Stichtelijke overdenking.
Maar zoovelen Hem aangenomen hebben , dien heeft Hij maclit gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijnen naam gelooven. Joh, 1:12.
Groot privilegie.
De Heere weet machtig in te grijpen in de verwarringen der zonde en het middel ter verzoening te beschikken. Dit recht te mogen zien vervult met aanbiddende verbaasdheid en heilige blijmoedligheid; dit te zien geeft in dagen van „afgesnedene hoop" nochtans moed op Hem, die telkens een afgesnedene zaak doet.
Er is — en terecht — gesproken van een Oceaan van rechtvaardige liefde, waarin bergen van schuld wegkomen. Want bergen van oude en groote schuld verzoent de Heere in het dierbaar bloed van Zijnen eeniggeboren Zoon. Wel wandelt de lach der onnadenkendheid voort op paden der ijdelheid en wordt straks een lach van spotternij met Gods geheiineinssen; doch de Heere geeft nog genade Zijne „geheimen" te verstaan, en bij een geloovig inzicht in de algenoegzaamheid des Heeren, ook ter vervulling van dagelij ksche nieuwe zondaarsbehoelten, vervult Hij de ziele met sterkende vreugde in Zijn heil.
De schittering van Gods „edelgesteenten" trekt nog het oog en bekoort het haite van tollenaren en zondaren, die in genadig overdenken van 's Heeren wegen en wondereu, inzien welk een gepaste Heiland Jezus is en welk een hoog voorrecht het mag genoemd en geroemd een kind Gods te zijn, een aangenomen, een niet vorstooten (want dit ware recht!) kind te zijn.
Van dat voorrecht spreekt Johannes en spraken na. hem velen, immers ook wel onder de lezers van ons blad? Ook gij ?
De statuur des Konings en Zijne gangen in Majesteit worden door velen aanschouwd, maar Zijne hartsgeheimen worden meedegedeeld aan hen, die in Zijne vriendschap komen te deelen. Ja, Zijn verbond is er voor om hun die mede te delen.
.Johannes nu was de discipel, dien Jezus liefhad, en wie heeft ingezien als hij in de diepten Gods? Men vond het opmerkelijk, dat aan hem juist de Openbaringen waren gegeven, in 't laatste Bijbelboek bewaard, en eveneens, dat deze apostel het duidelijkst en diepst schreef over de heerlijkheid der GoddeIijke natuur van den mensch geworden Zone Gods,
't Is waar, de Heere handelt vaak als " ' wij, menschen, die onze kinderen een geheim in 't oor fluisteren en die er omheen staan weten het niet. Wereldsche menschen (en wijze menschen!) kunnen er meestal niet bij, dat een man, die God vreest, een eenvoudig mensch, een voorrecht heeft boven hen.
Ik hoor, dat Eliphaz nog altijd aan Job vraagt: Wat weet gij, 't welk wij niet weten? en het aanmatiging vindt, dat die menschen, die van wijsgeerige betoogen en wetenschappelijke resultaten (? ) zoo niets weten, maar doen alsof ze de wijsheid in pacht hebben. Er loopen vele wijze menschen de „poort der Wijsheid" voorbij en merken niet, dat anderen binnengeleid worden, en daar in Gods heiligdommen leeren verstaan, eenigermate althans, dingen waarvan zij geen kennis hebben.
De genadewerking des Heiligen Geestes, de fluisteringen Gods, zijn voor de wereld een raadsel, en daarin liggen nu juist de oplossing en de verklaring van het wonder, dat een eenvoudig volk, dat een oud-visscherman met zooveel beslistheid spreekt over de dingen Gods en der menschen.
Johannes getuigt van het Woord, dat vleesch geworden is. God uit God, licht en leven, dat gekomen is tot het Zijne doch door de Zijnen niet is aangenomen D. w. z. daar toonde Hij eerst Zijne heerlijkheid en maakte er Zich bekend, doch zij hebben de aangebodene verlossing veracht, en Hem als Zaligmaker niet erkend, niet als hun Koning gehuldigd, maar Hem smadelijk verworpen, als een onrein zuurdeeg in de dagen der ongehevelde brooden.
„Niet aangenomen", zegt de liefde zoo zacht, om hare smarte te bedekken. Wel zijn Hem toegekomen de nalezingen, gelijk in de afschudding des olijfbooms, twee of drie bezien in den top der opperste twijg; doch in breederen kring weigerden de Zijnen Hem aan te nemen. Zou Hij een Koning zijn zonder onderdanen ? Immers neen! Alzoo er in eiken tijd een overblijfsel der verkiezing is, zoo ook toen: want zoovelen Hem hebben aangenomen, heeft hij macht gegeven kinderen Gods te worden, nl. die in Zijnen Naam gelooven.
Gij zoudt een groote lijst kunnen maken van de weldaden, welke in Christus Jezus aan een arm volk geschonken worden. Onder die weldaden zoudt ge zeker niet vergeten te zetten: Groot privilegie van 't kindschap Gods.
Krachtens schepping was Adam, en was onzer in hem, de eere zonen en dochteren des Allerhoogsten te zijn; gij weet evenwel van de ontzettende geschiedenis, waardoor wij allen uit dien hoogen staat zijn uitgevallen en wij van nature kinderen des "toorns geworden zijn als al de anderen, kinderen der afwijking, der ongehoorzaamheid, des vloeks, en de Heere Jezus sprak: Gij zijt uit den vader den duivel enz. ,
En die vader, zonder vader hart, leerde ons de leugen lief te hebben. God te verloochenen (d. w. z. den waren levenden God, den God van Abraham, Izaak en Jacob) en vermaak te hebben in geveinsdheid en bedrog, doende de werken des duivels.
Hoe onze adelbrief in 't Paradijs verscheurd is en de adeldom van 't menschelijk geslacht vertreden ligt, heb ik voor u niet breeder te herinneren. Gij weet, hoe gedurige vreeze (want een slaaf is schuw) en schrik bij ontwaking des gevoelens van Gods gerechtigheid, onze armoede teekenen; hoe de gedachten des doods onrustig maken en 't besef van gemis van Gods gerechtigheid doet grijpen naar allerlei eigengerechtigheid en dwaasheid; dat onze wettige erfenis is „toorn als een schat" en 't eeuwig verderf voor 't aangezicht des Heeren, stemt gij toe.
En uit een geslacht van ingeborenen in 's vijands huis, uit door schuld bezwaarde vijanden, heeft de Heere kinderen aangenomen, welke Hij genade geeft in den tijd, nu deze, dan die, elk in zijne orde, opdat ze Christus zouden aannemen, om Wiens wille zij reeds aangenomen waren.
Hij geeft ze macht, Hij geeft ze gezag èn recht èn eere van de ingeborenen des huizes.
't Gebeurde, dat menschen als kinderen aannamen, die hun vreemd waren in bloed en genegenheid. Als Jacob Jozefs beide zonen plaats geeft in de rij zijner zonen, is dit uit veel hooger doel en leiding verklaarbaar. Maar 't geval van Mozes spreekt hier van oude gewoonte, waar dit kind van Amram en Jochebed . geacht werd een zoon van Pharao's dochter te zijn.
Bij de oude Romeinen ging zulk eene aanneming op tweeërlei manier, 'tzij door kooping, 'tzij door publieke beantwoording van vragen (door arrogantie). 't Eerste had plaats, als het aan te nemen kind minderjarig was; 't andere bij meerderjarigheid van den zoon of dochter, die overging in eene andere familie. Was het. kind minderjarig, dan kwam die vader, die afstand van zijn kind deed, nader en ontving een gestelde som gelds, en de vreemde nam 't kind bij de hand en de overheidspersoon sprak .dat kind behoort voorts aan dien anderen.
In 't tweede geval werd aan den meerderjarige gevraagd: Wilt gij overgaan in 't huis van^dien anderen ? Was deze vraag met ja beantwoord, dan verklaarde, in een plechtige vergadering, de overheidspersoon, dat deze persoon voortaan behoorde tot dat andere geslacht, en dus in de voorrechten deelde van dat huisgezin. Ik was bij zoo'n handeling niet gaarne tegenwoordig geweest. 'k Heb op catechisatie wel eens aan kinderen gevraagd of ze niet een anderen vader of moeder wenschten, maar nooit een ja gelezen in 't oog van 't kind; ook niet van het armste kind.
Maar nu kom ik terug op onzen tekst. Dan heb ik mij ook verblijd, als ik merken mocht: Hier is genadige begeerte om het oude huis te verlaten en den vader, die geen vader is, maar een tyran, en daartegenover Hem te begeeren en Zijn huis, die een hart heeft voor al Zijne kinderen, en onder Zijne aangenomen kinderen geen verwaarloosd kind heeft; zij mogen wonden hebben die op vroegere verwaarloozing terugwijzen, die tweede Vader kent hunne wonden en Hij geneest ze liefderijk.
Die aanneming tot kinderen geeft macht, recht, waardigheid voor een arm volk, dat Christus komt aan te nemen, d. i. die oprechtelijk in Hem gelooft.
Uit dat verloren kindschap in Adam sproten vele oordeelen; maar dit onverliesbaar kindschap in Christus heeft zooveel heerlijker voorrechten, te heerlijker naarmate hun positie in 's vijands huis ellendiger was.
Hy houdt zich niet als een vreemde maar bestraft ze teeder en troost ge daarna, ons wonderlijk. En zij, zij mogen met en Heere in 't verborgen raadplegen en als een kind aan moeder, aan Hem hunne geheimen en al hunne vreeze mededeelen.
Die kinderen genieten juist in onderhandeling met den Vader, bijwijlen, groote vrijmoedigheid in nood en gebrek om op Hem te hopen en bekomen de verzekering, dat hunne verzoeken ingewilligd worden, al is het blij bericht voorloopig in de verruiming des gemoeds, in de ontlasting der ziele, al blijven de uiterlijke omstandigheden gelijk.
'k Lees, dat de beste soldaten in de w hooglanden der beproeving worden geoefend, en ook dat daar hoog in de bergen de alpenroos en het edelweis groeit.
De kinderen in dat Huis hebben wel moeilijke, doch zalige wegen , ... in het einde. Zij leven bij Gods distributie, en op hun broodkaart staat bovenaan : „Uw. brood zal zeker en uw water gewis zijn." Naar de mate des geloofs zingen ze soms in verdrukking, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt (Rom. 5).
Uit zwakheid krachten verkrijgen is de uitnemende regel in dit huis. Mogen de kinderen dit recht bezien en daarvan gebruik maken, dan zijn ze midden in de armoede de wereld te rijk .
Vroege bedeelingen Gods, oude ervaringen en eeuwige waarheid spreken het uit, dat. de Heere niet vergeet genadig te zijn. Hij leidde Zijn volk door de engten des levens, maakt dat de grenswachters vlieden moeten; Hij brengt ze eindelijk door de vijandelijke slagorden heen, veilig achter 's vijands front.
Die aangenomen kinderen zijn er bij komen te staan als die minderjarigen, gekocht voor een duren prijs en bij de hand genomen door den Heere hunnen God, en tevens als die meerderjarigen, die, hoe het ook sta, toch de toestemming gaven en zeiden: ik begeer van huis te veranderen, och! Heere, neem ook mij, oude vijand, gewond, ja bloedende uit vele wonden, neem ook mig op en zet mij, de minste van alle, onder Uwe kinderen. Vrijwillige toestemming, kinderlijke liefde, gedurig toevlucht nemen tot den Heere en schuilen in Zijne gerechtigheid, blijven merkteekenen van al die kinderen, die niet groot willen worden, doch klein blijven en telkens zeggen moeten: O! Vader, maak mij klein en houd mij klein, en laat ik U alleen als groot erkennen en ondervinden, dat het geringste plaatsje in Uw huis beter is dan eereplaatsen in een wereld, die haast voorbijgaat.
Augustinus vroeg eens: O! Heere, bewijst Gij Uwen kinderen'zooveel liefde en goedheid in de gevangenis der aarde, wat zult Gij hun doen in Uw Paleis?
Met deze vraag van heilige verwondering, waarop de eeuwigheid 't antwoord heeft, sluit ik deze regelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's