De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit den Schoolstrijd.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit den Schoolstrijd.

10 minuten leestijd

III.

Zien we thans wat onze vaderen in de 17de eeuw van de school verwachtten voor de zedelqke opvoeding. Het doel vinden we duidelijk omschreven in de school verordeningen van dien tijd, die al verschillen ze in enkele bepalingen toch in de hoofdzaken vrijwel gelijk zijn, In al deze stukken wordt de nadruk gelegd op de vermaning van Christus; „Zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en alle andere dingen zullen u toegeworpen worden." Alsmede op het woord van den Spreukendichter; „De vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid." In het Placaet der Staten van Zeeland luidde het: „dat het stuk van schoolmeesteren en scholen een zaak is van zulk een gewicht, dat daarop bijzonderlijk orde behoorde gesteld te worden, opdat de jeugd in de vreeze des Heeren, in alle zedigheid, onderdanigheid en goede konsten opgevoed en opgetogen werd, ten einde de gemeente, die hieraan veel gelegen is, in 't gemeen, en ieder in 't bijzonder daarvan de behoorlijke vruchten te zijner tijd geniete." De vreeze des Heeren dus eerst en daar na het onderwjjs in verschillende kundigheden; terwijl tevens blijkt, dat het niet alleen ging om de zaligheid der zielen ieder afzonderlijk, maar ook om den bloei en welstand van kerk en maatschappij.

„Een andere eigenaardigheid der gerenommeerde beschouwing, die natuurlijk op zichzelf beschouwd, niet haar alleen igen is, maar die een eigenaardigheid erd door de plaats, die zij in de geheele eer der Gereformeerden innam, waar hij het hoofdbeginsel van uitmaakte, was voor de school van niet minder gewicht; hij bedoelen n.l. de leer van de absolute souvereiniteit Gods.

Daaruit toch vloeide voort, dat aan de tucht een zeer groote waarde werd gehecht, daar zij ten doel had het kind te gewennen aan de gewillige onderwerping aan de ordinantiën Gods, in het bijzonder waar het betreft de eer en liefde en trouw te bewijzen aan hen, die over ons gesteld zijn: aangezien het Goè belieft, ons door hunne hand te regeeren." (Dr. J. Woltjer: „Wat is het doel van O. N. S.? ")

De onderwijzers van die dagen waren heer en meester in hun school en hadden volle machten, vrqheid te strafï'en, zoodra de leerlingen het verdiendec, Velen maakten van die macht misbruik en al hielden ze zichzelf dikwijls de les voor: „Houd maat in slaen en stuypen, weest coel gezint, niet hittich van gemoeden, " toch konden ze met plak en roede vaak gevoelig straffen. Nu meene men echter niet, dat het toen op alle scholen een tijd is geweest van sla-maarraak. Al is het zeker, dat de overheid roede en plak als zeer deugdelijke tuchtmiddelen beschouwde, evenzeer staat het vast, dat de beste psedagogen uit dien tijd: De Swaef, Niervaart, Dafforne, Koelman, enz., nog andere tuchtmiddelen kenden. De werken dezer mannen, zij mogen door stijl en de behandeling der stof verouderd zijn, overtreffen toch in menig opzicht, vooral door hun christelijken geest, vele opvoedingsgeschriften in onze dagen. Wat den inhoud betreft zijn ze verre van verouderd. Laten ze thans bij hen ons licht eens opsteken en beginnen we daartoe met Johannes de Swaef, schoolmeester te Middelburg, die in 1621 een groot werk schreef over de opvoeding, onder den titel: „De Geestelijke kweekerij van de jonge planten des Heeren, opdat ze mochten worden Boomen der gerechtigheid of Tractaat van de Christelijke opvoeding."

De schrijver begint met te zeggen, dat er, bij zijn weten, geen werken over opvoeding in handen der Gemeente zqn en daar het van oude tijden bevonden is, dat het niet te misprijzen valt, als:

„De Schipper van de Winden praet. De Boer, hoe 't met zgn Beesten gaet, "' daar zal men het hem, als schoolmeester, \ wel niet euvel duiden, dat hij voor denl dag komt met zijn denkbeelden omtrent 1 de opvoeding. In onze republieken, zegt! hij, vindt men overal scholen, waar del jeugd wordt onderwezen; maar evenmin als het allen koks zijn, die lange messen [ dragen, zoomin zijn het allen schoolmeesters, die dezen naam dragen. Del opvoeding is van zoo groot belang, dat de ouders wel mogen toezien, aan wien ze hun kinderen toevertrouwen en zorgen, dat ze niet in handen vallen van een „humpelaer ofte hoetelaer."

Een goed onderwijzer nu moet zijn „een Godsalig man, een voorbeeld voor de kinderen, met rechte liefde en een vaderlyeke genegenheid; met sachtsinnigheyd, om sich van alle kinderachtige dingen niet te moeijen en als hij strafbare gebreken straft niet te vergrammen; met ontsachlijckheid, om sich te maken gherespecteert te zijn, want anders souden de jonghers sqne vermaningen geen gehoor gheven; met vrijmoedigheydt, om et quaet te straffen; - en met gherechtigheyd, om het eene kind met meer deur de vingheren te sien dan het ander." Hebben de ouders zoo iemand gevonden dan moeten ze hem ook geheel hun vertrouwen schenken en hem volkomen iftcht geven, om hun kinderen te veranen en indien het noodig is te straffen Dat aan dit vertrouwen in den onderwijzer nog al eens iets ontbrak, vertelt , Ds Cornelis Dirkz van Niervaert:

Veel Vaders en Moeders syn so mal met [haer Kinderen,

Hoort toe, wat ze tegh«ade Schoolmeesters [ghewaghen:

Meester en bekijft mijn Kind niet, het [mocht hem hinderen,

Lis nog jong en teer, 't en kan gheen woorden verdraghen:

Theeft noch om te leeren veel jaren end'

[Daghen; heeft mijn Kindeken toch zijn willeken,

[zegghen zij expres, lat se in één jaer niet en leeren, Dat leeren [sy in zes."

Maar juist door die toegeeflijkheid, zegt Dafforne, hebben de ouders geen acht over hun kinderen en „daerom open de Verkens in 't Kooren ende [bederven het al.'' .

Reeds op jeugdigen leeftgd zijn zeden baders ontwassen en moeten deze dikrijls bidden en smeeken, om iets van en gedaan te krijgen. Is het met hun Ikind eenmaal zoo ver gekomen en zijn •de ouders ten einde raad, dan moet de .eester helpen en heet het: „Het boefen is so stout, ick moet hem ter school jesteeden"; waar dan de onderwijzer kan [goedmaken, wat de ouders bedorven heb-Iben. En, voegt De Swaef er bij, als de _eester dan de bengels om hun kwaad straft, oogst hij van de zijde dej ouders niet dan ondank.

Ende se zegghen teghen recht ende [reden: ^Meester en slaet mijn Kint niet, of ick [zal 't elders besteden!"

En voor dit „elders besteden" is dan menig onderwijzer zóó bevreesd, dat hij ziijn leerlingen te veel ontziet en de teu-Igels kwijtraakt. Evenwel, „een Schooljmeester moet hierin syn plicht doen, soo hij 't voor God wil verantwoorden, onjaengesien danck of ondanek van men-Ischen; want souden sy soecken de men-Ischen daer in te behaghen, soo konnen sy God niet dienen in haer beroep."

lntusschen nam dit kwaad zulke afmetingen aan, dat de overheid genoodzaakt was in te grijpen, door o. m. te ibepalen, dat overloopers op geen andere Ischool geplaatst mochten worden, indien het schoolgeld op de vorige niet tot den laatsten penning was betaald. Afdoend is deze maatregel niet geweest, want jaren na dato schreef een ander:

„Scholen zgn gelijk duivetillen; nu eens dicht bevolkt, dan weer haast leeg, doordien de duiven niet weten, waar zij het lekkerste voer vinden. Evenzoo zijn de kinderen heden in de eene school, morgen op de andere: ze kunnen niet terecht gezet worden, of ze zijn weer op de vlucht." Nu zagen we reeds, dat dit terechtzetten door velen werd opgevat als: zullen soveel placken hebben ofte hem met roeden clouwen", doch we merkten ook op, dat de beste psedagogen nog andere pijlen op hun boog hadden. Zoo moesten bij Dafforne de te-laat-komers na schooltijd hun schade inhalen en zette hij leerlingen, die door luiheid hun les niet hadden gekend, in den „put der onwetenheyt, " een kring voor meesters catheder getrokken.

Ook Jacobus Koelrnan, predikant te Sluis en leerling van Gysbert Voetius, gaf in zijn werk, „De plichten de» ouders in kinderen voor God op te voeden, " vele nuttige wenken omtrent opvoeding en tucht.

Zoo zegt hij o.a.: „Geen opvoeder mag straffen in drift, wacht tot gij weder in kalmte zijt; uw wijsheid, niet uw passie Moet straffen. Houd ook vooral rekening lüet den aard der kinderen en straf ze «na proportie, " gelijk een medicijnmeester zijn recept schikt naar den patient en naar zijn ziekte. Onaangename tuchtmiddelen zijn als medicamenten, welker eigenschap is, dat ze helpen, indien ze bekwamelij k worden toegediend, maar die meer schaden dan baten, indien ze verkeerd worden gebruikt. Welke geneesheer zal zijn patiënten bittere pillen geven om ze te kwellen ? De kastijding IS ook een bittere pil en men dient ze te vergulden in wqsheid en te geven in liefde.''

Ook hier geldt echter de les, dat voorkomen beter is dan genezen. Daarom zegt Koelman: „Hebt een jaloers oog ver het doen en spreken der kinderen waakt over haar zorgvuldig, want zg en in vele verzoekinghen en kennen haar hert noch haar verdorvenheit ende zwakheid niet." Maar bovenal geeft hij üen opvoeders de wgze les, op zichzelven letten, want door het goede voorbeeld van den onderwgzer worden alle tuchtmiddelen in hun uitwerking versterkt, terwgl echter in het omgekeerde geval en alle kracht wordt ontnomen.

„Wees daarom niet te familiaar met de, kinderen, bewaar een behoorlijke distantie ; maar zorg-ook, dat gij hun niet; vreemd blijft, of dat ze u vreezen. Hoe' meer gij ze liefhebt, hoe meer ze van u zullen houden; en hebt gg dit bereikt dan zullen ze u des te gewilliger gehoor zamen en des te meer berouw hebben over hun ongehoorzaamheid. Ook kunt gij dan, als het noodig is, gerust gestreng zgn; want zij zullen inzien, dat het alleen hun fout is, die u mishaagt en niet hun persoon. Leg ook niet op alle slakjes zout, maar leer op zijn tijd kleine vergrijpen door de vingers zien. Steun de kinderen in hun pogingen, om het kwaad te overwinnen, opdat ze niet moedeloos worden of door veelvuldig straffen gevaar loopen in het kwaad te verharden."

Zien we ten slotte nog, hoe het met 't inkomen der schoolmeesters in de 17e eeuw gesteld was. In de eerste plaats genoten zij een vaste jaarwedde, waarbg het, helaas! te betreuren viel, dat de wetgever verzuimd had, het minimum vast te stellen. Alleen in Friesland legden Ged. Staten , den dorpen de verplichting op „den schoolmeesters eerlijck te salariseren, " terwijl men het in Gelderland voldoende vond, „de meesters in hun eerlijck en noodigh werck te verwackeren, " door hun tractement prompt op tijd te betalen. Vooral uit Holland kwamen vele klachten. Verder genoten de onderwijzers het schoolgeld der betalende leerlingen, dat per maand betaald werd. Daar echter hun „salarium so magher was, " zochten en vonden tal van schoolmeesters zooveel bijbaantjes, dat zij groot gevaar liepen de orde om te keeren en hun hoofdwerk tot bijzaak te verlagen.

De te lage bezoldiging gaf Niervaert deze klacht in de pen:

„Zal dees edele Pennekonst nog lang om [brood gaan ?

Zal men de Jeught nog lang in 't wild [laten leven ?

Zal liefd' tot leering nog lang naekt end' [bloot staen?

Zal men de Tuchtmeesters nog lang koperen loon gheven ?

Zal konst end' wetenschap nog lang z^n verdreven ?

Zal men Minervam nog lang verstoeten [end' verjaghen ?

Zal dit nog lang duren ? Dat is te beklaghen"

•„Zal dit nog lang duren? " Niervaert had zeker niet kunnen droomen, dat in ons goede land in den jare 1918 de onderwijswereld nog in het teeken van de salarisactie zou staan.

{Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 maart 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit den Schoolstrijd.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 maart 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's