De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

23 minuten leestijd

De Kerk en het Woord Gods. II.

Naar het algemeen bevel des Heeren: Predikt het Evangelie allen creaturen", daarbij door bizondere roeping afgezonderd, ging Paulus van plaats tot plaats om op Cyprus, in Kl.-Azie, Griekenland en straks ook in Rome het Woord Gods bekend te maken, niets anders wetende dan de boodschap des heils in Jezus den Gekruiste geopenbaard, uitleggende de Schriften die van Hem getuigen. En overal ontstonden gemeenten, zoowel te Jeruzalem en Antiochie, alsook in Lystre, Derbe, Corinthe, Efeze, Filippi, Coloase, Rome, enz., welke gemeenten zich yereenigden met de leer der Apostelen (Hand. 1:14) en voor goed kwamen te staan in de plaats van de synagogen der Joden, waar men de Schriften verwierp en den Christus verachtte.

In die gemeenten, overigens zoo onderscheiden, treffen we éénheid in belijden en gemeenschappelijk erkennen van dezelfde waarheid, waaraan de bloei van de gemeente en de welstand der geloovigen ten nauwste verbonden is. Waarom het zoo droevig stemt als al spoedig te bemerken valt, dat „het goud verdonkerd is en het goede fijne goud zoo veranderd" (Jer. 4:1). Let maar eens op de zeven Gemeenten in Kl.-Azië, waarvan de verhoogde Heiland, die tusschen de zeven gouden kandelaren wandelt en van Zqne Gemeenten op aarde alles ziet en weet, ons Zelf de geschiedenis beschrijft in het laatste Bijbelboek. Wordt ons daarbij niet, bizonder van vijf van de zeven Gemeenten, gezegd, dat men is afgeweken van den zuiveren weg naar Gods Woord, dat men heeft toegegeven aan valsche leeringen, dat men gevangen zit in de strikken van den Satan en dat het op die manier' zekerlijk verkeerd zal afloopen, tenzij men zich bekeert? Ernstig staat daar de Heiland, met een tweesnijdend scherp zwaard, gereed om af te snijden en te dooden en uit te werpen. Maar ook liefdevol roept en vermaant Hij: Keert weder, gij afkeerige kinderen en Ik zal Uwe afkeering genezen en gij zult Mq vreezen."

Er ligt een toekomst, een sehoone, heerlijke toekomst voor de'gemeenten, indien men houdt wat men heeft, indien men staat als een pilaar en vastigheid der waarheid Maar men zal eindigen in diepe ellend en groote schande, indien men de • leugen niet haat, de valsche leeringen niet verwerpt, de zonden niöt uitbant, indien men lauw en flauw daarhenen leeft en alles toelaat; dan zal de Koning der Kerk haastig komen en aal uitroeien wat zich Zijn Gemeente nomit, doch Zijn Gemeente niet is.

Dat stuk Kerkgeschiedenis in Gods Wöord ons bewaard dienen we wel goed in gedachtenis te houden, 't Is toch door den Heiland Zelf geschreven en de regelen daarin voorgesteld zyn goddelqke regelen, waartegen we niet straffeloos sullen zondigen en die niet anders dan tot groole schade kuuneu vergefèn worden.

Of zegt de Heiland niet goedkeurend van de Gemeente van Efeze: , .... dat gij beproefd hebt degenen, die uitgaven, dat zij Apostelen zijn en zij zijn het niet, en hebt ze leugenaars bevonden"? En vervolgens: „Maar Ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten." „Bekeert u en doet de eerste werken." „Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nicolaïeten haat, welke Ik ook haat."

In Efeze gaat het dus betrekkelijk goed, evenwel is de eerste liefde aan 't verkouden.

In Smyrna, de tweede Gemeente, gaat het beier. Niet wat het aardsche betreft, maar wat het geestelijke aangaat. Arm naar de wereld, vele verdrukkingen lijdend, doch daarbij getrouw in het werk des Heeren, waarbij de Heiland hen — tegenover de lasteringen dergenen, die zeggen dat zij Joden zijn, maar een synagoge des satans moeten worden genoemd —-bemoedigend toespreekt en zegt: „Zijt getrouw tot den dood en Ik zal u geven de kroon des levens."

Dan volgt de derde gemeente, Pérgamun, wonende waar »de troon des satans is" en de booze dus met macht heerschapp^' voert. Daar zegt de Heiland: „Ik weet uwe werj^en, gij houdt Mijnen Naam en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in de bange dagen van vervolging niet — maar Ik heb eenige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de leering van Balaam houden; akoo hebt ook gij, die de leering der Nicolaïeten houden, hetwelk Ik haat. Bekeert u; en zoo niet, Ik zal u haastiglijk bijkomen en zal tegen hen krijg-voeren met het zwaard Mijns monds."

Van Thyatire — bekend door Lydia, de purperverkoopster te Pilippi, wier hart de Heere geopend heeft, dat zij acht nam op het woord van Paulus — wordt de liefde der Gemeente geprezen, omdat hare laatste werken meer zijn dan de eerste; maar de Heiland laat "het niet aan waarschuwing ontbreken, omdat zij niet krachtig genoeg opkwam tegen Nicolaïetische dwalingen en zonden. Ook al schiynt hier de afwijking meer in 't verborgen te zijn, de Zone Gods, die Zijji oogen heeft als eene vlamme vuurs, ziet en weet het toch en Hy waarschuwt, dat men zich niet zal laten afvoeren om van achter den Heere af te hoereeren. „Hetgeen gy hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen.

Met Sardis staat het minder goed. Immers zegt de Heiland, dat de Gemeente innerlijk dood is. Zij schijnt vrij van uitwendige bestryding door Joden en beidenen en niet verstoord te worden doop kettersche woelingen, maar zij is geestelijk dood. „Ik weet uwe werken, dat gij den naam hebt, dat gij leeft en gij zijt dood. Zijt wakende, en versterkt liet overige, dat sterven zou; want Ik heb uwe werken niet vol gevonden voor God. Gedenkt dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt en bewaart het en bekeert u." De rust van het kerkhof. Alleen is er blijkbaar nog een klein overblijfsel der verkiezing. En dat overblyfsel moet versterkt worden en de Heiland zegt: „zij zullen met Mij wandelen in witte kleederen, overmits zy het waardig zijn. Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleederen; ea Ik zal zijnen naam geenszins uitdoen uit het boek des levens en Ik zal zijnen naam beliijden voor Mynen Vader en voor Zijne engelen."

De Gemeente Philadelphia heeft met weinige talenten gewoekerd. Daarom zal zij hare vijanden aan hare voeten zien en op zulk eene wijze begenadigd worden, dat de vijanden moeten erkennen, dat Christus de Kerk heeft liefgehad. Hoort maar des Heilands getuigenis: „gij hebt kleine kracht en gij hebt Mijn Woord bewaard en hebt' Mijnen Naam niet verloochend"; „Ik zal maken dat uwe vijanden zullen komen en aanbidden voor uwe voeten en bekennen, dat Ik u lief heb." „Omdat gij het woord mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zoo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de geheele wereld komen zal." Een schoone toekomst alzoo voor de Gemeente, indien zij werkt tot de dag des Konings aangebroken is. „Die overwint, Ik .zal hem uiaken tot een pilaar in den tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan."

Lest is niet best hier.

Want zijn we gekomen aan de laatste van de zeven kl. Aziatische gemeenten, •de teekening van Laodicea is niet om jaloersch op te worden. Zoo heerlijk en aanlokkelijk het beeld is dat de Heiland van Philadelphia geeft, zoo diep treurig schildert hij den geestelijken toestand Zijner Kerk te Laodicea. Zij leefde in rust en vree. Geene benauwing van den kant der wereld viel haar ten deel. Maar als bruid des Heeren mist zij alles wat haar noodig is, terwijl zij 't zelf niet opmerkt. „Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart of heet I Zoo dan, omdat gij lauw zyt en noch koud noch heet. Ik zal u uit Mijnen mond spuwen; want gij zegt: ik ben rijk en verrijkt geworden en heb geens dings gebrek en gy weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlyk en arm en blind en naakt"

Merkt men wel, dat de Heiland lust heeft in den geestelyken welstand van al Zijne Gemeenten ? En neen, men hoeft niet rijk te zijn, — niet groot naar de wereld — maar wel gezond in de leer en door Gods genade levend uit het Evangelie des kruises, dat een reuke des levens is ten leven voor degenen die gelooven, en een reuke des doods ten doode voor degenen die aan de zonde vasthouden. Want als men getrouw is in den strijd en staat in het geloof, dan 'zal de Heere de zaligheid en het eeuwige leven schenken (Openb. 2 : 7, 11); dan zal Hij geven macht over de vijanden (2 : 26), koninklijk aanzien (3 : 21) en eene plaatse der, eere onder de genieting van Gods gunstbewijzen (2 : 17, 3 : 5, 12, enz.) Doch wie afwijkt van Zijn Woord, ontrouw is aan Zijn waarheid, valsche leeringen duldt, de zonde vasthoudt en de mensohen meer vreest dan den Heere — die zullen uitgeroeid worden ; ze zullen de zaligheid missen; ze zullen tot een vervloeking worden. Maranatha, de Heere komt....

Naar het Woord.

En bij die waarheid levend, den Heere liefhebbend in Christus, zal de Gemeente zich in alles naar dat Woord moeten inrichten en aan dat Woord moeten houden.

Eenvoudige waarheid, naar het schijnt.

Maar velen kennen het Woord niet. En het Woord Gods zegt voor hen zoo weinig. Nog wel om troost te vinden voor de ziel nemen ze het Woord op. Maar het Woord zegt zoo weinig voor hen ten opzichte van het kerkelijk l«ven; gelijk ze ook beweren, dat de Bijbel niets zegt ten opzichte van het maatschappelijk of poHtieke leven. Het Woord Gods zegt voor hen zoo weinig van dit alles en men zal maar moeten zoeken om uit te vinden en vast te stellen wat voor die terreinen des levens voor den tegenwoordigen tijd noodig.is.

Nu kenmerkt de Gereformeerde belijdenis zich juist hierdoor, dat deze uiteenzet wat het Woord positief zegt en leert, om de lijnen naar het Woord dan uit te stippelen en nader aan te geven. En wil de Belijdenis dat God in het menschenleven, door Overheid en Volk, in Kerk en Maatschappij, door een iegelijk zal worden geëerd en' gediend, gelijk Hij in Zijn Woord bevolen heeft — vooral voor het Kerkelijk leven, voor de prediking, de ambten, de Kerkelyke vergaderingen, de tucht, enz. zijn de beginselen breed en duidelijk uiteengezet, naar uitwijzen van Gods Woord. En het moet ons Gereformeerd beginsel zijn om alles, — om nu alleen van de Kerk te spreken — naar het Woord in te richten, opdat we den Heere mogen dienen als nieuw geboren kinderen, naar Zijnen wil door het Woord der waarheid gebaard; blijvende in de leer van Christus en verwerpende alles wat buiten het evangelie ligt, 't welk wij hebben ontvangen (Jac. 1 : 18; 2 Joh. 9:11; Gal. 1 : 9, enz.) En waar we leven in een tijd van afval, zullen we weer moeten leeren vragen naar 't geen we gehoord hebben en weten en onze vaders ons verteld hebben. „Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jacob en eene wet gesteld in Israël; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hunnen kinderen zouden bekend maken : opdat het navolgende geslacht die weten zou:de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan en vertellen ze hunnen kinderen; en dat zij hunne hoop op God zouden stellen en Gods daden niet vergeten, maar Zijne geboden bewaren; en dat zij niet zouden worden gelyk hunne vaders, I een wederhoorig en wederspannig ge­ j slacht ; een geslacht, dat zijn hart niet : richtte en welks geest niet getrouw was met God." (Ps. 78 : 5—8.)

Wij achten het daarom noodig het getuigenis des Heeren nauw te onder­ ' zoeken, geloovende dat onze vaderen en • wij daarvan zijn afgeweken. En inplaats dat we zullen zeggen, dat Gods Woord niets aangeeft belangende het leven der Kerk, nemen we art. 7 van onze Ned. ! Gel.-belijdenis hier over en zeggen : „Wij gelooven, dat deze Heilige Schrift den : wille Gods volkomenlijk vervat en dat aI hetgeen de mensch schuldig is te ge­looven, om zalig te worden, daarin ge­noegzaam geleerd wordt. Want overmits de geheele wijze van den dienst welken God van ons eischt, aldaar in den breede beschreven is, zoo is het den menschen enz".

Dat is gereformeerd.

Ook in deze is het: „Uw Woord is een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad, " waarbij we gelooven, dat in het afwijken van de inzettingen des Heeren groote schade ligt; of Einders gezegd: waarbij we met den dichter van Ps. 119 belijden: „die Uwe wet beminnen hebben grooten vrede, en zij hebben geen aanstoot" (vers 165).

.Naar het Woord. Alles naar het Woord

Dan zal het sieraad aan Gods huis niet ontbreken en hare muren zullen vast staan. Dan zal het zijn dat van Gods Kerk gezegd mag worden: zij is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan eene fontein; elkeen der takken loopt over den muur." (Gen. 49:22).

Doch hoe is het goud zoo verdonkerd, het goede fijne goud zoo veranderd, Hoe zijn de steenen des heiligdoms vooran op alle straten verworpen." (Klaagl, er. 4:1.) (Wordt vervolgd.)

Een vaag teeken.

Meer dan eens is er op gewezen, dat er onderscheidene predikanten, ook jonge dominé's, zijn, die hun ambt neerleggen en tot „een anderen staat des levens" overgaan.

Ook in het midden van de Geref. Kerken komt dit in de laatete jaren nog al eens voor. .

Zoo is enkele jaren geleden ds. J. Steffens, predikant te Langerak, gaan studeeren in de rechten en is nu advocaat te Leeuwarden,

Dr. H. C. Rutgers, zoon van Prof. Rutgers, legde zijn ambt neer en is nu Secretaris van de Ned. Ohr. Stud.-Vereeniging.

Ds. W. S. de Haas miss. pred. van de Geref. Kerk van Utrecht, te Poerworedjo op Midden-Java — vroeger Geref. preid. te Tzummarum — bericht nu weer dat hij zyn ambt neerlegt en een burgerlijke betrekking in Indië aanvaardt.

Terwijl ook Mr. J. F. Dijkstra, pas tot de Geref. Kerken overgegaan, met de bedoeling daar predikant te worden, zich dezer dagen toch maar bij den Hoogen Raad als advocaat en .procureur heeft laten beëedigen waardoor er nu van het betrekken een Geref. pastorie wél niet veel meer komen zal.

Daarbij is het aantal vacatures bij de Geref. Kerken schrikbarend hoog; wel 200 van de 702 Kerken zijn vacant!

Over dit laatste is ds. Laman — die onlangs schreef, dat hij voor geen geld naar de Herv. Kerk zou gaan om daar een keer het Woord te beluisteren (gruwelijke zonde ook!)— niet best te spreken. Hij schrijft daar een stukje over, waar boven staat Hopelooze herderloosheid en waarin dan aan die kleine gemeenten waar men „hier en daar al te lichtvaardig is overgegaan tot Kerkformatie" en waar men als eeu „klein hoopje, heel klein en heel knusjes" bij elkaar zit, een bestraffing wordt gegeven.

We zouden hierover niet schrijven, indien het ons niet opmerkelijk voorkwam dat, zakelijk genomen, dezelfde klacht telkens in het midden van de Geref. Kerken naar voren komt. Vroeger deelden we al mee wat ds. Sikkel daarvan schreef — nu komt ds. Laman weer. En natuurlijk zien onze gescheiden broeders deze dingen weer anders dan wij. Maar wij beschouwen dit ook al mee als een wrange vrucht der scheiding en der doleantie. Want in tal van plaatsen waar, door 's Heeren goedheid, de waarheid van den kansel in de Herv. Kerk gehoord wordt, verknoeit men het leven in de gemeenschap met 's Heeren Kerk door allerlei scheuringen en afscheidingen. Zoo worden de zegeningen Gods in het midden van de aloude Geref. Kerk geminacht. Men-onttrekt zich aan de Kerksehuld. En men gaat bij elkaar zitten als een „klein hoopje, heel klein en heel knusjes", om triomfantelijk dan te vermelden dat daar en daar „de Geref. Kerk tot openbaring is gekomen" enz. Vooral in deze ernstige dagen betreuren we dit ten zeerste. Waar de Kerk des Heeren krank is en de Heere haar den scheidsbrief nog niet gaf, met toediening van Zijn genademiddelen, daar verlaat men die Kerk, verscheurt Kerk, gemeente en familie, en waar alzoo een hopelooze verwarring komt met veel haat en vijandschap onder hen die éen Christus erkennen en belijden, sukkelt men voort met „hopelooze herderloosheid" waarover ds, Laman dan schrijft.

We willen hem even 't woord' geven en we knippen daartoe uit wat we vonden in „de Wachter" welk blad 't ontleende aan de Geref. Kerkbode voor Drenthe.

„De Wachter laat dan vooraf gaan „.... circa 200 vacante Kerken, een onrustbarend cijfer in aanmerking genomen, dat we in het geheel 702 Kerken tellen. Er zijn Kerkjes bij, die niet kunnen beroepen, mede hier en daar een gevolg van een al te lichtvaardig overgaan tot Kerkformatie, waar samenvoeging van genabuurde plaatsen tot één Kerk wenachelijk ware geweest. Hoe lijden ze onder een „hopelooze herderloosheid."

En dan volgt als uitknipsel :

„Waren er nu dienaren in overvloed, dan kon er in den boezem onzer kerken ernstig over worden beraadslaagd, of er niets aan te doen zou zijn zulke zwakke kerken in die mate helpen, dat ze met eere een dienaar des Woords konden eroepen, die van het Evangelie zou kunnen leven. Zulke kleine kerken hebben Zondag op Zondag leesdienst. en enkele maal is er bediening des Woords door de hulp van de classis. En leesdienst is leesdienst. Al erkennen we, dat de Heere er menigmaal genadiglijk een zegen in gelegd heeft, en al zijn er kostelijke preeken, die voorgelezen kunen worden, toch zeggen we leesdienst is leesdienst. Het is een hulpmiddel, een noodverband. Zooals men het in een huisgezin, waar de moeder ontsliep, met een huishoudster doet, en soms heel geschikt en uitnemend; zoo behelpt men zich in een gemeente zonder leeraar met een leesdienst. Maar de huishoudster is de moeder niet; en de leesdienst is niet de bediening des Woords, Wanneer men in een huisgezin niet gevoelt het onderscheid tusschen een huismoeder en een  huishoudstrr bij alle waardering, dan is er in zulk een huisgezin iets niet in den haak. En evenzoo is er in een gemeente iets niet in orde, wanneer men niet beseft het verschil tusschen leesdienst en bediening des Woords. In den regel is dan ook een gemeente zeer verblijd, wanneer ze na langdurige herderloosheid en na vele, hoewel dankbaar genoten, leesdiensten, een eigen leeraar mag ontvangen. Een enkele maal kwam het voor, dat men aan leesdienst de voorkeur gaf boven de prediking, maar deze uitzonderingen worden slechts daar gevonden, waar de ziekelijke clubjesgeest den smaak voor een gezond kerkelijk leven heeft bedorven. Men zit dan Zondag op Zondag als een hoopje bij elkander, ' heel klein en heel knusjes, leest een bepaald soort preekjes, en de rest, nu ja, daar komt dan van, wat er van komt! Wat komt er vooral van de lammeren ? "

Tot zoover ds, Laman.

In hoeverre of hier nu hoogmoed of broedertwist of jaloerschheid in 't spel is bij dat „al te lichvaardig overgaan tot Kerkformatie" beoordeelen we niet. Dat zooiets soms voorkomt is bekend.

Maar als ds. Laman dan zegt: juist waar die kleine kerkjes der scheiding of der doleantie gevonden worden is de geestelijke armoede in den omtrek zoo groot, dan willen we hier een kleine kantteekening maken.

De bedoeling zal wel wezen, dat in de dorpen waar zoo'n klein gescheiden kerkje is de Hervormde Gemeente zoo geestelijk arm en geestelijk dood is en dat daardoor heel de omgeving zonder geestelijke kennis en zonder geestelijk leven is.

Nu zou daar veel van te zeggen zijn indien we al die „kleine hoopjes" waar men „heel klein en heel knusjes" saamvergadert als „Geref. Kerk" eens een voor een nagingen en over plaatselyk een gewestelijke toestanden op 't gebied van het religieus-kerkelijk leven eens konden gaan spreken. Doch daar denken we nu niet aan.

Wel wilden we vragen: kan het misschien ook wezen, dat er gelukkig nog velen in zoo 'n dorp, waar zoo 'n klein hoopje heel knusjes als „Geref. Kerk" vergadert, zijn, die het als een goede gave van 's Heeren genade en liefde erkennen, dat er in de Herv. Kerk nog de waarheid naar Gods Woord is en die het mogen opmerken dat de Heere kennelijk bewijst in onze dagen, dat Hij de Kerk onzer vaderen nog niet den scheidsbrief heeft gegeven en dat Hij de waarheid doet voortgaan van stad tot stad en van dorp tot dorp?

Zou het misschien ook dadrdoor kunnen zijn, dat er zooveel kleine gescheiden Kerkjes zijn, waar men dan niet vrij is van groot-doenerij, met verwerping en verachting van hetgeen de Heere in het midden van de aloude Geref, Kerk nog komt schenken ?

We vragen maar.

En als we' dan willekeurig, met het Jaarboek der Geref. Kerken voor ons, uit de lijst'dier Kerken enkele gemeenten uitkiezen om ze hier te laten volgen met het aantal belydende lidmaten, mannen en vrouwen saam, dan denken we aan de opmerking van ds, Laman, dat hij voor geen geld daar in de Herv, Kerk onder de bediening des Woords zou willen zitten en aan zijne verklaring dat daar de geestelijke armoede zoo groot is, zoodat het daar zoo noodig is, dat er toch vooral een Geref, Kerkje is en een dominé van de Geref, Kerken komt

Let eens op de navolgende gemeenten met het navolgend aantal belijdende lidmaten en denk dan eens aan de Herv, Gemeente daar ter plaatse,

Kockengen 95 bel. lidm, , Kamerik 127, Vinkeveen 99, Wilnis 160, Benschop 70, Harmeien 140, Montfoort 77, IJselstein 56, Bergambacht 73, Ouderkerk a.d, IJssel 63, Lisse 95, Wassenaar 88, Noorden 19, Woubrugge 94, Oud-Beijerland 157, Den Bommel 75, Ouddorp 52, Ottoland 84, Schoonrewoerd 173, Bleiswijk 120, Hillegersberg 128, Poortvliet sK 120, Tholen 120, Huizen 176, Muiden 63, Heteren 49, Lunteren 78, Zetten 45, Oldebroek 179, Aalst 36, Veenendaal 164 enz. enz.

Men ziet, we nemen nu nog niet eens de allerkleinste gemeenten. En daar leeft  men nu gescheiden van de aloude Herv. (Geref, ) Kerk; waarbij men, om eigen  recht van bestaan te verdedigen,  op de Herv, Kerk bizonder moet afgeven —  waaruit al die ellendige en treurige ge­volgen voor het verscheurde gemeentelijk-en familieleven voortkomen.

Zeker! onze Herv, Kerk is krank.

Zeker  de zonden en ongerechtigheden n het midden van onze Herv. Kerken zijn vele. 

We zullen het geen oogenblik tegenspreken.

Maar zij is niet de valsche Kerk geworden, door 's Heeren oneindige goedeid daarvoor bewaard.

En in die kranke Kerk zullen wij, de zonden van onze vaderen en van ons bedenkend en belijdend, ons saam moeen opmaken in 's Heeren kracht om de verwoeste plaatsen te herbouwen en de vervallene muren te herstellen.

God heeft nog Zyn Woord ons gelaten. we mogen de Sacramenten nog hebben. We hebben onze belijdenis nog. Gods gunslrijke tegenwoordigheid wordt nog kennelijk ervaren.

En daarom, waar de zonden velen zijn. geen afscheiding nu, maar blijven op dt plaats waar de schuld gemaakt is, en waar de Heere weer opening geeft voór Zijne waarheid op onderscheidene plaatsen. Geen verbreken van de gemeenschap der heiligen, maar onderhoudende de eenigheid der Kerk.

Juist in onze critieke dagen, waarin zooveel staat te gebeuren, kan ons die gedeeld beid, die scheuringen en scheidingen, dat „heel knusjes" bij eikttar zitten van allerlei groepjes en hoopjuë menschen, zoo ontzettend benauwen, het niet de tijd, dat de Heere werken wil en dat de wereld moet zien, „dat ze allen één zijn" die den Heere aanroepen in der waarheid ? 

Waarom voelt men het niet, dat de oplossing van het Kerkelijk vraagstuk no. 1 moet zijn ? Vooral in onze dagen geldt dat ! De Kerk in het midden -  en dan alles daar rondom gegroepeerd, Zoo is het van ouds geweest en zoo zal het ook blijven.

Het wegloopen van onderscheidene  dienaren des Woord, die eindelooze  scheuringen, die ,hoopelooze herderloosheid enz. hebben ons wat te zeggen. Dat we het verstaan mochten l

* Om een beslissing,

In ons vorig nummer schreven we een stukje „De oplossing", naar aanleiding van een paar artikelen onder „Kerknieuws" in de N. B. O. In het AvondW, d B. van Zaterdag 8 Febr, komt dr, M.  van Mourik Broekman op genoemde artikelen van de N. R. C. terug en zegt, dat hij er dit in gelezen heeft: dat de grootste kwaal voor het oogenblik is hét samengeperst zijn van elkaar tegengestelde geloofsrichtingen in één verband; dat eisch is uiteengaan dezer' en andere groepeering van vrijzinnigen en dat hierbij een nieuwe kerkelijke eenheid kan ontstaan, niet gedrukt door de bezwaren van de oude.

Hiermee is dr van Mourik Broekman het eens en zegt: „ik stem ook in mét den wensch tot nieuwe toestanden te komen, Want inderdaad, de bestaande zijn onhoudbaar. Met den kerknieuws-schrijver mij stellende „op den bodem der werkelijkheid" acht ik het eerst-noodzakelijk dat in de Nederlandsch Hervormde Kerk de kerkelyke strijd tot een einde komt, alleen mogelijk door een overwinning in eener of ter ander er zijde. Op een vrede door overleg valt niet te hopen, daar de principes onverzoenlijk zijn. In die Kerk moeten de vrijzinnigen van verschillende geloofsschakeering tot een offensief overgaan om hun Kerk-begrip te doen zegevieren. Zoo dit mislukt dienen zy heen te gaan en nieuwe organisaties te scheppen ; echter niet voordat deze poging gedaan is, aangezien ik te wel besef, dat bij het uittreden, vrijwillig of gedwongen, velen, speciaal te platten lande, geestelijk dakloos zullen worden, terwijl ook de Kerk genoopt moet worden haar karakter beslist te bepalen. . .

Mocht overwonnen worden, dan zou een zich nieuw ordenende Nederlandsch Hervormde Kerk geestelijken invloed kunnen uitoefenen onder duizenden, die begrijpelijkerwys zich nu van haar afwenden en zou het predikantsambt krachtens noodwendige ontwikkeling nog meer geseculariseerd worden dan reeds geschiedde, nochtans volkomen zijn geestelijk karakter blijven behouden.

Wanneer men tot principes als autonomie van gemeenten en gemeente-deelen overging, konden de rechtzinnigen hun plaats blijven innemen, tenzij zij er de voorkeur aan gaven uit te treden, 

In geval van overwinning van het orthodoxe Kerkbegrip, zouden de vrijzinnig-Hervormden zonder te groot leedwezen moeten heengaan en zich flink aangorden om een nieuwen toestand te scheppen, waarbij vanzelf de kleinere Kerkgenootschappen gedwongen zullen worden zich rekenschap te geven van hare positie, daar een innerlijke noodzakelijkheid zal ontstaan aan een nieuwe organisatie deel te nemen. - Zoo al geen samensmelting zal komen, zeker toch wel een bondgenootschap. De kans is groot, dat velerlei ongewenschte toestanden, wat werkwijze, grootte van gemeenten' financieele regelingen betreft zich dan kunnen verbeteren. In ieder geval, bij welken uitslag ook der worsteling, is een oekomstjte voorzien beter dan hét heden, "

Tot zoover de vrijzinnige dr. Broekman. Wat ons nu betreft, de vrijzinnigen moesten maar besluiten om uit de Nederandsche Hervormde Kerk, met haar rthodoxe belijdenis en haar orthodoxe kerkbegrip, uit te gaan.

Dan kwamen vele dakloozen weer onder dak, in het midden van het huis der vaderen (we denken aan Stolwijk, Boskoop, Oostvoorne, Moordrecht, Ryswijk, Zutfen enz. enz, waar nu veel meer hervormden buiten de Herv, Kerk bevrediging van hun godsdienstige behoeften, welke naar de Schrift zijn, moeten zoeken dan er in de Herv, Kerk (van vrijzinnige zyde) samenkomen en de Herv, Kerk zou weer kunnen  staan in het milieu van hol volk als een pilaar en vastigheid der waarheid; om te zijn tot zout dat alles doortrekt en een licht dat alles bestraalt.

Waarbij de vrijzinnigen op eigen terrein naar eigen beginsel nieuwe toestanden kunnen scheppen.

Intusschen nemen we nota van den strijdkreet ook door dr. van Mourik Broekman nu aangeheven heeft: in de Herv. Kerk moet het komen tot een beslissing van het gevecht; er moet komen een overwinning ter eener of tér anderer zijde; de toestand, zooals zij nu is, is onhoudbaar; op vrede door overleg is niet te hopen, daar de principes onveranderlijk zijn — en daarom moeten in de Herv. Kerk de vrijzinnigen van verschillende geloofsschakeering tot ten offensief overgaan om hun Kerkbegrip te doen zegevieren.

Laten de orthodoxen, die op de vaderlijke erve wonen, het zich voor gezegd weten, om in de belijdende Herv. Kerk het orthodoxe Kerkbegrip te doen zegevieren ; waartoe een gezamelijk optrekken noodig is, om voor onze Herv. Kerk weer de aloude Kerkelijke vergaderingen terug te vragen waarbij Gods Woord erkend wordt als hoogste autoriteit en het ambt.van Christus ingesteld, weer wordt geëerd. Als Gods Woord weer de beslissing krijgt dan zijn we voor de uitkomst niet bevreesd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's