Stichtelijke overdenking.
Wat zal toch dit Kindeken wezen ? Lukas 1 : 66b.
Een antwoord op een onbeantwoorde vraag.
Deze vraag werd in letterlijken zin gedaan met het oog op Johannes den Dooper, het kind van Zacharias en Elisabeth.
Wat zou dat kindeken wezen ? Immers uitwendig scheen dat kind een kind als, ieder ander te zijn. Dan was er gansch geen verschil tusschen dit kind en de andere kinderen, die in die dagen het Ievenslicht zagen. En toch waren voor en na de geboorte van dat kind zulke ongewone dingen gebeurd. Bij de aan-Ifondiging zijner geboorte was zijn vader 3tom geworden en acht dagen na zijn geboorte was zijn vader uitgebroken in aanbidding en dankzegging en had hij in zielsverrukking gezongen: o dierbaar kind, o stof van vreugd, geschenk van 't Alvermogen, elk noem' u Gods profeet en geev' u eer, gij treedt voor 't aanschijn van den Heer', en baant Zijn weg door leven en door leer.
Was het wonder dat de vraag rees of dat kindeken soms anders dan gewoon zou wezen? Had de Heere dan iets bijzonders voor met het kind van Zacharias en Elisabeth? O daar waren er velen die die vraag wel stellen, maar niet beantwoorden konden. Daar waren er velen die maar niet begrijpen konden waarom dat kind een wonderkind was.
Maar daar zullen er ook geweest zijn die daar wel iets van verstonden en in de eerste plaats waren dat Zacharias en Elisabeth, die immers beiden getuigd hadden dat, niettegenstaande niemand in hun maagschap met dien naam genoemd werd, toch zijn naam Johannes nicest zijn, Johannes, de Heere is genadig. Dat toch zou de boodschap wezen die straks door dat kindeken verkondigd zou worden. Zijn gansche leven door zou daarvan een levend getuigenis zijn, omdat hij zou wijzen op het Lam Gods, dat de zonden der wereld zou wegnemen. En niet alleen Zacharias en Elisabeth, maar zoo zullen er ook nog wel anderen geweest zijn die de verlossing in Israël verwachtten en die met het oog des geloofs in dezen kleinen Johannes iets bijzonders hebben gezien.
Neen, uitwendig is er aan dat kindeken niets bijzonders geweest. En ook moeten we niet meenen dat zelfs Zacharias en Elisabeth door het geloof alles hebben geweten wat er in de toekomst met hun kind gebeuren zou. En dat is ook maar gelukkig geweest. Ook daarin zien we Gods wijsheid weer schitteren dat Hq althans een groot. gedeelte van het toekomstig lot van hun kind ook voor deze ouders verborgen lieeft gehouden. Immers waar zou de blijdschap van Zacherias Elisabeth zijn gebleven, als het hun van den beginne geopenbaard was dat het bloedende hoofd van hun kind eenmaal door een lichtzinnige dochter tot haar goddelooze en bloeddorstige moeder gedragen zou worden? Nietwaar, gelukkig dat Elisabeth dat nooit heeft geweten en dat Zacharias dat nimmer heeft vermoed. Maar bij al wat ze niet wisten, wisten zij op de vraag: wat zal toch dit kindeken wezen, in ieder geval dit antwoord te geven dat hij als kind des gebeds een toonbeeld van Gods rijke genade zou zijn.
Wat zal toch dit Kindeken wezen? Dat was een vraag die oorspronkelijk gedaan werd met het oog op Johannes den Dooper. Maar diezelfde vraag kan herhaald omtrent het Kindeken van Maria, bij hetwelk het achter ons liggende Kerstfeest ons weer bij vernieuwing bepalen kwam. Ook van dat Kindeken immers gold het dat het in menig opzicht van andere kinderen niet onderscheiden was. Integendeel op gewone wijze was ook dit Kind uit zijn moeder geboren. Wanneer er nog onderscheid moest gemaakt, dan kon het alléén dit wezen, dat het onder zulke armelijke omstandigheden het levenslicht zag als zeker weinige kinderen het eerste levenslicht aanschouwen. Geen plaats in de herberg en daarom in doeken gewonden en in de kribbe nedergelegd. En toch waren ook aan de geboorte van dit Kindeken buitengewone dingen voorafgegaan en niet minder waren er buitengewone dingen op gevolgd. Zijn moeder toch was met het bezoek van een engel verwaardigd geworden en niet alleen aan haar, maar ook aan haar ondertrouwden man was het gezegd dat men Zijn naam Jezus zou heeten, en aanstonds na Zijn geboorte hadden de velden van Bethlehem weerklonken van het gezang der engelen: eere zij God in hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.
Was het wonder dat ook bij dit Kindeken de vraag kon rijzen of het soms iets anders dan een gewoon Kindeken zou zijn. En o, evenals bij de wieg van Johannes, waren er velen aan de kribbe van Jezus, die die vraag wel stellen, maar niet beantwoorden konden. Daar waren er velen die niets verstonden van de groote blijdschap die de engel in den Kerstnacht aan de herders verkondigd had; en daar waren er velen die niets gezien hadden van de heerlijkheid van de ster der verlossing die in het Oosten was opgegaan. Maar daar waren ook anderen die daar wel iets van verstaan en die daar wel iets van gezien hadden, In de eerste plaats denken we natuurlek aan Maria en Jozef, Inzonderheid aan Maria, die voor de geboorte van dat Kindeken reeds zoo schoon had gezongen van de groote dingen aan haar gedaan, van de barmhartigheid des Heeren, die was van geslacht tot geslacht, van het opnemen van Israel Zijnen knecht en van het gedachtig zijn aan het verbond dat de Heere met Abraham opgericht had. Maar verder denken we aan de herders, aan de wijzen uit het Oosten, aan Simeon en Anns^, die immers met het oog des geloofs allen iets van de heerlqkheid van dit Kindeken hebben aanschouwd. Iets van wat dit Kindeken zou wezen hebben zij geweten en bij Geesteslicht mogen verstaan.
Zeker, ook te dien opzichte heeft de Heere van te voren niet alles geopenbaard. En ook daarin schittert weer do wijsheid des Heeren dat Hij in menig opzicht ook over de toekomst van het Kind Jezus een dichten sluier heeft laten hangen. Of denkt gij ook niet dat het Maria's blijdschap veelszins getemperd zou hebben, als de Heere haar nu reeds had doen zien dat Hoofd vol bloed en wonden dat daar straks zou hangen aan het vloekhout der schande?
O, wat zou het voor deze moeder geweest zijn als zij tevoren geweten had al het nameloos lijden dat over dezen Zoon gebracht zou worden! Zeker, iets heeft Simeon er van voorspeld, als hij straks sprak over het zwaard, dat door haar zelfs ziel zou gaan, opdat de gedachten uit veler harten geopenbaard zouden worden. Doch waartoe zou de gansche lijdensweg van haar kind haar nu reeds geteekend zijn? Maar bij al wat zij niet wist, wist zij één ding toch wèl. En dat wist niet alleen zij, maar dat wisten Elizabeth en Zacharias ook, dat wisten de herders en de wijzen ook, dat wisten Simeon en Anna ook, ja dat wisten allen wier oog er door Geesteslicht voor ontsloten was geworden: Hij zou zijn een Licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Zijn volk Israel. Hiij zou de bevestiging wezen van het lied dat de dichter van den ouden dag reeds had gezongen:
Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad Zoo lang de hemel zelf op vaste pijlers staat.
Wat zal toch dit Kindeken wezen ? Dat was de vraag die oorspronkelijk gedaan werd met het oog op het kind dat Elizabeth had voortgebracht. Dat was de vraag die ook gedaan kan worden en zeker ook meermalen gedaan is met betrekking tot het Kind, dat op zoo wonder volle wijze uit Maria was voortgekomen
Maar deze vraag kan verder ook gedaan worden met het oog op alle kinderen, inzonderheid met het oog op het zaad der Christelijke gemeente, dat in den Heiligen Doop het teeken en zegel des Verbonds aan het voorhoofd ontving. Nietwaar ouders, als God u het hooge voorrecht gaf kinderen te hebben, kinderen die naar Gods eigen getuigenis een erfdeel des Heeren zijn, en als die kinderen dan leven mogen onder den band des Verbonds, dan is het wel eens de vraag waarmee uw ziel zich kan bezighouden : Wat zal toch dit Kindeken wezen? Wanneer een moeder zoo mag zitten aan de wieg van haar kroost of als een vader zijn kind wel eens in de armen neemt, dan is dit onwillekeurig de gedachte die daar in het hart van zulk een vader of zulk een moeder gevonden wordt. Wat zal er van het kindeken worden, straks als gij er misschien zelf niet meer voor zorgen kunt, straks als het de kinderschoenen ontwassen zal zijn, straks als het onder uw ouder vleugelen vandaan is gega; an, straks als het op eigen wieken zal moeten drijven en op eigen beenen zal moeten staan ? Wat zal dan dat kindeken wezen ? Zal het dan een kind zijn dat zijn schreden zal zetten op den weg des verderfs, of zal het een kind wezen dat door genade zijne voeten zal richten op den weg des behouds? Zal het een kind zijn dat voortholt op den weg der zonde of zal het een kind wezen in wien door Gods genade een keuze tot den liefdedienst des Heeren rijpt ? ,
En zoo zijn er zoovele vragen te doen, hiermee in het allernauwste verband, vragen niet slechts met het oog op het eeuwig wel of wee van uw kind, maar ook vragen die van het allergrootste gewicht zijn voor dit vaak moeitevolle leven, waardoor ook uw kind zich een weg banen moet. En dan is er inzonderheid in de moeitevolle en kommervolle dagen die wij tegenwoordig beleven zooveel oorzaak om de vraag wat zal toch dit kindeken wezen, ook op uwe kinderen toe te passen. Immers de tijden die wij beleven zijn niet het minst ernstig voor de kinderen die van Gods wege aan uwe zorge toevertrouwd zijn. O. neen, zelve beseffen zij dat wellicht nog niet, maar het is een tijd waarin Satan uitgaat om zijne netten inzonderheid voor de kinderen der gemeente te spannen en eer zij het weten hebben zij hunne voeten gestoken in de strikken die tot hun verderf uitgezet zijn. En bovendien, wanneer straks de tijden nog ernstiger en nog donkerder worden, wanneer gij zelf misschien reeds langer of korter van "de aarde zult heengegaan zijn en in het kille graf geborgen zult wezen, dan zullen hier op aarde in den machtigen strijd der geesten uwe kinderen de hitte des daags en de koude des nachts te dragen hebben.
En daarom is dit maar de groote vraag of gij reeds een antwoord hebt op de vraag : wat zal toch mijn kindeken zijn ?
Neen, op die vraag zult gij nooit een volledig antwoord ontvangen. Immers ook de toekomst uwer kinderen ligt in des Heeren hand. En het is zeker goed dat God ook voor die toekomst een gordijn heeft geschoven, dat gij niet oplichten kunt. Want o, wat zouden u misschien de haren ten berge rijzen, als de Heere u eens zien liet hoe ook de weg voor uw nu misschien nog lachende en blozende kinderen een bittere weg van bloed en tranen, een diepe weg van rouw en smarten zal zijn. Dus als gij vraagt wat zal toch mijn kindeken wezen, dan moet gij en dan moogt gij niet verwachten dat de Heere u den weg uwer kinderen tot in bijzonderheden voor oogen zal stellen. Maar weet ge wat nu bij het licht des Geestes mogelijk is ? Dat gij in uw kind iets ziet van wat Zacharias zag in het zijne en van wat Maria zag in het hare, n.l. dat de Heere genadig is, dat er een Zaligmaker en een Verlosser is die ook kinderen heeft tot zich geroepen. Neen, in uw kinderen zélf zult gij nooit iets bijzonders aanschouwen. Gij moet nooit denken dat uw kind, omdat het een kind van u is, beter dan dat van eon ander zou zijn; zeker het zou kunnen wezen dat het karaktereigenschappen bezit die een ander kind mist, maar dan zal het omgekeerd ook weer eigenschappen missen die een ander bezit. Doch nooit moogt gij meenen dat uw kind om eenigerlei reden, dus ook niet omdat het gedoopt is, beter of liever of vromer dan een ander zou zijn. Immers voor God dan ligt uw kind evengoed verloren als een ieder ander en zoomin uw kind als dat van een ander zal uit of van zich zelf den Heere ooit behagelijk zijn.
Maar nu is dit zoo'n voorrecht als gij met het oog des geloofs in uw kind iets van het werk van het Kind Jezus moogt zien; als gij in uw kind moogt speuren een toevlucht zoeken onder de vleugelen van Hem die het gezegd heeft: laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet, want hunner is het Koninkrijk Gods. Ja, gelukkig als gij op de vraag: wat zal toch mijn kindeken wezep, dit antwoord moogt geven: mijn kindeken is door genade een kind des gebeds en daarom zal het ook een kind der belofte, een kind des geloofs en dies een kind des Heeren zijn.
Wat zal toch dit Kindeken wezen?
Dat was een vraag die eerst betrekking had op het kind van Zacharias, daarna op het Kind van Maria, daarna op het kind der gemeente, maar deze vraag kan nu tenslotte ook toegepast worden op het kind van God.
Immers dat is niet vreemd dat Gods volk vaak met kinderen vergeleken wordt en dat zij niet zelden kinderkens worden genoemd. Als kinderen toch zijn zij geboren, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad. Als kinderen worden zij gevoed, niet aanstonds met vaste spijs, maar eerst met melk, opdat er een opwassen in de kennis en een toenemen in 'de genade zal zijn. Bovendien is er ook in de karakters en in het zich voordoen der kinderen vaak heel wat verschil. Voor de ouders zijn zij natuurlijk allen gelijk, althans dat behoort zoo te zijn, maar voor een ander dan is het éene kind heel wat lieftalliger en aantrekkelijker dan het ander. En ook dat kan op Gods geestelijke kinderen worden overgebracht. Voor den Heere zijn Zijne kinderen natuurlijk in dien zin allen gelijk, want de Heere heeft er niet éen genomen omdat zij zoo lief waren, maar Hij heeft ze allen uitverkoren naar Zijn vrij machtig welbehagen. Maar voor de menschen, dan is er tusschen Gods kinderen niet zelden een groot verschil. Dan zijn er die aantrekken, voor wie ook zelfs het kind der wereld eerbied gevoelt, maar er zijn er ook die afstooten.
Maar genoeg, gij gevoelt nu wel waarom daarvan kinderen en soms van kinderkens Gods gesproken kan worden. Immers daar zijn ook onder Gods kinderen grooten en kleinen. En nu zijn het natuurlijk met name de laatsten op wien de vraag : wat zal toch dit kindeken wezen, niet zelden van toepassing is. Ja deze vraag kan inzonderheid gedaan door hem die nog maar kort op den weg des levens geleid is geworden. Want ach, 'als zulk een ziet op zichzelf, dan moet hiij van zichzelf getuigen dat hij gansch niet onderscheiden is van andere menschen. Integendeel, inplaats van beter komt het hem voor dat hij nog veel slechter dan anderen is; inplaats van vomer en rijker heeft hij zich in den weg der ontdekking leeren kennen als een die veel goddeloozer en armer is dan anderen. En toch kan hij niet ontkennen dat er iets wonderlijks met hem heeft plaatsgehad, dat, zij het dan oók niet door een engel, het Woord des Heeren tot hem is gekomen en dat dat Woord hem op de ziel is gebonden, zoodat hij heeft leeren vragen naar God en Zijn dienst, waar hij vroeger nooit naar gevraagd zou hebben.
Maar wat zal nu dit kindeken wezen ? M. a. w. wat zal er van hem worden. Wat zal er van hem terecht komen? Eu ziet op die vraag weet de natuurlyke mensch geen ander antwoord te geven dan dit: er komt niets van terecht. Maar als die vraag nu niet een vraag van de natuur, maar een vrucht van genade mag zijn, als die vraag dus door den Heiligen Geest zelf in ons hart is gelegd, dan, o zeker, dan zeggen we eenerzijds ook, voorzoover de natuur aan het woord is: daar komt niets van terecht, ik zal nog éene der dagen in de hand van den vijand omkomen. Maar dan zeggen we aan den anderen kant toch, voorzoover de genade aan het woord is: ja zeker, daar komt van dat kindeken wel iets terecht, want: ik zal door 'svijands zwaard niet sterven, maar leven en des Heeren daan, waardoor wij zooveel heils verwerven, elk tot Zijn eer doen gadeslaan. Dan verstaan we dat dat kindeken nooit iets wordt in zichzelf, maar dat het alles «al wezen in Hem die het van dood heeft levend gemaakt en die het uit de duisternis heeft getrokken om het overte«etten in Zijn wonderbaar Licht.
En wel weten we dan niet alles in bijzonderheden wat aan dat nieuwgeboren kindeken overkomen zal. En dat is raaar goed ook dat de Heere Zijn volk niet alle verdrukkingen van te voren Iaat zien en niet alle wederwaardigheden en rampen van te voren laat kennen. Maar bij al wat wij niet weten, weet een iegelijk die gelooft dit toch wel, dat de Ueere de Getrouwe is. Wiens trouw door al de ontrouw van Zijn volk niet vernietigd kan worden.
O, gelukkig als wij op de vraag, wat zal toch dit kindeken wezen, niet alleen met het oog op het kindeken van Zacharias en niet alleen met het oog op het Kindeken van Maria, maar ook met het oog op ons en onze kinderkens dit antwoord mogen geven: Heere, dit kindekeu is een spruit Uwer plantingen en een werk Uwer handen en daarom zal dit kindeken ook behooren tot het zaad dat de Heere gezegend heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's