Stichtelijke overdenking,
Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden! Luk.23:31.
Het groene en het dorre hout!
Daar is een snijdend contrast tusschen den intocht van den Heiland in Jeruzalem en Zijne uitwerping uit de koningsstad slechts weinige dagen later. Toch werd Hem 't Hosanna tegengejubeld, nu wordt Hij uitgestooten als een eerlooze, opdat Hij buiten de poort der heilige stad Iijden zal. 't Moet u niet bevreemden, lezer, dat de Apostel, als hij zich deze bange versmading der oneindige liefde indenkt, de opwekking tot allen die des Heeren zijn doet uitgaan: zoo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijne smaadheid dragende. Immers zóó heeft Hij voor Zijn volk verworven den blijden ingang in het hemelsche Jeruzalem.
Jeruzalem. 'n Joelende volkshoop verdringt zich spottend en honend om de Romeinsche bende, die Christus met twee moordenaren uitleidt naar Golgotha; wèl werd Hq met de misdadigers gerekend.
Nog sijpelt Hem bloed langs 't bleek gelaat, door de doornen uitgeperst; fel branden reeds de stralen der Oosterzonne op den smarte-weg naar den kruisheuvel, O, zie de mensch!
Te midden der menigte bevinden zich ook vrouwen uit 't volk, die, uit heur woningen gelokt door de ongewone beroering van dezen ontzaglijken dag, den somberen stoet naar Golgotha volgen. Bij den aanblik van de schier bezwgkende gestalte van dien Eenen Kruisdrager in 't midden, aehiet haar 't licht bewogen vrouwelijk gemoed vol en zg heffen beur stem op tot een klagelijk geween van deernis en medelijden. Waar alle menschelijk gevoel tegenover den lijdenden Borg leek verstompt, daar doet althans dit ééne blqk van deernis met den Man van Smarten u weldadig aan, alleen maar, bron dezer tranen was niet 't hartgrondig schuldbesef over de verwerping des Gezondenen, doch 't ondiep en oppervlakkig gevoel van medelijden.
Daarom weert Christus deze tranen af. Hij speurt achter dit weenen geen oprechte zielsverbrijzeling, die alleen van deze dochteren van Jeruzalem den jammer der wrake zou kunnen afwenden, en met een woord, dat Zijne gadelooze ontferming vertolkt, richt Hij, de lijdende Borg, zelf wegzinkend en bedolven onder de golven der smart, zich tot deze weenende vrouwen: Weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uwe kinderen.
Hier roert erbarming, die zichzelf vergeet. Terwijl Hij zelf, wel naar den bepaalden raad en voorkennis Gods, maar dan middellijk toch door 't hardnekkig ongeloof van het Joodsche volk, wordt verbrijzeld en doorwond, wordt zijn smart nog verzwaard door de gedachte aan 't onzegbaar wee, dat de bloedschuldige stad over zichzelf verwekt. Zóó bang zal 't in die komende dagen toegaan, dat de kinderlöosen gelukkig zullen geprezen worden; ja, als een gunst zal 't worden afgebeden, begraven te mogen worden onder de kruinen der bergen, om 't wreede lot, dat de Romeinsche overweldigers hun zullen bereiden, te ontgaan. En van al dien jammer zal dit het bangste zijn — door eigen toedoen zal 't komen over Israel; deze toekomende verschrikking zal de wrake Gods zqn over het onschuldig vergoten bloed Zijns Eengeboorenen.
Weent déarover, zoo luidt des Heilands vermaan. Nog is de tijd des berouws niet voorbij. Edoch, hier baten geen tranen van ondiep gevoelsbeweeg; hier is noodig droefheid naar God; de oprechte belijdenis van eigen schuld en verdorvenheid; de bede van den tollenaar: o God, wees mij zondaar genadig; treed niet in het gericht met mij! Het zal vreeselijk zijn voor den rechterstoel Gods te moeten staan met handen, waaraan kleeft het bloed van Zijn lieven Zoon.
Wy vergeten zoo vaak, dat het lijden van Immanuel ons niet wordt afgemaaid om onze deernis te wekken, maar om bij den aanblik Zijner gadelooze ontferming en onze schrikkelqke schuld verbroken en verteederd te worden.
Dan ook zullen tranen wellen, maar die zullen niet worden afgeweerd, doch wel afgewischt op Gods tijd met den troost der eeuwige schuldvergiffenis. Zulke tranen zijn als de zaadkorrels waaruit de ruischende oogst van den eeuwigen vrede zal opwassen,
Van deze verbreking des harten speurde de Heiland niets in de tranen van Jeruzalems dochters, en daarom vermaant Hij haar, en een iegelijk onzer, die misschien nog wel deernis gevoelt over den lijdenden Man van* Smarten, rnaar 't schreien van 't verbroken hart niet kent: Weent over uzelf! want de toekomst is zoo bang. Ziet, wat zij Christus den Rechtvaardige aandoen! ddt laadt een schrikkeiijken last van doemschuld op allen, die Hem, den eenigen Redder en Heiland verwerpen.
O lezer, wentel de schuld van 't vloekwaardig bedrijf der Joden tegenover Christus niet van u af, want wat zij deden, geschiedde immers ook namens u, zoolang ook gij Jezus verwerpt. En als zij dit aan 't groene hout doen, wat zal aan het dorre geschieden!
Beluistert gg de ontroerende aanklacht uit den mond des Geplaagden over Zijne vijanden en belagers.
Als zondaren zóó den Rechtvaardige uitwerpen, wiens gansche leven één zich uitstrekken in deernis was over het gebrokene om het te heelen, over het zwakke om het te sterken, over het weggedrevene om het weer te brengen, over het verlorene om het op te richten — o hoe schrikkelijk zal 't hun deswege dan eenmaal vergaan!
Nooit werd Christus Zijn zending ontrouw. Nooit vergat Hij, waartoe Hem de Vader in de wereld gezonden had.
O, beluistert gij dan ook in deze klacht nog geen oneindige ontferming; nóg zoekt Hij 't bange lot, dat Zgne haters bedreigt, van hen af te wenden. Is dat dan nog mogelijk? Is er dan voor de bloedschuldige stad nog een weg van behoudenis? Is er dan voor zondaren, die Christus hardnekkig tegenstonden, nóg ontkoming? Ja, lezer, als zg leeren weenen, niet in ondiep gevoelsbeweeg, maar met tranen van waarachtig zondeberouw, van diepe, echte zielsverbrgzeling.
Het groene en het dorre hout! Ontroerende tegenstelling tusschen Christus en de zondaren.
Christus is het groene hout en wij menschen vinden ons beeld in het dorre.
Ec ligt in dit woord een aangrijpende waarschuwing; als de goddeloozen zóo den Rechtvaardige smaden en verwerpen, weet dan, dat zg zich aan dien Rechtvaardige ten doode vergrijpen.
Och of gij nog bekennen mocht, wat tot uwen eeuwigen vrede.dient.
Ook ons gaat dit waarschuwende woord van den Christus aan; want ook op ons is de beschamende beeldspraak van het dorre hout toepasselijk. Wij kunnen ons niet aan de neer werpende kracht van dit woord ontworstelen; dor hout, het is de voor allen geldende zondaarsnaam.
En dor hout, - waartoe dient 't anders dan om aan de vlam van het vuur prijsgegeven te worden? Als ge ze aantreft in uwe boomen, die dorre takken, dan weet ge dat er geen verwachting van vrucht meer is.
Ook u, lezer, verbrijzele deze beeldspraak, want ook uit u is geen vrucht in der eeuwigheid.
O, eens was 't anders; eens, in 't Paradijs, toen elke rank en tak en twijg van 't menschenleven groenend en bottend en bloeiend vrucht beloofde en vrucht droeg ter verheerlijking Gods. Als de weelde van dien bloeienden hof was ook 't leven van den naar Gods beeld geschapen mensch,
In ware kennis, gerechtigheid en heiligheid bloeide 't menschenkind als 't groene hout tot prijs en roem van zijn Maker,
Toen is in die bange ure van den afval van God de verzengende macht der zonde over dat bloeiende, stralende leven neergevallen en verdorring kwam op en rustte niet vóór de uiterste twijg verflenst neerhing. De kennisse Gods is uitgebluscht in den zwarten nacht van onwetendheid en verduistering; de gerechtigheid werd verdrongen door de ontzaglijke doemschuld, die 't menschenkind in onverbreekbare boeien kluisterde, en de schoone glans der heiligheid werd weggevaagd door den kanker der verdorvenheid.
Laat een nietige nabloei u niet misleiden !
Wèlbezien is de verdorring doorgegaan tot de uiterste twijg van onzen levensboom.
Doch zie, daar is een rijsje voortgekomen uit den afgehouwen stam, en een scheut uit zifne wortelen heeft vrucht, voortgebracht.
'n Man, Wiens naam is Spruite, is uit Zijn plaats gesproten, om des'Heeren tempel te bouwen.
Daar is een glanzende groene scheut, die den ouden dorren dooden boom herleving en hernieuwing spelt.
Christus is dat groene hout, het Leven, de Sprinkader des levens, die voor allen, die in nood en dood verloren zijn, een Fontein van heil en heerlijkheid wil zijn.
En wat doen zg, die 't dorre hout zijn, nu aan dit groene hout ? Zij kunnen Hem niet dulden, en rusten niet voordat deze groene loot is afgesneden, voordat Christus de Rechtvaardige aan 't vloekhout is genageld. Hij, die alleen rechtvaardig was, uitgeworpen en ten doode verwezen!
Maar dit is tegennatuurlijk, — als 't geweld zoo woedt aan 't groene hout, wat moet er dan aan 't dorre geschieden!
Maar de lévenskracht van het groene hout is onverwoestbaar, Aan Golgotha verdord is het aan den morgen van den derden dag in onverderfelgkheid weer uitgesproten en opgebloeid. En nu is uit Hem, die eeuwig 't groene hout zal zijn, het onvergankelgke leven. En nu is dit het wonder van heerlgke en almachtige genade: het dorre hout heeft het groene in den dood gedrongen, en daarmee zelf de eeuwige verbranding verdiend. Maar 't groene hout, aan 't Kruis verdord, is herleefd en staat nu als de Boom des Levens in 't midden van 't Paradijs-Gods, waar de volken onder Zijne bladeren genezing zullen vinden; en als er nu onder u, die deze regelen leest, ziijn die zichzelf als dor hout hebben leeren kennen, des doods en der verbranding waardig, om de verwerping van den Levensvorst, dan is er voor die allen leven in deze Spruite, in dezen Levensboom.
Wat zal er aan het dorre geschieden ? Wanneer u deze dreigende vraag ontroert, en u — ontdekkend uw toekomst van eeuwige verwerping — verbrijzelt en neerwerpt, dan is daarop voor u dit zielsverblijdende antwoord: gij, doode, dorre rank wordt ingeplant in 't groene hout, en dan zult gij herleven en overnieuw groeien en bloeien, maar altijd zóó, dat ge van harte gaarne instemt met den Apostel: ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.
Verwaarloos 't verband dezer Schriftwoorden niet
De Heere vermaande: weent over u zelf, komt tot berouw, tot verbrgzeling en ootmoed, want dat is de eenige weg, om 't bang verschiet van dood en doem te ontvlieden,
O, schrikkelijk. als, de ontroerende klacht van den Iijdenden Borg over uw vreeselijke toekomst u niet vermurwt, en aan uw oog niet ontlokt de traan van 't echte zielsberouw; dan is er op die ontdekkende, dreigende vraag geen ander antwoord dan dit: 't Dorre hout, uitgesneden door 't snoeimes van Gods wrekend gericht, dient nergens toe dan om buitengeworpen en met vuur verbrand te worden ! O, bewege u de schrik des Heeren tot 't geloof.
De lijdende Borg bedelt niet om de tranen uwer deernis over Hem. Komt ge niet verder, dan moet ge nog instemmen met den dichter:
Ik deed als Jeruzalems dochters weleer, Ik weende om de pijn van mijn lijdenden Heer'.
Maar ik dacht er niet aan, hoe ik zelf door mgn schuld, Zijn kroon had gevlochten, Zgn beker gevuld.
Toone u Gods Geest in Immanuels smarte de bittere schuld van uwe zonde, opdat gij in Zijn wonden schuilen leert, gedreven door oprecht en diepgaand zielsberouw en zondeleed!
O, als gij klaagt over levensverdorring, en 't u tot last en tot smart is geworden, dat ook gij tot 't dorre hout moet gerekend worden, leg dan uw oor te luisteren naar 't Woord van erbarming: die in Mij gelooft zal leven, ook al ware hij gestorven I
Smeek Hem, door uw dorrend en verstervend hart te persen den stroom van Zijn onsterfelijk Leven, opdat gij in Hem groeien, bloeien en vrucht dragen moogt tot heerlgkheid Gods des Vaders.
Niets uit u, maar 't al uit Hem, Zoo komt gij in Jeruzalem!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's