Staat en Maatschappij.
Gelukkige inconsequentie.
De bijzondere onderwijzers kunnen voorloopig tevreden zijn met het resultaat der debatten in de Tweede Kamer over het wetsontwerp betreffende de verhooging van de onderwijzers wedden. Komt de regeling, gelijk zij thans is aangenomen, in het Staatsblad, dan zullen de onderwijzers met minder dan vijf dienstjaren f 200, met vijf of meer en minder dan tien dienstjaren f 800 en met tien of meer dienstjaren f 400 genieten met inbegrip van de honderd gulden, die aan ieder hoofd ofoifderwijzer van bijstand reeds als weddeverhooging wordt toegekend, boven de minimum aanvangswedde volgens artikel 26 der Lager-onderwijswet.
h Deze belangrijke verbetering, welke in het bizonder aan de bijzondere onderwijzers zal ten goede komen, is niet dan na heel wat moeite en overleg tot stand gekomen.
Merkwaardig was daarbij de houding van den Minister van Binnenland«che Zaken.
De poging destijds door de heeren Marchant c.s, gedaan, om de tractementen der onderwijzers in het generaal met honderd gulden te verhoogen, welk voorstel, zoowel in de Tweede Kamer als in de Eerste Kamer, aangenorhen werd, kon de medewerking van den Minister niet verkrijgen, omdat in de regeling, naar Zijne Excellentie opmerkte, elk stelsel werd gemist. s
Het was om die reden, dat toen het bleek, dat de schatkist eene verbetering der onderwijzers-salarissen toeliet, de Regeering met een eigen voorstel kwam waarbij van de gedachte werd uitgegaan, dat dtór geholpen diende te worden, waar de behoefte zich het dringendst deed gevoelen.
Op dit beginsel berustende, werd een ontwerp bij de Kamer ingediend, dat, intusschen door de linkerzijde op ongemeen felle wijze bestreden, aanleidinggaf, dat van dien kant een amendement werd ingediend, waarin opnieuw de gedachte werd neergelegd, waarvan de heeren Marchant c.s. bij hun wetsvoorstel uitgingen.
In stede nu dat Minister Gort van der Linden dit amendement aannemelijk verklaarde, ging hij overstag met het gevolg, dat de meerderheid der Kamer er zich voor verklaarde. Wat de linkerzijde zich van meet af had voorgesteld, werd bereikt, n.l. de verhooging van de jaarwedde van eiken onderwijzer met honderd gulden.
Echter bleef het daar niet bij.'
De antirevolutionaire afgevaardigde voor Sliedrecht, de heer Van der Molen, had, den toestand reeds te voren overziende, een nieuw voorstel ingediend om boven de honderd gulden, welke thans verkregen was, nog eene regeling te tref d fen op den grondslag van het wetsontwerp dat aan de orde was: eene voorziening in de behoefte van die onderwijzers welke het slechtst gesalarieerd waren.
Dit voorstel, waartegen de Minister geen bezwaar maakte, werd daarna door de Kamer zonder hoofdelijke stemming aangenomen; en zoo kwam de wedderegeling tot stand, als hierboven werd aangegeven.
Dezelfde Minister, die eerst verklaarde, dat geen gulden beschikbaar was om de salarieering der onderwijzers te verbeteren en mede uithoofde van den toestand van 's lands financiën het, voorstel-Marchant c.s, niet ter bekrachtiging aan de kroon kon voordragen, die daarna met een eigen voorstel kwam, dat niet meer dan 11/2 millioen gulden zou kosten, en niet dan na heel voel pratens bereid werd gevonden om dit bedrag te verdubbelen, doch ten slotte beslist onaannemelijk verklaarde een ander amendement van den heer A''an der Molen, die de kosten van het ontwerp met 2 millioen gulden zou doen stijgen, gaf ter laatster instantie toe aan eene regeling, die thans in haar geheel ongetwijfeld de 6 millioen gulden wel zal overschrijden.
Minister Cort van der Linden sprak ter verdediging van zijne houding over een , schijn van inconsequentie, " Voor de bijzondere onderwijzers, die met hunne kleine jaarwedden reeds zoo lang op verbetering hoopten, is wat de Minister deed echter 'n „ gelukkige inconsequentie, "
Voorzeker heeft het kloeke optreden van den Sliedrechtschen afgevaardigde er veel toe bijgebracht, dat dit gunstige resultaat verkregen werd.
De bijzondere onderwijzers kunnen hem daarvoor dankbaar zijn.
Een Christelijk-Historisch standpunt.
In den gemeenteraad van 's Gravenhage is een debat over den schouwburg gevoerd, dat de aandacht trok door de houding, welke de Christelgk-Historische raadsleden daarbij innamen.
De zaak liep over het door de gemeente in eigen beheer nemen van den schouwburg, welk gebouw tot op dit oogenblik in exploitatie was bij de Directie van de Fransche Opera.
Evenals bij vorige gelegenheden kwamen ook ditmaal de anti-revolutionairen in den Raad in ernstig verzet tegen het voorstel van B. en W.
In een breed opgezet betoog bestreed mr. de Wilde de voordracht van het Dagelijksch Bestuur, waarbij zich de heer Duymaer van Twist aansloot.
Laatstgenoemd raadslid stelde een drietal bezwaren in het licht. In de eerste plaats achtte hij het met de roeping van de gemeentelijke overheid, als dienaresse Gods, in strijd den schouwburg tot een onderdeel van gemeentezorg te maken. In de tweede plaats betoogde hij, dat met het onderhouden van een schouwburg geen algemeen belang gediend wordt. En in de derde plaats kwam hij er tegen op gelden uit de gemeentekas ter beschikking te stellen als tegemoetkoming in de kosten van publieke vermakelijkheden.
Nu had men evenals twee jaren geleden mogen verwachten, dat ook ditmaal de Christelijk-Historischen met de anti-revolutionairen schouder aan schouder zouden gestaan hebben om de gemeente terug te houden van het doen van een nieuwen stap op den verkeerden weg. Immers stemden zij op 24 Februari 1916 nog voor eene antirevolutionaire motie, waarvan de strekking was om het schouwburggebouw eene andere bestemming te geven.
Het was ditmaal echter anders.
De Christelijk-Historischen, bij monde van mr. Ankerman, konden zich mgt het in eigen beheer nemen van den schouwburg wèl vereenigen, waarbij echter de Raad de volle verantwoordelijkheid over hetgeen opgevoerd werd zou hebben te dragen.
In dien geest stelde hij een amendement voor, waarin uitkwam, dat het toezicht voor het tooneel zou opgedragen worden aan een raadscomissie bestaande uit elke raadsfractie één.
Een ander Christelijk-Historiseh raadslid, de heer Van As, beriep zich tot steun van het amendement op de Ohristelijk-Historische beginselen. De Christelijk-Historischen — zoo redeneerde dit lid — houden rekening met het historisch gewordene. Was de schouwburg er niet, dan zou Mj niet medewerken om er een te bouwen, maar nu ze er eenmaal-'staat — meende hij — is het plicht van den Raad om het gebouw te exploiteeren en kan door goed toezicht veel onzedelijks geweerd worden.
Ook vestigde dit lid de aandacht op artikel 10 van het Christelijk Historisch program luidende:
„de Overheid is verplicht te waken voor de openbare zedelijkheid, door van het terrein des openbaren levens te weren al, wat te dien aanzien in strijd is met de duidelijke ordening Gods, "
Wat daaronder o.a. te verstaan is, aarvoor werd verwesen naar een propaganda-geschriftje dor Unie waarin omtrent het tooneel dit gezegd wordt:
„Krachtens ons beginsel behoeven wij ook geen enkele kunstuiting te bestrijden, tenzg deze de eere Gods, de goede zeden of de openbare orde aanrandt; daarom veroordeelen wij ook niethet beoefenen der dramatische kuiast, maarkeeren ons wel tegen het ijdele, prikkelende en zedebedervende, waaraan tegenwoordig velen in hunne werken een ruime plaats geren."
Hoe dit nu alles zij, het valt te betreuren, dat de Christelijk-Historischen zich uitlieten, zooals zij dit deden en voor het in eigen beheer nemen van de schouwburg opkwamen, ook al verbonden zij daaraan de voorwaarde, dat de volle verantwoordelijkheid bij den Raad zou berusten. Meenen zij, dat de commissie, die zij wenschten: b.v, zou kunnen toezien, gelijk de heer Duymar van Twist dit opmerkte, dat Gods naam niet ijdelliik op het tooneel zal worden gebruikt of gelasterd of de godsdienst zal worden bespot?
Gelukkig was het einde goed, want toen het amendement der Christelijk-Historischen verworpen werd, schaarden zij zich als één man bij de geheele rechterzijde om zicli tegen het voorstel van B, en W. te verklaren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's