Stichtelijke overdenking.
Joh. l:35-40a.
Wat zoekt gij?
(Vervolg)
De beide discipelen bleven den Heere volgen.
Wat leest ge nu ?
„En Jezus Zich omkeerende."
Kan het ooit treffender toegelicht dat iemand die den Heere, achterna loopt straks zeker en gewis Zijn aangezicht zien zal. De Heere hoort niets liever dan de schuchtere, doch tevens volgzame schreden van achter-Hem-aankomende zielen. Hij luistert naar elk gesprek. Hij hoort naar iedere verzuchting. Hij wendt Zich. om vragende: wat zoekt gij ?
Hier liggen de wenken voor 't grijpen.
Vooreerst: de Heere wacht niet tot ze Hem aanspreken. Dit is in het natuurlijke leven zoo ook niet. Hij maakt het hun zoo gemakkelijk om hunne wenschen en begeerten Hem bekend te maken. Hij zegt niet: wien zoekt gij? Och dat was opeens te veel, ze mochten iets dichter bij beginnen. We zijn ons heil kwijt, we zouden het zoo gaarne terugontvangen.
Wat zoekt gij? vraagt de Heere.
We willen hier een oogenblik post vatten. Als wandelaars gaan we door het leven — ja met snelle jms daar zijn er maar heel enkelen, in wier gangen eenige rust is gekomen. De meesten verraden te duidelijk dat ze iets kwijt zijn.
't Ts als een jacht het leven.
De eèn zoekt het hier, de ander daar liet levensgeluk te grijpen maar als hij of zij verkreeg wat werd voorgesteld, dan dan blijkt het verkregene maar zeer ten deele de ziele te vullen, 't Is vaak alsof er de honger naar meer door groeide. Neenït maar eens voor u de levensgang van wat groot is en machtig in deze wereld. Als ge vraagt: wat zoekt gij? zoo luidt het antwoord : meer eere, meer goederen.
Maar als het geval u dient en ge ontmoet dezelfde menschen na enkele jaren nog eens en er kwam geen levensverandering, geen andere levenskeuze, wat is dan uwe ervtaring? Dat hun zoeken nog heftiger, hun verlangen nog gretiger, hun leven nog holler is geworden.
„Wat zoekt gij? "
Zoo luidt de vraag des Heeren tot den discipel, die Hem van noode heeft, die Hem noodig heeft gekregen. Ik zoek u. Ik moet u persoonlijk hebben.
Weet gij, heilbegeerige lezer, wat ik u sterk aanraden kan. Laat uw voetstappen maar achter den Heere hooren.
Op eiken weg hoort ge van menschen die hun doel niet bereikt hebben — echte mislukte levens — maar achter den Heere aan en dan niet verkrijgen wat er verkregen moet worden, kan niet.
Ge geeft het me onmiddellijk gewonnen, dat waar de Heere u Zelf voorgaat, gij u ook zonder eenig gevaar kunt begeven. 'k Wil het eens in nog stouter vorm gieten. Al zou de Heere Zich niet omkeeren en ge volgde t Hem, zoo zoudt ge achter Hem aan toch de poorten des hemels niet missen.
Maar nu dit wonderlijke, dit heerlijkopzoekende, dit zoo-vol-belangstelling-Zich-omkeerende vragen: „wat zoekt gij ? " 't Is alsof de Heere Zich vlak voor hen stelt: „zegt het nu maar."
Wat zullen ze antwoorden?
„Heere, 't is ons om u begonnen. We zoeken U."
Laat ons eerst dit eens opmerken. De gedachte omtrent 's Heeren bereidwilligheid en Zijne toegenegenheên is onzerzijds altijd te "klein. De dichter zegt het zoo schoon:
De Heer' toch slaat der menschen [wegen ga, En wendt alom het oog van Zijn gena Op zulken.
Wat kan .diegene gelukkig geprezen die in de schaduw des Heeren mag voortgaan, want dit staat vast: wie Hem volgt, zal straks Zijn aangezicht zien, die zal de vraag zich hooren stellen: wat zoekt gij ?
Hier op deze wereld kan het menig keer gebeuren, dat iemand u deze vraag voorlegt, en dat hij toch u achterlaat, wijl hij niet bij machte is u te helpen. Zijn hand kan hij u niet bieden. Dat is met dezen Vrager niet alzoo. Hij legt belangstellend, lokkend u deze klanken in de ooren, met de al te doorzichtige bedoeling: vertel het Mij maar, begeer het maar van Mij. Ik weet het wel wat u ontbreekt, maar druk het nu maar eens uit in hoorbare klanken.
Och, stel het u eens voor, dat de Heere tot deze beide discipelen gesproken had: wien zoekt ge? zoo zouden ze het niet gedurfd hebben het te openbaren. De Heere maakt het hun licht. Zij mogen het broksgewijze, als bij gedeelten. Hem voorleggen. Want zoo gaat het toe op den weg des heils. Als ze alleen zijn en met elkander, zoo gebeurt het niet zelden dat ze het zeer juist weten weer te geven, maar als ze tegenover den Heere staan, zoo is het gelijk een Esther tegenover haar koninklijken gemaal: ik zal het u morgen wel' vragen, geef me nog eens de gelegenheid.
Een waarlijk aangeraakte voor den hemel is altijd klein, deemoedig, met ootmoed bekleed, weet wat het beteekent van den hemel iets te vragen.
't Is de allerhoogste gunst.
Ziet, deze vreeze is het allerbegeerlykste goed.
De zoodanigen komt de Heere tegemoet met: „vertelt het mij maar, openbaart het slechts. Wat zoekt ge? "
Ge weet het antwoord, hierop gegeven: „Heere, waar woont Gij? "
Zoo bij den eersten oogopslag krijgt men den indruk, dat ze er niet voor durven uit te komen. „Hé, zegt ge, waarom het niet onmiddellijk verteld. Als het mij zoo eens ging, als mij dit eens te beurt viel, als ik zóó eens tegenover den Heere kwam te staan, dan zou ik ...."
Wat zoudt ge dan, lezer ?
Hebt ge wel eens gestaan voor deze levensvragen ? Als ien'-.nd, die God vreesde — dus nog maar een mensch — u eens vierkant > toor de vraag plaatste: „wat zoekt gij? Wat is uw levensdoel? Waar gaat het met u om ? " Heht ge dan nog nooit gevoeld hoe ontroerend teeder deze zaak moet worden behandeld. Ge durft niet eens te zeggen wat ge meeni. 't Is alsof u de moed ontzinkt. Langs een omweg zoudt ge 't willen mededeelen.
Ziet, dit weet de Heere. Hij kent deze gangen. Hij gaat zelfs met u op dezen weg. Openbaar het Mij maar stuksgewijze.
Heere, zoo zeggen ze tegendkander, „waar woont Gij? Als we eens met Ü mede mochten gaan. Waar woont Gij? " Hierin ligt deze gedachte: als wij eens in een vertrouwelijk gesprek met U mochten verkeeren, ja dan zouden wij het U durven te zeggen. Als Gij eens zoo goed zoudt willen zijn.
Lezer, mogen we hier eens een oogenblik met elkander spreken.
Wanneer de Heere u eens staande hield met de vraag: waarheen gaat ge? wat zoekt ge? Zou dan ook uw antwoord zijn: Heere, waar woont Gij ? M. a. w.: ik zou toch zoo gaarne eens in Uwe persoonlijke meest-intieme gemeenschap verkeeren.
Den Heere te volgen, zóó ten aanschouwe van lieel de wereld is veel, hiertoe neigt het natuurlijk hart zekerlijk niet, het is er schuw van, maar veel meer beteekenis heeft nog dit, dat we de vraag den Heere durven voor te leggen, waar Hij woont.
Wij willen u eens deze persoonlijke vraag doen „zoudt gij wel met den Heere alleen durven te zijn ? " zóó, dat een heel intieme vraag kon gedaan „wat begeert ge nu eigenlijk? Waar is 't u om begonnen? Wilt ge Mij wel hebben tot uw deel? " Ziet zoo is de trekking van 's Heeren Geest. Legt hier de toets maar eens aan.
Hoevelen worden er rriet gevonden, die het den Stadhouder uit Paulus dagen nazeggen, zoo niet met de lippen, toch met het hart „ik zal u er nog wel eens over hooren als ik gelegener tijd zal bekomen hebben." Niet den Heere blijvend volgen, niet zien waar Hij woont.
Als gij, lezer, hier uw toestand vindt geteekend, kan een waarschuwing toch niet achter gehouden. Immers, dit is het geheim van het hemelleven, dat ge altijd met den Heere zult wezen.
Daarnaar kunnen Gods kinderen vaak zulk een heimwee hebben, 't Kan hun op deze wereld vaak zoo wonderlijk droef te moede zijn. De zonde waarmede ze hun leven lang te worstelen hebben, hun zondige aard, waartegen ze strijd voeren, maar welke ze hier nooit onder dé knie krqgen, beneemt hun zooveel vrijmoedigheid en blijmoedigheid, 't Is de gedurige verzuchting „wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods." Waarop dit antwoord mag worden gegeven: „ik dank God door Jezus Christus."
Ja 't schoon vooruitzicht dat mij streelt, zegt de Dichter, ik zal ontwaakt Uw lof ontvouwen. U in gerechtigheid aanschouwen, Verzadigd met Uw goddlijk beeld.
Dan zal ik altijd met den Heere wezen, bij Hem inwonen.
't Is nog zoo'n dwaze vraag niet: Meester waar woont Gij ?
De Heere zegt: komt en ziet. Ge moogt aan uw verlangen gevolg geven, ge moogt komen, ge moogt zelfs een dag met Mij doorbrengen.
't Is wel eigenaardig hoe weinig de H. Schrift aan onze nieuwsgierigheid tegemoet komt. Zij houdt er zelfs geen rekenschap mede. Weet ge wat we gaarne eens zouden zien titgestald, hoe de uiterlijke omstandigheden waren waarin de Heere leefde, wat die discipelen ontvingen, wat ze daar met elkander bespraken enz. Niets van dit alles wordt ons medegedeeld. We weten zelfs niet eens of het een woning was. Daar staat eigenlijk niet anders dan , ze zagen waar Hij verblijf hield." Als we eens denken aan dit Schriftwoord: „de vogelen des hemels hebben nesten en de vossen holen, maar de Zoon des menschen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge, " zoo is het zeer goed mogelijk dat het allernederigste en meest natuurlijke verblijf, een schuilplaats in het gebergte zijn woning is geweest.
Maar nu waaromtrent we wel zekerheid hebben. Hun samenzijn is geweest van zulk een aard, ' zoo heerlijk, zoo geheel in staat om een indruk te geven hoe het eenmaal in den hemel zijn zal, dat ze het nooit meer vergeten konden.
Van deze beide mannen wordt ons maar één naam medegedeeld, van den ander wordt deze opzettelijk verzwegen.
Opzettelijk. Gelijk de schrijver van dit Evangelie telkèfirtiale'" doet ^'^is-he^r-rets» uit zijn eigen leven geldt, dan legt hij de hand op zijn naam, hij verzwijgt dezen met opzet.
Deze twee mannen waren Andreas en Johannes zelf. En als deze laatste nu zijn Evangelie te schrift stelt, dan teekent hij er dit bij aan „het was omtrent de 10de ure." Dit vergeet hij nooit.
Dat was een oogenblik dat nimmermeer kon worden uitgewischt. Wat was dat een heerlijk iets met den Heere tezamen waar Hij verblijf hield.
Prijst ge dezen Johannes ook niet gelukkig ?
Maar nu nog onze slotgedachte.
Deze discipelen gaan op een andere wigze dan voorheen langs hun pad. Daar komt iets waar zij niet buiten kunnen: zij moeten vertellen, zij moeten uitgaan, den naam des Heeren bekend maken.
Wij hebben gevonden den Messias, den Christus Gods.
Kent ge schooner en heerlijker vondst dan dit „wij hebben gevonden."
•Den broederen, den vrienden, wie God naast ons op den levensweg heeft geplaatst, wordt het verteld.
Van dit punt uit moeten wo onszelf en elkander eens enkele vragen voorleggen.
Hier geldt: „wij hebben gevonden
Achter vinden schuilt lichtelijk een zoeken weg. Deze discipelen zochten rust voor hunne zielen. Zij volgden den Heere maar. Waar Hij liep, waren ook hunne voeten.
Zijn onze gangen ook aldus?
Kan de Heere wel zijn, waar wij toeven? Heeft de Heere wel dezelfde plaatsen lief, waar gij u thuis gevoelt?
Wij leggen u de vraag slechts voor, antwoord behoeft ge ons niet te geven.
Als ge achter den Heere nog niet wandelt, weet dat uw pad dan geen levensweg heet. Dan wacht u aan het einde de dood. Vreeselijk, de dood. Als ge Christus niet vindt is er geen ontkomen. Hij is de weg. Ge kunt u nooit noemen naar een prediker, niet naar den allertrouwste. Ge moet den Heere Zelve hebben. Wie achter Heep aanloopt, wie in Zgn schaduw wandelt zal straks het licht zien, een heerlijk licht. Van Mozes.aangezicht lezen we da het glinsterde, zóó dat er een deksel op jnoest gelegd, maar het schijnsel van des Heeren aangezicht is enkel liefdeglans. Ge ziet het en het verbaast u, maar ge begeert steeds meer. Ge wilt wel bij Hem wonen dadelijk wel. „In Uwe gemeenschap Heere is het mij het allerzoetste."
Andreas en Johannes kouden toen nog weinig vertellen, ze wisten nog zoo goed als niets, maar wat ze wisten was genoeg: „we hebben gevonden."
Van een der oude Grieken wordt ons medegedeeld, dat toen hij een rnoeiiyk vraagstuk had opgelost waarnaar hij lange jaren had gezocht, dat hij in zijn blijdschap haast vergat zich te kleeden, hij liep zóó de straat op. Maar wat moet Gods volk dan wel doen? Het is de levenswet van alles wat leeft: zich vermenigvuldigen. Dit is een ingeschapen levenswet.
Zou het met het hoogste leven anders zijn? Zekerlijk niet. Hier is het „niet kunnen laten te vertellen:
Ik zal gedenken hoe voor dezen Ons de Heer' heeft gunst bewezen, 'k Zal de wondren gadeslaan Die Gij hebt van ouds gedaan.
De reizigers nit het Oosten vertellen, dit: als een karavaan door de wildernig trekt en een der kameelen heeft een bron geroken en hij ziet haar, alvorens nog te drinken, keert hij zich om en laat een luide schrei hooren, als wilde hij te kennen geven aan degenen, die achter hem aankomen: „hier is leven, kom." En deze weer op zijn beurt roept het den volgenden tegen „kom" tot de gansche woestijn als met ééne echo is gevuld „kom."
In deze klanken spitst zich dan ook het Evangelie toe. De Heere zeide „kom, " en de discipelen die Hem vonden riepen het de hunnen tegemoet „kom." En zoo zal het door gaan tot de laatste van Gods kinderen het heeft opgevangen en het wederwoord wordt gefluisterd „koin Heere Jezus, ja kom haastelijk."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's