaat maar al verder. Hij wandelt van hen af, naar menschelijke berekening gaat Hij precies verkeerd.

Trekt hier uwe conclusies, gij die den Heere van noode hebt.

Het komt er u ook zoo telkenmale maar voor, dat ge den Heere maar niet  kunt inhalen. Ge volgt wel, maar Hij gaat met Zyn aangezicht van u af. Ge ziet Hem, doch in den rug.

Nu weet ge, wie hiervan gebruik maakt. De Duivel fluistert u in het oor: „ge merkt het toch zeker wel op, dat Hij u niet wil. Gij zoekt Hem wel te ontmoeten, maar het zal u niet gelukken. Daar is aan u ook al heel weinig waarom Hij u zou begeerd hebben. Zet het u maar gerust uit het hoofd-en uit het hart. Hij heeft zich van u afgewend."

Lezer, die deze fluisteringen ooit beluistert, laat het u nooit wijsmaken, laat deze houding des Heeren u niet verschrikken. Nooit wordt uwe liefde meer wakker dan wanneer er tegenstand wordt geboden. Straks wendt Hij Zijn liefelijk aangezicht tot u met de vraag: Wat zoekt gij? Immers waarheid blijft het:

Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht.

Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht.

{Wordt vervolgd.)

Utr.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 januari 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's