De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

14 minuten leestijd

Naar Utrecht.

Dat hebben honderden bij honderden dezer dagen uitgeroepen. Om naar de Jaarbeurs te gaan. Men kon bijna geen plaatsje in dèn trein veroveren Zóó verlangde ieder naar Utrecht, Wg stellen ons niet voor, dat het op onzen Bondsdag zóó druk zal zijn als op de-terreinen van de Jaarbeurs. Maar men kan dan toch in deze tijden nog op reis gaan, dat zag men duidelijk aan die dichte drommen van mannen en vrouwen die naar de grijze Bisschopsstad optrokken. En dat moet ons een aansporing zijn om, nu het gaat om onze Geref. beginselen, niet thuis te blijven, 't Is maar éénmaal in een jaar dat we Bondsdag houden. Laat wie ook maar eenigszins kan toch komen, opdat we, in grooten getale samengekomen, de broederbanden mogen versterken en aangevuurd mogen worden om met nieuwen qver te doen wat er in 't midden van onze Herv. Kerk voor Gereformeerde menschen te doen is. We leven in crisisdagen, ook wat betreft het kerkelgk leven. De oplossing van het kerkelijk vraagstuk dringt hoe langs hoe meeren nadert de beslissing. Rechts en links voelt men dat. Laat ons, rondom onze Geref. beginselen, als broeders één zijn, en ga er kracht uit van den komenden Bondsdag 1

Wat de aantrekkelijkheid der vergadering zeker zal vermeerderen is het feit dat prof. Van Leeuwen 's morgens een referaat zal houden. Ieder is daar nieuwsgierig naar. Vooral waar het onderwerp zoo belangrijk is.

Blijve niemand thuis. En de Heere wone rijkelijk in ons midden met Zqne genade en Geest tot eere Zijns Naams en tot onderlinge stichting en sterking.

Het Remonstrantsche beginsel.

Dr. Niemeyer wist blijkbaar niet wat eigenlqk het Remonstrantsehe beginsel was.

Dr. Heering, van Leiden, zal het hem zeggen, en schrijft: „ledereaannemeling onzer broederschap zou hem kunnen inlichten en verwijzen naar de beginselverklaring in art. 1 van ons Algemeen Reglement, waar de Broederschap der Remonstranten zich stelt „op den grondslag van het Evangelie van Jezus Christus" en van hare leden vraagt getrouwheid „aan haar beginsel van vrijheiden verdraagzaamheid." Dit ons beginsel is zoo duideliijk als wij 't wenschen en zoo ruim als wij 't begeeren. De Remonstrantsehe traditie brengt mee, dat de uitlegging aan ieders geweten wordt overgelaten." (Ingezonden stukin de N. R. Ct. van Dinsdag 19 Februari 1918, Ochtendblad B.)

Ons dunkt, dat is net iets voor dr. Niemeyer en de Vrijzinnig-Hervormden; a op den grondslag van het Evangelie van Jezus Christus" en naar »het beginsel van vrijheid en verdraagzaamheid" waarbij „de uitlegging aan ieders geweten wordt overgelaten."

Dat is niets voor de Herv. Kerk. Daar spreekt men van „de leer der Kerk"; daar spreekt men van instemming laetuigen met en handhaven van die leer; daar spreekt men van „het Evangelie van Jezus Christus verkondigen naar Gods Heilig Woord"; daar is al de jaren door vastgehouden, dat de Sacramenten van Doop en Avondmaal zullen moeten worden bediend naar het beginsel van Gods Woord en onze kerkelijke liturgische formulieren.

Daarom hooren de Vrijzinnig-Hervormden ook niet thuis in de Herv. Kerk en is de Remonstrantsehe Broederschap voor hen 't geknipte gezelschap.

Dr. Heering heeft hierin tegenover dr. Niemeyer volkomen gelijk.

De glacé-handschoenen Kerk.

Men krijgt de intellectueelen, de menschen van stand onder de Vriijzinnigen toch nooit in het midden van de Herv. Kerk,

Leiden bewijst het, den Haag laat het zien, Utrecht en Arnhem zeggen 't zelfde. Men gaat, indien men nog ter Kerk gaat, bij de Waalsche Gemeente of meer nog (in vergelijking meer) bij de Remonstranten.

Men voelt het onmogelijke om heel die. Herv. Kerk vrijzinnig te maken. Men oordeelt dat de machine van Kerkeraad. Kiescollege, Kerkvoogdij en Notabelen-kring veel te veel in elkaar zit om dit kluwen ooit geheel te kunnen ontwarren. Als men aan 't eene eind een draad losgepeuterd heeft met veel tijdverlies en met inspanning van alle geduld en krachten, dan glipt aan den anderen kant weer een draad uit de vingers en de warwinkel is weer even groot, misschien nog grooter. 't Is een „janboel" in de Herv. Kerk. En dan al dat gewone volk 1 Met die ordinaire, onontwikkelde massa is niet te praten en er valt niet mee saam te leven. Men kan er toch ook eigenlijk niet tusschen gaan zitten! En daarom enkele vrijzinnige daemagogen, verkiezingsagenten of dominé's die staan naar de macht, die mogen ageeren, schrijven en preeken zooveel ze willen, maar de intellectueelen, de menschen van stand onder de Vrijzinniggodsdienstigen laten hen praten, en gaan, als ze ter Kerk gaan, bij de Walen of Remonstranten of Doopsgezinden, ot waar 't zoo uitkomt in de stad hunner inwoning.

De moderne dominé der Herv. Ge­meente te Westwoud schrijft daarover in „de Hervorming." En wat hij schrijft is scherp en in bitterheid. , , Als er minder kliek-geest, minder zucht om kringetjes te vormen, minder kaste-en standengeest onder de menschen ware, zouden deze namen (van Luthersch, Doopsgezind, Remonstrant of Hervormd) allang tot de historische hebben gehoord. Ik heb in Leiden met Remonstranten gestudeerd en nooit kunnen ontdekken, dat hun Kerkbegrip zoo geheel anders was dan van onze Vrijzinnig-Hervormden. Het endere, wat ik altoos in hen ontdekte, was, dat het zeer merkbaar was, hinderlijk en belachelijk merkbaar sopas, hoe zij zich veel voornamer achtten dan „die Hervormden, " dat de sekte-hoogmoedigheid hun al aanstonds parten speelde. Wij, op onze beurt, als wij het hadden over „die Remonstranten, " spraken vaak spottend van „het Evangelie met de glacê-handschoenen." „Sedert heb ik in mijn predikanten-practqk menig keer iemand Remonstrant zien worden, maar als ik Idan trachtte te weten te komen waarom dit geschiedde, was mij bqna altoos maar al te duidelijk, dat hier minder godsdienstige-dan wel standsbelangen in 't spel waren."

Dit is scherp gezegd door ds, D. Mulder, Maar is 't ook onwaar?

* De Gezangen-bundel.

Dat het met dien Gezangen-bundel zoo héél schitterend staat heeft men wel eens beweerd, maar bewezen heeft men het nooit. En er zijn er dan ook altijd velen geweest, die, hoewel in beginsel niet tegen het Nieuw-Testamentische lied, niet héél hoog met dien Gezangen-bundel weg liepen. Er kon dan toch waarlijk wel een betere verzameling van kerkliederen worden saamgesteld.

Dr. Bronsveld heeft over de Evangelische Gezangen een heel dik boek geschreven. Een mooi boek. Een boek, waaraan veel tijd en zorg is besteed en waarin veel materiaal verwerkt is. En prof. Van Veen zegt in zijn beoordeeling in ; , de Stemmen voor waarheid en vrede": „van harte dank ik hem voor deze vrucht zijns ouderdoms."

In dat boek nu van dr. Bronsveld en ook in de recensie van prof. Van Veen komt het ook weer zoo duidelijk uit: dat men toch waarlijk wel iets beters mocht geven dan we nu hebben.

We laten uit de beoordeeling van prof. Van Veen een en ander volgen:

„Hier en daar had ik wel wat meer critiek op den inhoud zoowel als op den vorm gewenscht. Nu en dan wordt het een of ander Gezang als geestelijk lied wel met beslistheid afgekeurd, maar ik had zulks vaker verwacht; ook ten opzichte van de vele Gezangen, die als Kerklied totaal ongeschikt zijn, "

Ten opzichte van Gez. 53 wordt gezegd : „De schrijver (n.l. dr. Bronsveld) verzuimt echter te melden, dat men de Gemeente met dit lied de belijdenis in den mond legt van de rationalistische triag (dïieëenheid), zobdat men gerust had kunnen nalaten zulk een lied in de Gereformeerde Kerk aan te bevelen om gezongen te worden. Van Gez. 74 zou men het zelfde kunnen zéggen, hetgeen hij verklaart van het laatste vers uit het origineele Duitsche lied, dat in onzen bundel niet voorkomt: „Dit vers kon veilig weggelaten worden."

„Ik zal niet meer noemen, maar ben toch van meening, dat er te veel Gezangen zijn, die onzen bundel onteieren, in de Gemeente geen weerklank vinden, en van den Schrijver eene scherpere veroordeeling hadden verdiend, dan hun nu te beurt viel."

Prof. Van Veen schrijft dan aan het slot van zijn recensie dat hij zioh van harte kan vereenigen met den weasch van dr. Bronsveld „dat de Synode der Ned. Herv. Kerk de samenstelling van een nieuwen, verbeterden Gezangenbundel spoedig moge ter hand nemen, " maar laat daarop volgen: „Ik betwijfel echter of de Synode den moed en de kracht daartoe zal hebben; en, mocht zij toch daartoe overgaan, of zij dan in staat zal zijn zulk een bundel samen te stellen, die aan den ellendigen gezangenstrijd, welke onze Kerk zooveel kwaad doet, een einde maakt."

Men ziet uit een en ander, dat ook de vurigste gezangen-zingers niet met onverdeelden lof komen wat betreft onze Gezangen-bundels, En we zouden zeggen: de Synode moest nu eerst eens meewerken, dat de Herv. Kerken ordelijk naar Gods Woord konden gaan saamleven en saamvergaderen; dan konden, wanneer die zaak in orde is, de Kerken zelf ook over het al of niet zingen van Nieuw-Testamentische liederen spreken en beraadslagen.

Want wat baat het nu, of men al van boven af allerlei oplegt, waarmee duizenden, die uit de beginselen der Schrift wenschen te leven, zich toch niet kunnen vereenigen ?

Laat men heel dien rommel opruimen en laat men in ordelijken weg opbouwen naar de lijnen van Gods Woord, wat de Gemeente, kan stichten en Gode en Zijnen Christus tot eere strekt,

Reglementair erkend.

In Kerkblaadje vonden we een artikel van de hand van dr. Locher, Hervormd predikant te Leiden, over de belijdenis onzer Herv. Kerk, waarvan we het volgende hier overnemen:

„Heeft onze Kerk nog eene belijdenis? Eene leer ? En waarin bestaat die ? Men aou zoo zeggen : dat behoeft geen betoog; onze Kerk heeft hare belijdenisschriften; er is geen sprake van, dat onder de bel^denis der Kerk iets anders zou kunnen worden verstaan. Zóó schreef prof.Gunning indertijd ook aan mij, toen ik de stelling achter mijne dissertatie had geplaatst, dat onze belijdenis nergens anders in bestaat, dan in de bekende drie formulieren van eenigheid.

Ondertusschen had het toch een reden dat ik die stelling plaatste. Want een ander hoogleeraar had op het college betoogd, dat de belijdenis onzer Kerk nergens anders te zoeken is, dan in de onderteekeningsformule in art. 27 reglement op het examen. Dat werd daarop gegrond, dat in het reglement op Kerkelijk Opzicht en Tucht bij de woorden „geest en beginselen van de belijdenis der Herv, Kerk verwezen wordt naar genoemd artikel. We hebben indertijd herhaaldeliijk betoogd, dat die red«neering niet opgaat. Reeds op reglementair standpunt niet, omdat volgens de juiste uitlegging dier woorden in verband met den tijd waarin ze geschreven zijn, de bedoeling volstrekt niet is te zeggen, waarin de belijdenis zelve bestaat, maar alleen, wat volgens de Synode de „geest en beginselen" dier belijdenis zijn, in verband met de poging in de proponentsformule van die dagen om den geest en de beginselen dier belijdenis nader te formuleeren. We hebben er dan ook op gewezen, dat nog eeja twintigtal jaren later een modern hoogleeraar in de Synode onder de leer der Herv. Kerk niets anders verstond dan hare belijdenisschriften, en juist daarom art. 11 Algemeen Reglement wilde veranderen. We hebben er echter vooral op gewezen, dat de Synode nimmer het mandaat heeft gehad om de belijdenis der Herv. Kerk te veranderen, maar alleen om ze te handhaven, dat al hare organische regiementen niet kunnen inhouden een nieuwe formuleering dier leer, maar enkel voorschriften, hoe die leer gehandhaafd moest worden. Dat die reglementen door hare vaagheid de mogelgkheid open lieten om de leer niet te handhaven en er alles door te laten, doet aan de zaak in beginsel niets af.

Voor wie lezen wilde, was dat duidelijk genoeg. Maar ten overvloede is er nu een nieuw artikel ingevoerd en heeft kracht van wet verkrégen, waaruit ten duidelijkste blijkt, dat ook onze reglementen het bestaan van onze belijdenisschriften erkennen. Ook al weer in het reglement op het examen. Daar wordt van nu aan in art. 21c geëischt, dat de examinandus bekend zij met de symbolische en liturgische geschriften van de Nederlandsche Hervormde Kerk. De symbolische geschriften zijn niet anders dan de belijdenisschriften.

En daarmee is dus ook voor hem, die uitsluitend op reglementair standpunt staat, ten duidelijkste erkend, dat de belijdenis onzer Kerk niet te vinden is in het een of andere reglementsartikel, maar in onze formulieren van eenigheid. Het moge voor menigeen onaangenaam zijn; het is zoo.

Natuurlijk zeggen we volstrekt niet, dat we daarmee klaar zijn; maar het is goed, ook op dit punt te kunnen wijzen tegenover zulken, die menigeen zouden kunnen overbluffen door aanhaling van een paar artikelen, zonder het oorspronkelijk verband te raadplegen.

Ook vinden we 't op zichzelf heel goed, dat elk proponent die symbolische ge schriften tenminste kent en er eenige studie van gemaakt heeft. Men moet weten, wat de erfenis is van onze Kerk, wat zij beleden heeft, wat zij in de dagen van hare vestigiug in bange worsteling op grond van Gods Woord heeft vastgesteld als lijn, waarbinnen de prediking van het Evangelie van harentwege zich kon bewegen. Velen schetteren tegen de belijdenis, zonder er veel van te kennen."

Wat de Vrijzinnigen willen.

Uit de Nederl. Kerkbode (Ethisch) knippen we onderstaand stuk uit, (8 Maart 1918):

De N.R.Ct. ieeft den laatsten tijd verschillende belangrijke artikelen gewijd aan „Kerkinrichting op den bodem der werkelijkheid." Wij zouden deze artikelen gaarne onder de oogen van allen brengen die nog iets gevoelen voor het christelijk karakter onzer Kerk en voor het geestelijk welzijn van het volk. Niet omdat wij het met die artikelen zoo hartroerend eens zijn, maar om hen te doen verstaan welk gevaar er van Vrijzinnige zijde voor onze Kerk en mitsdien voor het geestelijk leven van ons volk dreigt.

De N, R, Ct, kwam in die artikelen toch tot geen andere conclusie dan deze dat de strijd om de Kerk geheel en al belijdenisloos te maken met alle macht dient te worden gestreden. Zelfs geen schaduw van de schim eener belijdenis mag er overblijven. Voor ieder, die nog maar eenigszins religieus voelt of idealistisch denkt, moet er in de Kerk een plaats zijn in wat woorden hij zijn ^geloof ook belijdt. Of men Orthodox is of Vrijzinnig, Jood of Roomsch Katholiek, Mohammedaan, Budhist, Theosoof, Spiritist, ja zelfs Animistisch Heidens het doet"er niet toe, als men maar „religieus" is, moet er voor zoo iemand plaats zijn in de Kerk. Zoo zal de groote schare „geloovigen" buiten de Kerk, nu totaal van haar vervreemd, haar weer binnen komen. Zoo zal zij weer een plaats krijgen in 't hart des volks en zal zij haar invloed op het volksleven, dien zij nu vrgwel geheel en al verloren is, weer herkrijgen. Het toppunt van echte christelijkheid zal dan zijn bereikt.

De gansche vrijzinnigheid wordt daarom dan ook in den strijd voor dit verbeven ideaal opgeroepen. De strijd moet over de gansche linie en met alle macht gestreden worden, opdat wij weldra krijgen : „éêne algemeene Vrijzinnige volkskerk."

Is het niet diep droevig? Verblijdend is het echter dat het nn eens openlijk in deze artikelen is uitgesproken tot welke consequenties het Vrijzinnig beginsel leidt. Als zij het nog niet wist, - dan weet de Orthodoxie het nu althans waaraan zij met de Vrijzinnigen toe is. En de Orthodoxen, die voor Evenredige Vertegenwoordiging zijn, weten het nu tevens waaraan zij medewerken als zij met de Vrijzinnigen blijven samengaan, n.l. aan het doen ophouden van het christelijke karakter onzer Kerk. Want krijgt de N.R.Ct. haar zin, dan is het met het christelijk karakter onzer Kerk gedaan.

Wij weten dus nu wat ons te wachten staat als de oproep der N.R.Ct. om met alle macht voor dit - verheven ideaal den strijd aan te binden, bij de Vrijzinnigen gehoor vindt n.l. een algemeene stormloop der Vrijzinnigen tegen het belijdend en christelijk karakter onzer Kerk, teneinde al wat zich nu om het christelijk karakter verre van haar houdt, te kunnen binnenlaten.

Wij hopen natuurlijk van harte dat het ideaal der N.R.Ct. nooit bereikt zal worden, want wij zouden dat èn voor onze Kerk èn voor ons volk een ramp achten.

Daarom zouden wij gaarne drie dingen zien gebeuren, die o.i. ook noodig zijn om het dreigende gevaar af te wenden.

Ten eerste dat alle Orthodoxen, die voor E. V. ijveren, daarmede ophielden, gezien de consequentie waartoe het Vrijzinnig beginsel leidt.

Ten tweede dat de verschillende Orthodoxe groepen zich toch eens met elkander gingen verstaan, den onderlingen strijd staakten en elkaar een plaats in de Kerk gunden.

En eindelijk dat de gansche Orthodoxie zich als één man schrap zette tegen het ijveren der Vrijzinnigen voor een „Kerkinrichting op den bodem der werkelijkheid" zooals die in de N.R.Ct. is bepleit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's