Uit het kerkelijk leven.
Uit elkaar gaan.
De N. R. Ct. heeft het nog weer eens over 't geen de orthodoxen en de vrijzinnigen moesten doen om te komen tot oplossing van het kerkelijk vraagstuk, naar aanleiding van 't geen dr. Kromsigt dienaangaande schreef in „de Geref. Kerk".
Dr. Kromsigt had gepleit voor een „massaal uittreden der modernen" waarbg 't hun ook finantieel, naar den maatstaf van practische billijkheid (op de wijze, zooals ook dr. Hoedemaker aanduidde) zoo gemakkelgk mogelijk moet worden gemaakt. „Laat men toch liever zoeken een vrede naar billijkheid dan een strijd in het uiterste van richtingen, wier „principes onverzoenlijk zijn" (van Maurik Broekman), hoewel wg natuurlijk, als men dien strijd per ae verkiest, daartoe bereid zullen zijn en geen oogenblik denken aan een „massalen uittocht" onzerzgds, die èn met het oog op onze historie èn met het oog op onze reglementen het gekroonde onrecht zou zijn en een overloopen tot het separatisme, dat we steeds bestreden hebben."
De N. R. Ct, antwoordt daarop: „Men bemerkt, dat de leider der confessioneelen het uiteengaan der richtingen alleen goedeurt, als de modernen de Kerk verlaten. echter weet hg, dat ze dit alleen zullen doen na een beslissende overwinning van de ultra orthodoxie, die door de Kerk reglementair tot een belgdeniskerk naar hun opvatting om te vormen, het verblijf der vrijzinnigen in de Kerk langer onmogelqk zou maken. Hierop alleen doelt ook dr.Hooykaas in het Handelsblad, als hij spreekt over den „massalen uittocht", die zoozeer dr. Kromsigts instemming heeft verworven. Omgekeerd zal de ultra orthodoxie eerst tot het „separatisme" vervallen, zoo de vrijzinnigen de beslissende overwinning behalen en alle rudimentaire overblijfselen van het oude confessionalisme uit de reglementen verwijderen." Men bemerkt, dat de N R. Ct. zich voor de zooveelste maal heel onnoozel weet te houden en doet, alsof tegenwoordig de Herv. Kerk op reglementair standpunt geen belgdeniskerk is Maar dat hebben dr. Hooykaas en dr. Miedema en anderen in de laatste weken dan toch wel anders gevoeld en anders gezegd! Het is buiten kijf, dat de Herv. Kerk, reglementair genomen, een belijdende Kerk is en ieder Hervormde bindt aan de symbolische, kerkelijke belijdenisschriften, met de verplichting in geest en hoofdzaken met die belijdenis in te stemmen. Daarbij is, wat de vrgzinnigen ook wel« weten, van een overwinning der modernen, om 'uit de reglementen uit te bannen alles wat ook maar op een bel^denis lijkt, naar den mensch ge-sproken, absoluut geen kans.
Ja, door de hulptroeppn van de Waalsche heeren, kunnen de vrijzinnigen het nog zoowat tegenhouden dat de reglementsbepalingen inzake de belijdenis niet verschi^pt worden — hoewel de meerderheid van de Kerk dit wel wilde —< maar om deze bepalingen te ver slappen kunnen ze nooit er doorhalen. Nu nog veel minder dan 50 jaren geleden, In dat opzicht is zonder twijfel het belijdend element in de Herv. Kerk versterkt. En er behoeft hier en daar nog maar een kleine wijziging ten goede te komen, waarop wel eenige kans is, dan worden de verhoudingen in de Besturen onzer Kerk beslist gunstiger ten opzichte van de voorgenomen plannen van rechts.
En daarom deed de N. R. Ct. verstandiger om met andere vrgzinnigen eerlijk te erkenmen, dat de moderne principes onverzoenlijk staan tegenover de orthodoxe beginselen, waarbij de orthodoxen recht hebben op de Herv. Kerk, doch de vrijzinnigen niet. Dat zou verstandiger zgn, dan te schrgven gelijk zg nu doet; waarvan we dit nog overnemen:
„Zgn de confessioneelen van zulk een vrede door overwinning, die tevens een vrede door uitputting zal zijn, in allen ernst afkeerig, dan zullen zij te vinden moeten wezen voor een vrede door schikking, zooals de richtingen in de Hervormde Kerk in Frankrijk die na de invoering van de scheidingswet hebben gesloten. Daar beschouwt men elk der beide Hervormde Kerken, die uit de éene van vroeger zijn voortgesproten, als de geschiedkundige en rechtmatige voortzetting van het voormalig Kerkgenootschap."
Dat menschen, die vierkant in strijd zgn met de hoofdbeginselen van de Hervormde belijdenis geen Hervormden zijn is toch, dunkt ons, duidelijk. De vrijzinnigen kunnen niet als de historische en rechtmatige voortzetting van die Herv. Kerk in dezen lande worden beschouwd. Maar wat geeft dat nu toch ? Waarom moet men nu per se Hervormd heeten? Hoort men niet veel meer historisch en rechtmatig bij de Remonstranten ?
Laat men de geschiedenis toch in alle eerlijkheid laten spreken en de feiten niet ergerlijk verdraaien.
Statistiek Ned. Herv. Kerk.
In de Herv. Kerk, waarvan het zielenaantal 2, 971, 216 is, zijn 10 Provinciale ressorten en wel Gelderland met de 6 classes Arnhem, Nijmegen, Zutphen, Tiel, Bommel en Harderwijk; Zuid-Holland met de 6 classes 's Gravenhage, Rotterdam, Leiden, Dordrecht, Gouda en Brielle; Noord-Holland met de 5 classes Amsterdam, Haarlem, Alkmaar, Hoorn en Edam; Zeeland met de 4 classes Middelburg, Zierikzee, Goes en IJzendqke; Utrecht met de 3 classes Utrecht, Amersfoort en Wijk; Friesland met de 5 classes Leeuwarden, Sneek, Franeker, Dokkum en Heerenveen; Overijsd met de 3 classes Zwolle, Deventer en Kampen; Groningen met de 4 classes Groningen, Winschoten, Appingedam en Winsum; Noord-Brabant met Limburg met de 5 classes 's Hertogenbosch, Breda, Heusden, Eindhoven en Maastricht; Drenthe met de 3 classes Assen, Meppel en Emmen.
Het aantal classes bedraagt 44. Het aantal Gemeenten 1364, het aantal predikantsplaatsen 1650; het aantal vacatures 163 (in Gelderl. 14; Z.-Holland 35; N.-Holland 31, Zeel. 13, Utrecht
8, Friesland 23, Overijsel 10, Gron. 19, N.-Brab. 3, Limb, en Drenthe 6).
In den laatsten tijd zijn hier en daar nieuwe predikantsplaatsen gesticht en wel:15 Oct. 1916 te; IJmuiden; in 1917 te Velseroord (waaraan een Rijkstractement van f 800 werd verbonden); te Heerlen-Brunssum (Limb.) (met een Rijkstractement van f 1000); te Hollandsche Veld (Zuid Oost), waar 12 Nov. 1916 de eerste predikant bevestigd werd en 27 Sept. '17 de nieuw gebouwde kerk werd ingewijd.
Te Hollandsche Veld worden voorts pogingenaangewendeennieuwe Gemeente te stichten te Kloosterhaar (Dr.) Sedert 25 jaren staat daar reeds een kerkgebouw met 360 zitplaatsen en wordt er geregeld Zondags godsdienstoefening gehouden.
Een nieuw kerkgebouw werd 26 Dee. '16 aan het station de Bilt ingewqd en 25 Maart '17 hield de eerste predikant der jonge Gemeente Schoten, ds. M. G. Blauw, de inwijdingsrede voor de daar gebouwde Juliana-kerk.
De Kerkeraden van Arnhem, Apeldoorn en Wolvega doen stappen om een fonds bijeen te brengen, respectievelijk voor een 9de, een 4de of een 2de predikantsplaats.
In de kerkgebouwen der Ned. Herv. Gemeente te 's Gravenhage wordt maandelijks een collecte gehouden voor de oprichting en instandhouding van nieuwe predikantsplaatsen.
De pogingen van den' kerkeraad van Amersfoort om een 4dej)redikants^aats aldaar te vestigen, blijken voorloopig nog niet tot het gewenschte doel te zullen leiden.
Het aantal theol. studenten is bedenkelijk laag. Van Sept. 1916 tot Mei 1917 weïdert 21 candidaten tot den H. Dienst toegelaten en gedurende den cursus 1916—1917 zijn in het Album der kerkelijke hoogleeraren ingeschreven 136 studenten, van wie 31 voor de eerste maal.
Het aantal vacaturen, dat door overlijden en emeritaat jaarlijks ontstaat, wordt berekend op 40.
Het aantal godsdienstonderwijzers is 132, benevens 2 hulppredikers en 4 godsdienstonderwij zeressen.
Het aantal leerlingen die de catechisatie bezoeken (1916) is ongeveer 263, 050,
Aantal van degenen die belgdenis aflegden:24, 835.
Aantal van hen, die van de Herv. Kerk naar andere Kerkgenootschappen overgingen:604.
Aantal van hen die van andere genootschappen over kwamen naar de Herv. Kerk:521.
Stadszending en Stadsevangelisatie vindt men te Rotterdam, waar de Stadsevangelisatie „het Vischnet" in het leven werd geroepen door ds. I. O. H. Seholten;
te Utrecht waar de Stadazending staat onder leiding van de predikanten E. B. Oouvée en G. Koning; te 's Gravenhage waar de „Hervormde-Stadszending" geleid wordt door ds. I. O. SchuUer; en te Amsterdam waar de „Hervormde-Stadszending" de Oude-Zijds-Kapel als Evangelisatie-gebouw gebruikt sedert 11 Febr. 1917. Ds. A. Voorhoeve is voorzitter en leider.
Verder vindt men in het midden van onze Herv. Kerk de „Vereeniging tot Colportage en Evangelisatie in de drie Noordelijke Provinciën"; de „Bqbelvereeniging voor Noord-Brabant en Limburg, gevestigd te Klundert" en verder de „Bond voor Evangelisatiën in en ten bate van de Ned. Herv. Kerk."
Wat het werk der barmhartigheid aangaat, bizonderlijk 't geen in deze door de diaconieën in onze Herv. Kerk wordt verricht, .kan worden gemeld, dat de gezamenlijke diaconieën in 1916 te beschikken hadden over een bedrag van f 2, 456, 589.57 uit bezittingen; uit andere middelen brachten ze bijeen f 848, 557, 081/2; uit collecten konden ze f 975, 751.71 boeken en ter ondersteuning van behoeftigen werd uitgegeven f 3, 098, 293, 63.
Hierbij mag ook genoemd worden het werk van de verschillende Vereenigingen voor Kinderzorg, zooals die in onder scheidene classes worden gevonden; de stichting „Valkenheide", de Weesinrichtingen te Neerbosch en te Alphen a. d Rijn; de Inrichting voor zwakzinnigen te Rekken (directeur ds. W. L. Slot) gelijk ook de Vereeniging tot steun van verwaarloosden en gevallenen, met haar viertal Doorgangshuizen te Apeldoorn en te Epe.
Wat het werk der „Uitwendige Zen ding" betreft is zeker vermeldenswaard dat 19 Sept. 1917 het nieuwe gebouw der Nederlandsche Zendingsschool te Oegstgeest (bij Leiden) is geopend.
* Godsdienstonderwijs.
Het Classicaal Bestuur van Gouda heeft bij de Synode van 1917 het volgende adres ingediend inzake het Godsdienstonderwijs: „Het Classicaal Bestuur heelt met smart opgemerkt, dat in zijn ressort het aantal catechisanten en vooral het aantal aannemelingen gaandeweg slinkt. Ook wordt de verhouding tusschen jongens en meisjes hoe langer hoe meer ten nadeeie van de eersten gewijzigd. Indien bij het aantal aannemelingen de jongens 1/3 halen is het al heel veel. Op den langen duur wordt dus onze Kerk er eene van vrouwelijke lidmaten, wat met het oog op allerlei eigenaardige bezwaren met zich brengt.
Het Classicaal Bestuur wendt zich nu tot U met een verzoek. Zou het niet zijn nut kunnen hebben, • indien Uwe vergadering een niet te groote Oommissie benoemde, om over den toestand van het godsdienstonderwijs rapport uit te brengen en U te dienen van advies, om het godsdienstonderwijs uit den kwijnenden toestand waarin het verkeert weer op te heffen.
Het wil ons toeschijnen, dat alleen het feit: de Synode bemoeit zich met het godsdienstonderwijs, stelt er belang in, menig predikant een prikkel, zou zijn, of een riem onder het hart zou steken. Aanschrijvingen baten weinig, de Synode moet in levend contact komen met het godsdienstonderwijs.
Daarbij komt, dat zoowel in de grootere steden als op het platteland het leven en het maatschappelijk onderwijs zóo gecompliceerd zijn, dat er voor godsdienstonderwgs geen tijd overblijft. Zoodra de Synode, het vertegenwoordigend lichaam van onze Kerk, zulks weet, door grondig onderzoeken, kan zij met meer kracht voor het bedreigde godsdienstonderwas in de bres springen, dan de eenling van hoe goeden wil hij ook zij."
Herinnerd mag hierbij worden aan een uitvoerig rapport belangende deze zelfde aangelegenheid, uitgebracht in de Synode van 1902 (Syn. ftcta 1902 blz. 570—606), waarop.in 1903 nog weer een breede discuseie met een uitgewerkt rapp(? rt inzake het godsdienstonderwijs volgde (Syn. acta 1903 blz. 516 enz.
Sinds is, ook buiten de Synode, het godsdienstonderwijs door velen behandeld in eene nog voortdurend aanwassende literatuur. Waarbij zeer zeker vermelding verdient het onderzoek ingesteld door het „Hoornsehe Convent" met het daarop gevolgde rapport. Ben gelijksoortig rapport stelde het Qerejormeerd Schoolverband in.
Bij de eerstvolgende persoonlijke kerkvisitatie zullen de Olassicale Besturen hunne bizondere aandacht wijden aan den toestand van het godsdienstonderwijs, waartoe de Synode deze Besturen heeft aangeschreven.
De zaak is het waard, dat er nog eens bizonder acht op geslagen wordt, want de toestand is veelszins inderdaad treurig. Hoe worden de jongens niet door hun werk verhinderd ter catechisatie te gaan ? Hoe nemen niet allerlei avondlessen en cursussen voor bizondere .vakken allen tijd in beslag? En als de werkgevers vrij geven en avonduren beschikbaar zijn, gaan de jongens toch niet naar de catechisatie! Bij de ouders is ook nietj genoeg overwicht op hunne kinderen en jeugdigen van jaren doen wat ze willen. Daarbij neomt de belangstelling in den godsdienst af en zoo vervreemd vooral de rijpere jeugd van alle religie.
Hierbij komt ook, dat er wel predikanten zqn, die dit deel van hun arbeid veronachtzamen. De catechisaties staan te veel stil of worden door een ander waargenomen. Zulks werkt storend en bevordert de belangstelling niet. Waaxbij ook nog komt, dat er wel predikanten zijn die veel te weinig aandacht schenken aan de te behandelen leerstof en veel te onbelangrijke dingen als in sleur blijven vasthouden, terwijl alles roept om een grondige herziening wat localiteit en leermiddelen betreft,
We hopen dat de predikanten en de kerkeraden mitsgaders de kerkvoogden hun volle aandacht eens zullen willen geven aan deze zoo belangrijke zaak en dat het onderzoek van de Olassicale Besturen in alles zal worden bevorderd om een goed overzicht in deze te verkrijgen.
Collecte voor Pred. weduwen en weezen.
De CiassiealeVergadering van Dordreciit heeft in 1917 met algemeene stemmen besloten ' de Synode te verzoeken maatregelen te nemen, dat al de Gemeenten toch zullen meewerken om het lot van predikants-weduwèn en weezen te verijeteren, door voor het Weduwen-en Weezenfonds te collecteeren of giften daarvoor te bestemmen. De Synode heeft het schrijven van de class, vergadering van Dordt ernstig besproken, maar wilde, na de pogingen in deze reeds door haar gedaan, nu afwachten of de Gemeenten dit jaar wat meer zullen doen dan vroeger. Diensvolgens is ïiu de wenseh, dat in alle Gemeenten een collecte zal worden gehouden voor de predikants-weduwen en weezen, wier lot over 't algemeen niet rooskleurig is; waarbij toch de Gemeenten de roeping hebben in deze de helpende hand te bieden.
Terecht verontwaardigd.
Dr. Bronsveld heeft het in Stemmen voor Waarheid en Vrede (Kroniek, Maart 1918) over het vreemd gedoe, dat onder de vrijzinnig-godsdienstigen is op te merken. Daar wordt n. 1., zoo schrijft dr. Bronsveld, „met den meesten ernst de vraag besproken, in, , vrijzinnige" kringen, of de Heere Jezus Ohristus, het Hoofd der Kerk, ooit heeft bestaan."
„Over die vraag", zoo zegt dr. Br., „wordt gehandeld met zeer groote kalmte, als een historische kwestie zeer belangrijk zeker, maar niet van het allergrootst belang. Mocht nu, na 19 eeuwen, worden uitgemaakt, dat Jezus er nooit is geweest, welnu — men zal er zich bij neerleggen en zich troosten met de gedachte, dat men dan toch altijd het christendom behouden heeft. Het verwondert en het bedroeft mij in de hoogste mate, dat men over deze zaak schrijven kan op een wijze als de heer Bakels en anderen doen, en dat van rechtzinnige z'vjde niet me meer kracht tégen deze historie-verkrachting wordt opgekomen. Heeft Jezus Ohristus nooit bestaan, dan is alles wat tot heden Hem werd toegeschreven niet geschied. Dan hebben wij Zijn prediking niet; Zijn voorbeeld niet; dan is ook niet door Hem volbracht wat tot heden ons met blgdschap en dankbaarheid vervulde. Dan missen wij niet alleen onzen Leeraar, maar ook onzen Priester en Koning; dan staan wij nog weerloos tegenover de zonde, en troosteloos tegenover den nacht en de macht van lijden en dood. Ik kan mij niet zelfs de helft denken van hetgeen wegvalt als Jezus wegvalt, zonder diep verslagen te worden.
Meer dan vijftig jaren heb ik dan onwaarheden verkondigd; de menschen getroost in leven en sterven met verzinsels ... en zal ik dat nu nog herroepen moeten en hen verwijzen naar de werken van prof. Bolland en den heer v. Eysinga te Zutfen? Ik doe het niet, want al heeft het N. Testament, al heeft de persoon van den Heiland ook voor mij zijn voor 't verstand niet opgeloste mysteriën — ik weet, dat Hij geweest is en is de goede Herder, die Zijn leven voor ons gaf, en die den dood heeft overwonnen. Maar hoe smart het mij dan ook, van het christendom, het aan Jezus Ohristus onafscheidelijk verbonden christendom, te hooren spreken als een verschijnsel, dat zijn tijd heeft gehad. En dat men van dat gevoelen zijnde, een christenkansel beklimt en roemt in zijn rijkdom, is mij een raadsel der raadselen. Voorzeker, wij gaan door moeilijke, donkere dagen heen, en niet altijd zeggen wij met Athanasius en Voetius: , 't Is een wolksken, het zal voorbijtrekken." Maar met kracht en klem betuigen we, dat „de kracht Gods tot behoudenis", welke wij behoeven, niet is te zoeken bij Grieksche of Oostersche wijsheid. Geen ideeën, , maar feiten hebben wij noodig; hen laten wij ons niet ontnemen, al is hun verklaring niet altijd gemakkelijk."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 maart 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 maart 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's