De Hervorming-herdacht.
Van student monnik.
Over de geestelijke ontwikkeling van anderen te oordeelen is zoo moeielijk, We zien slechts den buitenkant, we weten slechts wat openbaar wordt, maar de innerlijke werkplaats der ziel blijft voor ons veelszins gesloten.
Toch geven velen ons gelegenheid hen diep in de ziel te zien, doordat ze over de diepste roerselen der ziele met vrijmoedigheid weten te spreken en mededeelen van de intiemste dingen, van den innerlijken strijd, van het gebedsleven, van de geestelijke nooden, van de blijde hope en zaligste vreugd. Hoe geeft Paulus niet vaak een blik te slaan in zijn verborgen omgang met "God, in de diepte der ziel. En we hebben de Confessiones van Augustinus maar te lezen om te zien, dat hij niet schroomt zijn innerlijk leven bloot te leggen.
Zoo weten . we ook van Luther allerbelangrijkste dingen ten opzichte van zijn zieleleven en van zijn geestelijke ontwikkeling. Wel is niet alles te verklaren, maar toch weten we uit zijn eigen verklaringen, die hier en daar te vinden zijn en ook in ordelijk verband ons zijn beschreven, dat zijn ziele lang heeft gezucht om de verzoening zijner zonden, dorstende naar verzoening en vrede met God. En dan leefde hij in dagen, dat het godsdienstig leven hoe langer hoe meer in het teeken der uiterlijkheid kwam te staan en de Kerk haar heiligste goederen als koopwaar verkwanselde, waarbg de geestelijkheid een schandelijk leven leidde en de oeconomische toestand van Duitschland, onder den financieelen druk van Rome, allerellendigst was. Waartegenver de strooming van het evangelisch christendom steeds dieper werd en de mystiek van Tauler en de „Duitsche theologie" haar invloed deed gelden in ele kringen; onder herlevende belangstelling in de Heilige Schrift.
Daarmee is nu niet aanstonds verklaard wie Luther was en wat Luther is geworden. Maar waar we weten, dat bij hem twee karaktertrekken sterk op den voorgrond treden en wel teerheid van geweten en waarheidszin, daar sproten dan weer voort uit zijn diep verlangen naar gemeenschap met God.
En zoo komen we tot zijn gang naar het klooster op den 17 Juli 1505. Want het gaan van Luther in een klooster is een vlucht.
Maar niet een vlucht van een booswicht die aan het vonnis van den rechter; of aan de hand van de politie wil ontkomen, maar een vlucht van iemand die met zonde en schuld beladen overal zoekt naar troost, doch dien nergens kan vinden — om dan ten slotte den klopper. van de kloosterpoort te grijpen, daar toegang te vragen, om dan zich aan God te kunnen wijden en met het dragen vat de monnikspij van den schuldenlast bevrijd te worden.
Dat kwam zoo plotseling. Maar toch ook weer na een lang geestelijk proces waarbij zijn ziele zocht naar rust, terwijl de onrust bleef heerschappq voeren.
Luther was een vroolijk, opgeruimd jongmensch, die ijverig studeerde. In deze moeten ook Roomsche geschiedschrijvers hem een goed getuigenis geven. Niemand maakt van ongeoorloofde dingen melding en ieder prijst zijn talent en zijn liefde tot de studie. Maar terwijl hij wijsbegeerte studeerde; terwijl hij de latijnsche classieken las, vooral Cicero, Virgilius, Liviui Ovidius, Terentius, Juvenatis, Horatius en Plautus; terwijl hij de lessen van dei humanist Hieronymus Emser volgde terwijl hij daarna zijn juridische studie; begint, waarbq alles hem als haarkloverij voorkwam •— begon het hoe langer hoe meer in zijn ziel te stormen en te midden van de onrust zyns harten hoorde hij telkens dezelfde vragen: hoe zal mijn ziel rust vinden; hoe zal mijn zondeschuld worden verzoend; hoe kom ik tot een heilig leven voor het aangezichte Gods; wat is toch de beteekenis van het leven en hoe zal 't zijn als ik eenmaal kom te sterven?
De tot nu toe met zooveel ijver gevolgde studie had hem in die vragen niet verder gebracht. Hij zag nu klaar dat de veelgeprezen filosofie, die steun zou geven aan waarheid en godsdienst een riet was dat breekt in de hand van wie er op leunt. Wat moest hij nu doen! Hij zocht en schreeuwde het daarbij dikwijls uit, zijn ziele vol droefheid zijnde.
Wat hem ernstiger nog maakte was dit, dat hij eens in doodsgevaar geraakte Hij wondde zich namelijk op reis naar huis met den degen, dien de studenten toentertijd plachten te dragen. Niemand was bij hem en hulpeloos lag hg op den grond, terwijl hij gevaar liep dood te bloeden. In zijn angst riep hij Maria aan. Toen hij nu gered werd en genas, was hij ernstiger nog geworden; maar hij vond geen troost voor zijne ziel.
God was intusschen door allerlei middelen bezig hem op den weg des vrede te leiden. In den eersten tijd van zijn verblijf te Erfurt had hij bij een bezoek aan de Universiteits-bibliotheek „toevallig" een latiynschen Bijbel gevonden, die hij nog nooit gezien had. Dat was wel. een zeldzaamheid. Want de boeken zaten in de Universiteits-bibliotheek achter slot en geen student mocht een boek lezen dat hem niet met hoogere goedkeuring gegeven werd. Dit neemt echter niet weg dat Luther er een Bijbel in handen kreeg met of buiten weten zijner professoren, En tot zijn groote verbazing stond er; veel meer in dan in de kerken werd voorgelezen. Bladerende in het Oude Testament kwam hem de geschiedenis van Samuel en Hanna onder de oogen; ijlings doorlas hij deze met hartelijke blqdschap en daar dit alles hem nieuws was, kwam de wensch bij hem op ook zoo'n boek te mogen bezitten, niet vermoedende welk een groote rol dit boek eens in zijn leven spelen zou.
Fel werd zijn hart getroffen, toen een zijner mede-studenten Hieronymus Bunt uit Winsheim, die evenals hij stond naar de waardigheid van magister en het daartoe vereischte examen reeds had afgelegd, onverwacht stierf en daardoor de vermaning tot hem kwam om „nog iets anders te zoeken dan academische graden en wereldlijke eer".
Toen kwam plotseling de omkeer. In den voorzomer van 1505, toen hij 22 jaar oud was, had hij zijne ouders bezocht. Terugreizend — 't was op 2 Juï — overviel hem bij Stotternheim, niet: ver van Erfurt, een onweder. Een zwaar onweder. Een gitzwarte lucht beangstigd! zijn gevoelig gemoed. Eensklaps laat een verschrikkelijke slag zich hooren
Tegelijk verblindde hem een vreeselijke bliksemstraal. In zijn doodsangst vlakbij op den grond en riep: „Heilige St. Anna help mij! ik wil monnik worden"
Nu was 't er uit, waarover hij reeds eenigen tijd had gedacht. En waar hij maar niet toe komen kon om te doen was nu beslist. Onder „schrik van den hemel" was de belofte gedaan. God had hem geroepen. En had hij na zijn belofte ook nog wel een oogenblik berouw dat zijn lippen alzoo hadden gesproken, waar zijn liefde tot de studie en het verlangen naar het leven met zijn vrienden groot was, hij dacht er toch niet over zqn belofte, welke hem heilig was, te breken. Temeer niet, daar de rust van zijn ziel er mee gemoeid was. God zelf had hem nu den weg gewezen, meende hy. In het klooster zou zijn harte bevrediging vinden waar de onrust hem overal, vooral in den laatsten tijd, vervolgde en hem angst aanjoeg Daar in 't klooster zou zijn zondige natuur worden gedood en tot zwijgen worden gebracht bij een welgesioten systeem van gelofte, boete en tucht. Met het aantrekken van de monnikspij zou de schuldenlast wegvallen, het leven anders worden en heel de ziel zich kunnen wijden aan God en Zijn heilige Kerk.
Monnik worden, dat leek hem de veiligste weg ten hemel. In dit verband verhaalde hij later dat hij .vroeger eens een plaat of schilderij had gezien, welke diepen indruk op hem had gemaakt. De voorstelling was een schip dat de Roomsch-Katholieke Kerk voorstelde. Het was vol menschen. Maar geen enkele leek zat er in. Zelfs geen edelman, zelfs geen koning. Maar de paus en de bisschoppen op de eereplaatsen I En aan den kant de lagere geestelijken en monniken. Waar waren dan de leeken? Die zwommen in 't water om 't schip heen. Sommigen verdronken; sommigen probeerden zich bij het schip op te trekken. Sommigen hielden zich vast aan touwen, welke de geestelijken van uit het schip uit goedheid en bij wijze van mededeeling der hun gegeven genade in het water lieten hangen, zoodat er van de leeken toch nog waren die in den hemel kwamen. In het water dreef geen enkele geestelijke., , . Dat was toch wel om jaloersch te worden op die geestelijken, vooral voor iemand die naar vrede voor zijn ziel zocht. En Luther haakte naar 't oogenblik, dat hij afgezonderd van de wereld, onder de monniken zou worden opgenomen, van welk voornemen z|'n beste vrienden hem niet konden afbrengen.
„Was er toen slechts een enkele geweest, die mij het Evangelie had doen kennen", zoo zei hij later, „wat zou ik voor veel bewaard zijn! Mijn ziel dorstte naar de lafenis, die God schenkt; doch niemand gaf ze ons."
Wel had Professor Trutvetter eens gezegd, dat men alleen aan de Heilige Schrift volkomen vertrouwen moest schenken, doch de Bijbel was een totaal onbekend boek en bovendien achtte Erfurts meest beroemde hoogleeraar Üsingen het heelemaal niet goed hem te lezen, daar dit allerlei verwarring gaf en de leeken zich maar moesten houden aan de Kerkvaders, die „het sap der waarheid uit de H, Schrift hadden gezogen."
Het stond voor Luther spoedig vast welk klooster hiij zou kiezen; hetzelfde, dat ook zijn vriend Johan Lang het vorige jaar gekozen had, n.l. het klooster der Augustijner-barrevoeters, die zich tot strenger tncht vereenigd hadden, dan bij de gewone Augustijners nog werd bewaard.
In h«t laatst van de 15e eeuw was dat klooster pas gereorganiseerd. Een loszinnig leven was in de laatste jaren binnengeslopen achter de kloostermuren. Doch ijverige pogingen van vrome mannen hadden hierin groote verbeteringen gebracht. En zoo vond men kloosters die een „strenge" levenswijze hadden en kloosters die als meer „vrij" bekend stonden. Luther koos in deze voor de „strenge" richting, waarvoor de oude strenge regels weer golden. Zoo zou hij God dienen met boete.
De monnikspij werd aangetogen, het geeselkoord ter hand genomen, de gebeden opgezegd, de vasten-tijden gehouden; er werd gewaakt, geworsteld, gebeden, geleden, gestreden. En bij dat alles riep de ziele van Luther: wie zal ons 't goede doen zien?
Waarbij 't antwoord kwam van een héél anderen kant dan hij had gedacht! „Ik was der wereld geheel afgestorven en meende niet, ooit het klooster weer te zullen verlaten", zei Luther later. „Toen God het anders beschikte en Tetzel met zijn aflaat mij naar buiten dreef."
De mensch overlegt zijn weg, maar de Heere beschikt alles.
Als novitius moest de nieuwe monnik, — die tegen den wil en buiten weten" zijns vaders in het klooster was gegaan •— een proefjaar doormaken, eer hij de plechtige kloostergelofte van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid mocht afleggen.
Zijn gewone kleederen en den magisterring zond Luther aan zijn ouders en droeg voortaan de zwarte kap met het witte schoudergewaad (scapulier). De nieuweling werd door een specialen, leeraar terdege onder handen genomen, te meer daar de oude monniken vreesden, dat „de Magister" vol hoogmoedige geleerdheid zat. De vuilste werkzaamheden legde men hem op en gebukt onder den bedelzak, moest hij rondgaan om brood, kaas of geld op te halen.
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's