De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stieltetijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stieltetijke overdenking.

11 minuten leestijd

Opdat hij weten mocht wat een iegelijk met handelen gewonnen had. Luc.l9:15b.

De roeping van Christus' Kerk.

Er is grote overèenkomst tusschen de gelijkenis van de talenten uit Matth. 25 en de gelijkeins van de tien ponden uit Luc.. 19, waaruit we hierboven een woord afschreven.

Klaarblijkelijk wordt in deze twee gelijkenissen ook 't zèlfde thema behandeld, al wat de gemeente van Christus te doen had in den tijd tusschen des Heilands hemelvaart en Zijn verschijnen als Rechter op de wolken in den jongsten dag.

't Gaat dus over de roeping welke ieder van Gods kinderen in deze tegenwoordige bedeeling te vervullen heeft.

En dan gaat het daarbij immers niet om den vorstelijken heer — waarin we den Heiland hebben te erkennen — rijk te maken. Maar het gaat hierom, dat de knechten, die gelijke roeping hebben, onder onderscheidene omstandigheden trouw en ijverig hebben 'te zijn.

De knechten zijn de belijders; de geioovigen; de Gemeente van Christus. En ze hebben gelijke roeping: winst te doen met de gaven der genade hun van den Heere geschonken.

.Jezus is in den hemel. Zijn Koninkrijk heeft Hij verworven door Zijn lijden en dood. En de openbaring Zijner heerlijkheid is aanstaande.

Hij is in den hemel, zittende aan Gods rechterhand. Maar hier op aarde zijn de belijders van Zijn Naam.

En die belijders van Zijn Naam hebben handel te drijven voor hun Koning.

Nug eens niet om Hem daardoor rijker te maken. Maar om Hem trouw te bewijzen! Om ijverig bezig te zijn in het werk door Hem hun toebetrouwd.

Merkwaardig mag de voorstelling genoemd worden, dat „de welgeboren man" aan ieder Zijner dienstknechten een zekere geldsom geeft, om in de handeling daarmee hun trouw aan hun Koning te toonen. Schijnbaar had hij beter een leger, of althans een zwaard kunnen geven — om met het zwaard in de vuist de oproerige burgers tegen te staan.

Maar de Koning handelt anders: hij geeft een geldsom. Hij draagt hun niet op het werk van den krijg, maar het werk des vredes. Hij zal zélf later wel met deze oproerige burgers afrekenen. Ziju knechten hebben niet anders te doen, dan in de getrouwe betrachting van het werk des vredes hun ijver en trouw te tonen, doende het werk door den Heere hun toebetrouwd. Dit is de roeping van Christus' Kerk!

Daarbij komt dan uit, dat er rijke verscheidenheid is. „Een andere is de heerlijkheid der zon, en eene andere is de heerlijkheid der maan, en eene andere is de heerlijkheid der sterren, "

Daarbij komt dan ook uit; „Wie spaarzamelyk zaait, zal spaarzamelijk maaien, maar wie in zegeningen zaait, zal in zegeningen maaien."

Daarbij komt óok uit, dat de Heere niet telt maar weegt. Dat Hy een rechtvaardig en jaloersch God is. En dat Hy niets meer haat dan vadsigheid, luiheid, bedilzucht en gebrek aan vertrouwen. Wat is de zonde van den dienstknecht, die gestraft, streng gestraft wordt?

Hij maakt zich overigens aan geen enkel bepaald misdrijf schuldig. Hij is geen vloeker', geen dronkaard, geen ontuchtige. Althans daar lezen we niet van. Maar hij-is eigenwijs, eigenzinnig, tegensprekend van aard; en de fout is bij hem, dat hij, aan wien de heer één talent heeft toebetrouwd, alle verantwoordelijkheidsgevoel mist. Daardoor vervalt hij tot de misdaad der traagheid; tot de zonde van ontrouw.

Meer nog dan over de vermeerdering van het kapitaal, is de heer verheugd over de trouw van zijn dienstknechten.

„Gij goede en getrouwe dienstknecht", zegt hij telkens.

Niet, dat die dienstknecht dan zoo'n goed mensch was - ~ zonder zonde en gebrek. Maar als dienstknecht was hij goed; een echte dienstknecht; met liefde, voor zijn heer en voor zijn werk; een man, die zijn roeping als dienstknecht getrouw in acht nam, bezig zijnde in de dingen, waarin hij door zijn Koning gesteld was.

En daartegenover dan de vadsigheid en luiheid van den ontrouwen dienstknecht.

Die bovendien onbeschaamd is. Hij zwijgt niet. Hij buigt niet 't hoofd. Hij schaamt zich niet weg voor zijn heer. Hij verdedigt zich trotsch; hij zegt den heer vlak in z'n gezicht nog eens goed de waarheid; hij is brutaal genoeg om den heer té verwijten, dat hij onrechtvaardig en hard is.

O! wat gebeurt dat dikwijls tegenover God. In het midden van de wereld. Ook in het midden van de Gemeente. Wat is er een waanwijs spreken, een hard oordeelen, een veelvuldig bedillen — om intusschen op Gods Woord en werk geen acht te geven en eigen wil te doen, eigen lust te volgen.

Trouw en toewijding ontbreekt totaal bij dien knecht in deze gelijkenis. De rechte dienstknechtsgeslalte ontbreekt geheel en al.

O, zeker, de Heer had zelf ook 't geld wel in de aarde kunnen wegbergen. Maar dat wilde hij juist niet. Hij geeft het aan zijn dienstknechten, met vertrouwen in de dienstknechten. Hij geeft het om er mee te handelen, om er zaken mee te doen, om er werkzaam mee te zijn in dienst van hun heer.

Als zij dat nu maar verstaan!

En ja ! zelfs als de dienstknecht 't geld verloren had in dienst van zijn meester, dan was dit den meester aangenamer nog geweest dan nu, nu hij 't in een' zweetdoek in de aarde wegbergt. Want dan had zijn meester nog liefde, ijver, toewijding, werkzaamheid en trouw bij zijn knecht gezien. Maar aan trouw en toewijding schortte het juist dezen knecht.

Het antwoord van den meester stelt dat ook • wel duidelijk in 't licht: „gij booze en luie dienstknecht."

Verstaan we in onze dagen iets van deze dingen?

Dan zullen we ook iets verstaan van die wonderspreukige uitdrukking; „want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden ook dat hij heeft."

Dat schijnt tegen alle reden in te druischen om aan iemand die reeds zooveel heeft nog méér te geven — en van iemand, die zoo weinig heeft, ook dètgene te ontnemen, wat hy heeft. Maar in werkelykheid is het toch zoo eenvoudig en begrijpeiijk.

Leg in de vruchtbare aarde een.graan­ korrel en leg op een straatsteen 'n graan korrel. Wat zal het gevolg zijn ?  In de aarde zal de graankorrel ontkiemen en uitspruiten en vermenigvuldigen. Op den straatsteen zal zij verdorren, versterven en te niete gaan. ;

Die de talenten heeft, zooals de aarde het graan heeft, die zal z'n schat vermeerderd zien.

Die de talenten ontvangt, zooals de straatsteen de graankorrel, die zal 't geen hij heeft weldra zich zien ontnomen. Immers, hij heeft wel een talent; maar eigenlijk heeft hij 't ook niet; hij kent het niet ; het ligt eigenlijk naast hem; hij voelt het niet wat de meester bedoelt en doet. En dat gaat verloren. Verloren onder de openbaring van Gods toorn en Zijn rechtvaardige straffen. „Gij booze en luie dienstknecht" Maar wat gekend wordt, gevoeld wordt, gedragen wordt met liefde, gedaan wordt met ijver dat leeft, dat vermeerdert ook. „Gij goede en getrouwe dienstknecht" Dienstknechten. Dat zijn immers de ambtsdragers. Dat zijn immers de geloovigen. Dat zijn immers grooten en kleinen, rijken en armen.

En de Koninklijk heer is de Heiland, Die op al de zijnen nederziet en acht geeft op hun handel en wandel, op hun leer en leven, op hun tronw en ontrouw, op hun ijver en vadsigheid,

Jezus zal als Koning heerschen. Zijn Koninkrijk komt en zal komen. Hij heeft Zich dat Koninkrijk verworven in den weg van lijden en dood en de Vader heeft Hem eere en heerlijkheid gegeven tot in eeuwigheid.

In zooverre behoeft de Gemeente van Ohristus zich niet bezorgd te maken. In zooverre behoeven de geloovige christenen ook niets te doen. Bij Jezus' werk behoeft niets bij-gedaan te worden; het is in alle opzichten volmaakt en heerlijk ; en al Gods kinderen zullen uit louter genade eenmaal deelen in zijn heerlijkheid. Onverdiende zaligheid zullen zij genieten om de wille van Christus' arbeid.

Maar nu gaat het intusschen hierom, of er liefde en ijver is bij de Gemeente Gods, om den Naam des Heeren , op te nemen en te verkondigen Zijn eer, om Zijne deugden te vermelden en te doen het werk dat Hij hun heeft opgedragen in Zijn Wijngaard, een ieder naar z 'n orde en naar de plaats hun van den Heere aangewezen.

Zelf moeten ze hoe langs hoe meer gewonnen worden voor den Heere, om zich geheel aan Hem te leer en overgeven. En ook anderen moeten bekend gemaakt worden met 't geen waartoe de Heiland in de wereld gekomen is, doende het werk Zijns Vaders.

Om Satan zijn vaten te ontrooven, om het rijk der duisternis te verstoren, om de werken des lichts te openbaren, om de waarheid te verkondigen als een licht, waarbij alleen de voet veilig gaan kan op elk terrein des levens — daartoe is Jezus op aarde gekomen en om in dat werk bezig te zijn, ijverig en met liefde, daartoe komt de verhoogde Heiland door alle tijden de Zijnen roepen, een iegelqk in zijn orde en een ieder op de plaats, van den Heere aangewezen.

Het zijn niet de beste tijden voor 's Heeren Kerk als dat niet of weinig gevoeld wordt. Dan wint de slaperigheid, de luiheid. "Dan komt de-eigenwijsheid  en bedilzucht aan 't woord.

Dan gebeurt er niets op het breede terrein dat daar open ligt voor Gods Gemeente.

Niets — waarbij de Heere met Zijn oordeelen niet uitblijft.

En o! wat is het aangenaam als de wind des Geestes dan weer eens door de dorre doodsbeenderen gaan mag en er weer loven, liefde en ijver komt. Als men zich weer eens bij vernieuwing aan den Héere leert over geven en ook aan elkander. Als er weer samen spreken, samen bidden, samen werken mag komen onder degenen die den Heere vreezen en Zijn Woord liefhebben. Waarbij het zoo heerlijk is, dat men zelf niet de dingen behoeft te doen en zélf niet voor de dingen heeft te staan. Neen, dan juist ervaart men het wondere van Gods genade : als men waarlijk gaat voelen dat men zwak is, dan wil de Heere sterkte geven; als men waarlijk gaat ervaren, dat men niets kan; dan wil de Heere alles doen.

„Mijne genade is u genoeg. Mijn kracht wordt in uwe zwakheid volbracht" zegt de Hèere. En het is zoo waar I

Dan wordt de zwakkeling moedig als een leeuw.

Dan wordt de kleine groot en sterk. Die niets vermag, vermag dan veel.

De Heere is dan tot hulpe en sterkte en nooit heeft iemand tevergeefs op den Heere vertrouwd, „In'God zullen we kloeke daden doen" zegt dan ook Gods volk.

In welke positie we dan ook gesteld zijn, naet welke gaven we ook zijn toegerust — neen! laat ons toch niet lui en vadsig, niet ontrouw èn ongehoorzaam zijn.

Maar laat ons van den Heere toch zoeken te ontvangen genade voor genade, om in Zijn kracht voort te gaan, in Zijnen dienst te mogen arbeiden, in Zijnen Naam te spreken — niets anders wetende dan Jezus Christus en dien gekruisigd,

In dat heerlijk werk van .Jezus Christus moet de ziele zich meer en meer verliezen, om rust en vrede te ontvangen voor eigen gemoed.

Geen ander werk kan behouden dan 't geen Hij wrocht.

En zalig is 't niets te wezen, niets te hebben, niets te kunnen, niets te willen dan 't geen de Heiland deed voor de Zijnen in de betooning Zijner gehoorzaamheid en de uitstorting van Zijn bloed. Daar is de ruste voor Sion,

Onder Zijne vleugelen. Rustend in Zijn werk.

Om dan te spreken, om dan handel te drijven, om dan bezig te zijn met en van deze dingen ook bq anderen.

Overal en altijd n\oet dat worden aangeprezen. Er is maar één waarheid. Er is maar één weg. Er is maar één leven.

En de ziele die er zelf door genade kennis aan krijgen mocht, zal tegen den dtiivel, tegen het rijk der duisternis uittrekken, vermeldende den Naam des grooten Konings, onder Wiens vleugelen genezing is voor armen en ellendigen en onder Wiens schep ter rust en vrede woont.

Twaalf uren zijn er in den dag; en straks komt de nacht waarin niemand werken kan.

„ Weest Mijne getuigen" zegt de Heiland. En Zijne belofte is; „Mijne genade is u genoeg, Mijne kracht wordt in uwe zwakheid volbracht.

Terwijl Zijne bedreiging is: gij booze en luie dienstknecht, wat u geschonken is zal worden weggenomen. Ga wég van Mij, Ik heb u nooit gekend.

Zij óns genadig deel dan maar-om uit de volheid van Christus' zoenarbeid rust en vrede te mogen genieten, en in 's Heeren kracht bezig te zyn in het werk ons door den Heere op de handen gelegd; om hier te ervaren de lieflijkheid van Zijne ondersteunende genade en eenmaal ingehaald te worden in het heerIijk Koninkrijk van den verhoogden Heiland, Die Zijn. bloed heeft uitgestort om Sion aan Satan te ontrukken en te verzoenen met den Vader, hen stellend tot erfgenamen van een eeuwige, hemelsche zaligheid !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stieltetijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 februari 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's