Uit het kerkelijk leven.
De Kerk en het Woord Gods. III. .
De Kerk staat te midden van de wereld, van God geroepen door Zyn Geest en Woord. Niet van de wereld, maar midden in de wereld en geroepen de wereld. En door Gods Geest is zij gebracht tot het Woord, om uit en bij dat Woord te leven, met dat Woord werkzaam te zijn, dat Woord te brengen overal en straks met dat Woord te sterven. Alleen die door Gods Geest wat hebben aan het Woord en dat Woord mogen kennen als een spijze voor de ziele, behooren waarlijk tot de Kerk, gelijk allen die tot de Kerk behooren, dat ook moeten bewijzen door hun geloof en wandel naar Gods Getuigenis.
Wilt ge een karakteristiek hooren van Christus' gemeente? Luistert dan naar Paulus als hij zegt: Zoo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgeuooten Gods, gebouwd op het tundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen; op welken het geheele gebouv/ bekvsraiïifclijk samengevoegd zynde, opwast tot eenen heiligen tempel in den Heere; op welken ook gij mede gebouwd wordt tot eene woonstede Gods in den Geest, (Ef. 2 : 19—22.)
De Kerk het huis Gods; een tempel des Heeren; gebouwd op Christus; toegebracht door Gods Geest in den weg van Gods Woord, En in dat huis en in dien tempel moet alles toegaan naar Gods Woord. Gods Woord regel voor leer en leven, In de Kerk niets dan Gods Woord. En alle huisgenooten Gods zullen naar dezen regel moeten wandelen, belijdende Zijne bevelen zijn recht, verblijdende het hart. Zijn gebod is zuiver, verlichtende de oogen, de rechten des Heeren zyn waarheid, zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud, zoeter dan honig en honigzeem, in het houden van die is groot loon." (Ps. 19 : 8—12.) Daar heeft Jezus voor gebeden, gelijk we reeds zagen. Er moet geen gekibbel zijn inzake de leer van Christus en Zijne apostelen. Christus zelf geloofde het Woord Gods, het beschreven Woord van God, dat gebruikende als een geestelijk zwaard in den strijd tegen den booze. En zoo moet er in het midden van de Gemeente een geslacht leven, dat boven al de grootere en kleinere strijdvragen, de heerlijkheid, de duidelijkheid, de goddelijkheid* en de kracbt van Gods Woord kent, om bij dat Woord te leven en dat Woord te verdedigen tegenover alles, dat zich tegen de geopenbaarde waarheid verheft. Daarom zegt Paulus ook : „Voorts mijne broeders wordt krachtig in den Heere en in de sterkte Zijner macht. Doet aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kout wederstaan in den boozen dag en alles verricht hebbende, staande blijven. Htaat dan, uwe lenden omgord hebbende met de waarheid en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid, en de voeten geschoeid hebbende met bereidlieid van het Evangelie; des vredes; bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij alle de vurige pijlen des boozen zult kunnen uitblusschen. En neemt den helm der zaligheid en het zwaard des Geestes hetwelk is Gods Woord." (Ef, 6 : 10—17.)
Op den vasten rots der schriftuurlijke waarheid moet de Kerk staan; vast in de belijdenis: „deze is de Christus, de Zoon des levenden Gods, Wiens bloed reinigt van alle zonden en Wiens gerechtigheid het alles bedekkend kleed is voor een arm en doemwaardig menschenkind, dat hem in den weg des geloofs mag aanhangen en Hem mag erkennen als Borg en Zaligmaker."
Nu wil de duivel zoo gaarne van dien vasten rots af doen glijden. Door allerlei vragen, door allerlei twijfelingen, door allerlei bezwaren. Maar gelukkig staat de rots der Schrift even vast nog als duizend jaar geleden. En tegenover den duivel heeft de Gemeente van Christus, evenals haar Koning deed, het zwaard des Geestes te hanteeren, niet twijfelende aan de kracht daarvan. Waar Jezus zei: „er staat geschreven" — daar durve de gemeente dit Hem ten allen tijde na te zeggen! En ten spijt van den booze zal het haar dan niet tegenvallen. Ze zal dan bewaard worden voor haar voeten op drijfzand te zetten. Ze zal dan aanschouwen, dat het, licht den rechtvaardige opgaat, ook in duistere tijden. En wanneer sectegeesten ronddwalen om eenzijdig een stuk en een brok van de Schrift te exploiteeren om onvaste geesten in de war te brengen, dan zal de Gemeente, welke houvast heeft aan de volle waarlieid, dat verkeerd gebruiken van teksten in het helderst licht kunnen zetten, om tot de oude, beproefde paden der Schriftuurlijke waarheid terug te brengen en daarbij vooral het opkomend geslacht te sterken.
Waar blijven al die geleerde aanvallen legen de Schrift ? Worden den Oud-Testainenlische critici evenals den Nieuw-Testamentische critici niet in den laatsten tijd al de wapenen uit de handen geslagen, stuk voor stuk ? Neen, we zeggen niet, dat er geen vragen meer overblijven. Maar we zeggen toen, dat de oude Schriftbeschouwing telkens schitterend gerechtvaardigd wordt en dat we volstrekt geen reden zien om, waar de Heiland tegenover' de Oud-Testamentische Geschriften beleed : „zoó zegt God in Zijn Woord!" — in onze dagen bij de Schriften des Ouden en des Nieuwen Testaments niet meer uit te roepen: Land, land, land hoort het Woord des Heeren (Jer. 22:29) of met Luther te zeggen: wij smeeken en vermanen eiken vromen Christen, dat hij zich niet ergere en geen aanstoot neme aan de eenvoudige redenen des Bijbels en er niet aan twijfele; hoe eenvoudig en kinderlijk het ook schijnen moge, het zijn toch ontwijfelbaar louter woorden, werken, geschiedenissen en oordeelen der allerhoogste Majesteit, Almacht en Wijsheid. Want dit is het Boek, hetwelk alle wijzen en verstandigen tot dwazen maakt en alleen door de eenvoudigen en onmondigen kan verstaan worden, gelijk Christus in Matth. 11:25 zegt. Doe daarom afstand van uwe inbeelding en eigenwaan, zeg uwen hoogmoed en bijzondere gevoelens vaarwel en heb eerbied voor dit Boek, als voor het allerhoogst en edelst heiligdom, de rykste mijn, die nooit uitgedolven kan worden, opdat gij daarin de Goddelijke wijsheid vinden moogt, welke God in den Bijbel zoo eenvoudig aanbiedt, dat hij den hoogmoed aller (gewaande) verstandigen vernedert en tot schande maakt. In dit Boek vindt ge in eenvoudige en geringe windselen de dierbare schat, welke daarin besloten ligt: Christus." (Tafelgesprekken), De Gemeente zal dan ook goed doen haar schat, het heerlijk evangelie Gods, voor niets in te wisselen. En gelukkig wanneer zij niet door den geest der wereld, maar door den Geest die uit God is het Woord mag aannemen niet als der menschen woord, maar — gelijk het waarlijk is — als Gods Woord, dat ook werkt in allen die gelooven. (1 Thess. 2:13) Geboren en geroepen door het Woord zal de Gemeente ook uit en bij en in het Woord moeten leven en héél den dienst Gods zal naar dat Woord, waarin alles wat hiertoe behoort, klaar on duidelijk is geopenbaard, moeten worden ingericht. Want God is geen God van verwarring en geen God van twisting, maar een God van orde en van vrede. En omdat de Kerk geen abstracte grootheid is, , maar zich belichaamt in de zichtbare Kerk, zich in het uitwendig-zichtbare openbarend, zal die openbaring in instituut, in ambt, in orde en wet, ook moeten zijn naar het Woord, van den Heere gegeven als een lamp voor den voet en een licht op het pad.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 februari 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's