Uit den Schoolstrijd.
Zagen we in ons vorig artikel .(zie „Waarheidsvriend" van 4 Jan. j.l.) dat onze vaderen de school beschouwden als een voorportaal van de Kerk, één der kostelijkste middelen tot voortplanting der Gereformeerde religie, dit sluit volstrekt niet in, dat ze het maatschappelijk onderwijs, „de sprake en de vrije consten" verwaarloosden. Integendeel, reeds toen Prins Willem I de hoofdleiding van 's lands zaken in handen kreeg, vaardigde hij een ordonnantie uit, waarbij bepaald werd, dat niemand onderwijs mocht geven, die geen voldoend examen voor de magistraten had afgelegd. Werd door dezen maatregel het personeel der scholen reeds veel verbeterd, ook de Dordtsche Synode toonde een open oog te hebben voor de bevordering van het maatschappelijk onderwijs. In de 177ste zitting toch besloot zij den Staten Generaal te vragen/ftïï «en algemeene sehoolorde, opgesteld door geleerde mannen, waardoor de gebreken, die men doorgaans in de scholen bespeurde, werden verbeterd en zooveel mogelijk eenheid gebracht in het onderwijs. Tevens drong deze hooge kerkvergadering er bij de regenten op aan, dat de onderwijzers voldoende gesalarieerd werden, opdat bekwame en ijverige mannen voor de school mochten gewonnen worden.
Wie schoolmeester wenschte te worden wendde zich tot de overheid om te worden geëxamineerd. De eischen, waaraan zij moesten voldoen, werden omschreven in het schoolreglement voor de steden en het platteland, staande onder de Generaliteit.
Geëischt werd, dat de onderwijzer
Ie. alle gedrukte boeken en geschreven brieven prompt kon lezen;
2e, een goede hand schreef;
3e. de Psalmen Davids bekwamelijk kon zingen;
4e. „ter nooddruft" kon rekenen;
5e. een goede methode had, om de jeugd ten spoedigste te leeren.
Wie zich in deze zaken bekwaam genoeg gevoelde, wendde zich tot de overheid, om te worden geëxamineerd en kreeg bij gunstigen uitslag een acte van toelating.
Met deze acte gewapend kon men overal in de provincie tot schoolmeester worden aangesteld; maar alvorens de betrekking te aanvaarden moest men zich bij het Classicaal bestuur aanmelden voor het onderzoek naar de ervarenheid in „de Fondamenten van de Christelijk Gereformeerde Religie en om dezelve den discipelen te konnen doceeren", want daar men het schoolmeester zijn als een „Godlijck ampt" beschouwde, mocht het door geen ongodsdienstig of onbekwaam persoon ontsierd worden.
Wat de gebouwen betreft, rustte te plattelande op de dorpsoverheid de verplichting het schoolgebouw en „wat voorts daartoe gherequireert werd te bestellen en te onderhouden". Bleven de plaatselijke autoriteiten in gebreke of kweten zij zich onvoldoende van de hun opgedragen taak, dan werd daarin door de Generaliteit op hun kosten voorzien.
Uitwendig onderscheidden de scholen zich van de andere gebouwen alleen hierdoor, dat men in groote letters boven den ingang kon lezen: „School; hier onderwijst men de kijeren". Soms hing achter glas een „caerte of monster", waarop de meester met sierlijke krullen een schoonschrift, een bijbelspreuk of eenige dichtregelen geschreven had. Er waren er zelfs, die een schilderstuk voor hun school ten toon stelden. Zoo zag men voor één der scholen de beeltenis van Jona met het onderschrift:
„Toen de walvis Jonas uitspoog, ging hij te Ninevé preken en leeren; „Hier leert men de kinderen de gebeden, de vragen van buiten en gaat catechiseeren",
„Wat tot de scholen gherequireert werd" was niet veel bijzonders: Eene catheder voor den meester en eenige lage banken voor de kinderen, terwijl in enkele stadsscholen nog een groote tafel werd aangetroffen met losse banken voor de schrijvers. Schoolborden waren er niet en kasten ter berging van de boeken evenmin. De onderwijzer legde de zijne op een plank, die boven zijn zetel aan den muur was aangebracht en waar op hij ook zijn inktkruik plaatste. De leerlingen borgen de hunne in schrijfborden, die aan spijkers aan den wand werden opgehangen. Platen of wandkaarten zocht men er tevergeefs. Wel hing in iedere school een „Artyckelbrief of ordonnantie op diligentie en correctie", opdat ieder leerling tot in de minste bijzonderheden zijn rechten en plichten zou kennen en vooruit wist, met welke straf voorkomende overtredingen moeaten worden geboet.
De onderwper hield het oog op de goede zeden en manieren der kinderen on zorgde voor orde on notlicid zoowel in als buiten de school.
Ook waakte hij tegen het vloeken en het misbruiken van den Naam des Heeren zijner leerlingen ; dat ze zedig en bescheiden waren, geregeld huiswaarts keerden en eerbiedig waren jegens „ouders, overheden, predikanten, meesters en alle eerlijke lieden, bijzonder, die in Officie, en Staat zijn".
De morgen schooltyd duurde van 8—11 en de middagschooltijd van 1—4 uur. Woensdag-en Zaterdagmiddag was er op alle scholen vacantie, daar men de jeugd dan gelegenheid wilde geven om te spelen „en daardoor een nieuwe geest en sterckte te krijgen tot leeren".
De school begon met gebed. Daarna werden de absenten opgenomen, om straks bij de ouders naar de reden van het verzuim te informeeren. Teder kon nu aan zijn werk beginnen; spellers, lezers, schrijvers en rekenaars, allen vingen aan, waar zij den vorigen dag gebleven waren. De meester zat in den catheder met den hoed op het hoofd en ook de leerlingen hielden, naar de gewoonte van dien tijd, de muts of den hoed op. Beurtelings verliet ieder zijn plaats om zich met boek, lei of schrift naar den zetel van den schoolmonarch te begeven en de les op te zeggen en zijn werk te loonen.
Bij reglement was voorgeschreven, dat ieder scholier twee beurten moest hebben, één om overhoord te worden en één om te toonen. Dit voorschrift diende om te voorkomen, dat de onderwijzer zich te veel bezig hield met leerlingen, „die bij het boek" betaalden, waardoor de anderen schade zouden lijden.
Steeds stonden er twee voor den lessenaar : één waarmee de meester bezig was, en één die zijn beurt afwachtte, en deze twee waren in de school de eenigen met ongedekten hoofde; want, zei Valcoogh, „wie zijn hoed niet afneemt voor een man van eeren, die zal twee plakken hebben".
Onder de verschillende leervakken stonden lezen en schrijven bovenaan. Vooral 't lezen kostte den kleinen Veel hoofdbrekens. De mede-klinkers toch werden uitgesproken, zooals ze in het alphabet gehoord worden en hierdoor leverde de verbinding der letters de grootste moeilijkheden op. Moest een leerling b.v, het woordje „maar" spellen, dan hoorde men : em—aa—er maar; of, wat nog erger was, emme—aa—err« maar. Doch reeds in 't begin der 17e eeuw liet men deze uitgangen weg en heette het:
„'tGebruyk dezer staerten iswaerdigh misprezen, want 't hangt de kinderen aan, als sy willen leezen".
En of men nu het Haneboek, de Letterkonst Of de Trap der Jeugd gebruikte, het aanvankelijk lezen bleef een lastige kunst en rechtvaardigde ten volle de klacht van een toenmaligen onderwijzer:
„Dat spellen is zoo moeilijk, hoe men de letters moeten schiften en verdeelen, de vocalen (klinkers) hierheen, de consonanten (mede-klinkers) daarheen; en dan nog meteen bedenken, hoe de letters heeten, dat moet voortgaen als een die looden voeten heeft, of so men zegt, als een luis op een teerighe huyt".
Als - tweede leervak mogen we voor alle scholen gerust het schrijven noemen. Overbekend is het, dat de oude schoolmeesters yverige beoefenaars waren van de edele pennekonst, en meestal zeer bedreven bleken in het trekken van prachtig versierde krulletters. Velen hunner besteedden een groot deel van hun vrijen tijd aan schrijf-en ander pennewerk. Zoo teekende zekere Maronier in één trek met de pen een schip met mast, raas, zeilen, enz. Een bewonderend tijdgenoot zegt van hem:
„Konstig schrijver Maronier Zoo op doek als op papier Met een onnavolgbren zwier Men bekroon' hem met Laurier!"
Bij hun voorliefde voor dit leervak is het niet te verwonderen, dat de onderwijzers de ouders voortdurend aanspoorden, om hun kinderen vooral te laten onderwijzen „in den Pennen Secreten". En dat ook de overheid bijzonder groote waarde aan goed schrijfonderwijs hechtte, blijkt b.v, uit de verplichting, die den onderwijzers werd opgelegd, om op vaste tijden om een prijs te laten schrijven.
Naast lezen en schrijven werd op vele scholen ook rekenen onderwezen. Wel waren er, vooral ten plattenlande, scholen, waar men zich bepaalde tot lezen en schrijven, doch de oorzaak hiervan lag dikwijls meer in de onbekwaamheid van den onderwijzer, dan dat dit onderwijs door de ouders niet begeerd werd. Onze vaderen waren te goede kooplieden, om niet te gevoelen, dat rekenen voor hen en hun kinderen broodnoodig was. Daar we echter slechts terloops iets willen zeggen van de school vóór 1798, kunnen we niet verder nagaan, hoe het gesteld was met het onderwijs als middel om nuttige kennis bij te brengen, doch willen een volgende maal alleen nog zien, wat men in de 17e eeuw van de school verwachtte voor de zedelyke opvoeding,
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's