De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verslag

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verslag

10 minuten leestijd

van de 13de Jaarvergadering

van den Geref. Bond op Donderdag 21 Maart 1918 in een der zalen van het Gebouw voor K. en W. te Utrecht.

I.

Meer dan gewone belangstelling kenmerkte onze jaarvergadering, die de vorige week Donderdag weer gehouden mocht worden.

De bovenzaal van het Gebouw op de Mariaplaats te Utrecht was des morgens geheel gevuld en des middags zoo goed als geheel bezet, We zagen er oude bekenden, die reeds jaren gewoon zijn onze jaarvergadering te bezoeken — er zullen er wel geweest zijn die van de dertien jaarvergaderingen nog geen enkele hebben verzuimd — en we zagen ook enkele nieuwe gezichten, die wij vroeger nooit hadden opgemerkt, maar die blijkens hunne aanwezigheid toch ook nadere kennismaking met ons Bondsleven begeerden. We willen hopen dat de kennismaking van dien aatd is geweest, dat, gelijk dat reeds met enkelen het geval was, nadere aansluiting het gevolg zal zijn.

Onze Voorzitter was als steeds op zijn post. De plaats, die hij zelf nooit heeft gezocht, maar die hij, onder Gods voorzienig bestel door den drang der omstandigheden er toe geroepen, in ons Bondsleven inneemt, heeft hg steeds waardig en met eere bekleed. Niettegenstaande de critiek, die door sommigen op zijn beleid wordt geoefend en die vooral voor buitenstaanders o zoo gemakkelijk is, zijn wij er dan ook zeker van dat wij het gevoelen van de overgroote meerderheid van onze Bondsleden vertolken, wanneer wij hem, naar de behoefte van ons hart, hier openlijk warme hulde brengen voor hetgeen hij in het belang van onze Bondsactie gedaan heeft en doet. Moge de Heere zijne krachten sterken om door kwaad gerucht en goed gerucht pal te big ven staan voor de beginselen, die hem en ons dierbaar zijn, en worde onder zijn gewaardeerde leiding de arbeid van onzen Bond steeds meer dienstbaar gesteld tot bloei onzer Kerk, wier opbouw en herstel door niemand meer dan door hem zoo hartel|k wordt begeerd en gezocht.

Als gewoonlgk werd de vergadering dus door onzen Voorzitter geopend. Na het zingen van Psalm 89 : 7 leest hij voor Mareus 4 : 30—41 en gaat hierop voor in gebed, waarin de uooden van Kerk en volk voor den troon der genade worden nedergelegd. Hierna spreekt hij een kort openingswoord van ongeveer dezen inhoud:

Hoewel de wolken, die zich boven ons saampakken, donker zijn, geeft de Heere ons nog het voorrecht dat wg in vrede mochten samenkomen. Het verblijdt mij grootelijks dat de opkomst zoo talrijk is, vooral omdat deze dingen ook nog hiervan getuigen dat te midden van de zorgvolle stoffelijke omstandigheden er toch een vragen is naar geestelijke dingen. De stoffelijke dingen dreigen ons meer en meer neer te trekken en, als God het niet verhoedt, zullen deze moeilijke dagen ons volk te dien opzichte niet tot voordeel maar tot oordeel zijn. Daarom is het een oorzaak van groote blijdschap dat er ook wat ons kerkelijk leven betreft nog naar geestelijke dingen gevraagd wordt. Ook op kerkelijk gebied toch is het een tijd van onrust en storm. Ook daar rijst de vraag: wie zal ons het goede doen zien? Gelukkig dat de Heere er ons bijzonder in dezen lijdenstijd bij bepaalt dat, omdat aan Gods recht voldaan is, er rust is in Christus. Recht geeft rust. Waar het schip van Gods Kerk in deze bange tijden dan ook op en neer wordt geworpen, en men ieder oogenblik vreest dat het wrak geslagen zal worden, daar geve God ons door het geloof op Christus te zien. Mogen wij dan ook door middel van de stormwinden van onzen tgd dieper inwortelen door het geloof in Gods Woord, door het geloof in Jezus Christus, die gisteren en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid.

Onder het uitspreken van zijn blijdschap en vreugde dat prof. dr. J. A. C. van Leeuwen zich bereid heeft verklaard in deze vergadering een referaat te houden, geeft de Voorzitter hierna aan den hooggeleerden spreker het woord.

Professor van Leeuwen was ons niet onbekend. Wij wisten dat Z.H.Gel., sinds enkele jaren lid van onzen Bond, warme sympathie voor onze beginselen had, en ook wg voelden aan hem den band, die ons bindt aan alle hoogleeraren, die op den bodem onzer Gereformeerde Belijdenis staan. Daarom had het ons ook hartelijk verblijd dat deze professor zich bereid verklaard had, om op deze vergadering te spreken over een onderwerp dat niet het minst in ome dagen van zoo groote beteekenis is.

„Voorwerpelijke en onderwerpelijke prediking." Dat was het onderwerp, waarmee prof. van Leeuwen zijn referaat heeft aangekondigd. En over dat onderwerp heeft hij zulke uitnemende dingen gezegd, dat wg hier slechts kunnen volstaan met er eea beknopt verslag van te geven, aangezien het referaat in zijn geheel zal afgedrukt worden en dan weldra in brochurevorm verkrijgbaar zal zqn.

Spreker begint mét te zeggen datzgn onderwerp is van actueel belang. Hij laat op het oogenblik het kerkelijk vraagstuk rusten. Immers het betreft hier de actualiteit van het blijvende dat voor alle tijden van belang is, en dat is de verkondiging van Gods Woord. Dat Woord toch is de inhoud der prediking. Het is de onuitputtelijke goudmijn, waaruit iedere prediker het goud heeft op te delven. Geen levensterrein waarvan de lijnen niet in dat Woord zijn aangegeven. De volheid van de schepping is daarin weerspiegeld. Het woord openbaart Gods liefdewezen, dat uitblinkt in schepping en herscheppping. Hoe moet nu de waarheid worden gebracht? De een noemt laffe spijs, wat de ziel van den ander doet wegsmelten. Oók in den Geref. kring. De prediker heeft dus te weten langs welke lijnen hij zijn prediking heeft te laten loopen. Hg moet het zwaard van Gods woord naar Gods bedoeling gebruiken.

Voorwerpelijk prediking. Deze beweegt zich om de voorname stukken der Geref. leer. Niet zelden spreekt zij zeer in het algemeen en onpersoonlgk.

Zij behandelt de waarheden in de derde, niet in de tweede persoon. Men zou 't den prediker vaak niet aanzeggen, dat hij de verkondiger is van een blijde Boodschap. Toch onderschat spreker het groote belang van zulk eenprediking niet. Zelfs ware het te wenschen, dat de gemeente er meer van te hooren kreeg. Niet in dien zin, dat steeds dezelfde klanken worden ten gehoore gebracht, wat ten slotte afstompend moet werken. Maar zoo, dat ieder van de onderdeden der waarheid stuk voor stuk eens uitvoerig werd ber handeld. Wie kent den omvang van groote geestelijke woorden als rechtvaardigmaking, verzoening etc?

Zij, die liever pleiten voor een onderwerpelijke prediking vragen: „hoe ben ik zeker, dat ik behoor tot de burgers van Sion? " Een louter onderwerpelijke prediking acht die vraag van het aller hoogste belang. „Ben ik een uitverkorene, ben ik waarlijk bekeerd of misleid ik mezelf" — de bevindelgke, onderwerpe-Igke prediking beweegt zich in hoofdzaak in dezen kring. Neen, zij kon zich niet verder uitspreken. Zij zou kunnen spreken over de verschillende gevallen van het geestelqk leven, over den strijd van het kind Gods in deze wereld, over de zeker­ heid des geloofs enz, dit alles wordt heel vaak in een bevindelijke prediking niet gevonden, zij schijnt er de voorkeur aan te geven, de ziele te houden vóór de poort, Aan lofzangen komt de onderwerpelij ke prediking meestal niet toe. Zg zoekt dikwgls haar kracht in beangstiging. Inderdaad dit alles is van het hoogste gewicht. Maar menige arme ziel wordt vergruizeld onder de molensteenen van het voortdurend zelfonderzoek. Bevindingen van een zeer bepaalde soort worden va/ak opgedrongen, gesuggereerd zelfs. Wie daarvan spreken kan geldt als bekeerd. De twee elementen: voorwerpelijk en onderwerpelijk zijn niet altijd samen te smelten in ééne prediking. Zoo komen zij vaak onverzoenlijk tegenover elkaar. Velen echter zoeken ernstig en oprecht naar een vereeniging.

In de practgk gaat 't zoo, eerst wordt de waarheid uiteengezet, daarna de afzonderlijke toepassing, dit naast elkaar zetten van de beide elementen is nog geen verbinding. Wel moet de eenheid van die twee er zijn. Spreker aanvaardt de tegenstelling niet. Een verbinding is noodzakelijk en mogelijk. Spreker geeft als eender diepe oorzaken der splitsing aan de gemaakte scheiding tusschen kennis en vertrouwen.

Maar om nu Öen rüenschen de zekerheid des geloofs te geven, wordt een donkere tunnel vol duistere zielservaringen noodzakelgk geacht. Zoo wordt de zekerheid vaak gelegd in het geprikkeld en opgezweept gevoel van den mensch zelf.

Het is waar: de ziel kan in de engte gedreven worden, vóór ze komt in de ruimte. Maar die toestand van benauwenis mag niet als een blijvende worden voorgesteld, die zou leiden tot wanhoop of tot zelfbedrog en eigen gerechtigheid.

In het geloof ontmoeten 't voorwerpelijke en onderwerpelij ke elkaar. Dat reformatorisch standpunt — ook door Oalvijn ingenomen — moest weer in de Geref. prediking tot zqn recht komen. Het oprecht geloof voelt in Christus de rechte verhouding tot God voor eeuwig hersteld. Zulk een geloof heeft de zekerheid in zichzelf.

De Voorzitter zegt prof. Van Leeuwen hartelijk dank voor deze behandeling van dit onderwerp. Hij zegt dat de geleerde spreker blijkbaar gevoeld heeft: ik kom in een vergadering waar niet gesproken moet worden over dingen die buiten die vergadering staan, maar die er in leven; dingen die wel bg elkaar hooren, maar die toch vaak zooveel verwijdering geven omdat zg niet recht onderscheiden worden. En nu heeft, zegt de Voorzitter, spreker met een warm hart en in een helder betoog de dingen zoo naar voren gebracht dat deze dingen onder Gods z(^en beter kunnen worden verstaan en men daardoor elkaar dus ook beter begrijpen en waardeeren zal.

Van de gelegenheid tot gedachtenwisseling werd alleen gebruik gemaakt door ds. Prins en ds. Lans, De eerste doet een vraag over het lezen van oude schrijvers en zit blgkbaar voor de moeilijkheid wat hg moet antwoorden aanmenschen die „het innige Christendom" van Schortinghuis willen lezen ; en de laatste stelt een vraag over het al of niet wenschelgke van een toepassing waarin de gemeente in twee of drie soorten onderscheiden wordt en vraagt bovendien onder welke soort van prediking de referent „Bunyans Ohristenreize" zou willen rangschikken. >

Prof, Van Leeuwen is, wat de eerste vraag betreft, huiverig om louter negatieve critiek te oefenen en wil niet graag iemand iets ontnemen, zonder hem er iets anders voor in de plaats te geven. Hij zou dus ds. Prins willen adviseeren het „innige Christendom" van Schortinghuis niet te ontraden, maar daarnaast den raad te geven zich ook eens te oriënteeren in de werken van Oalvijn, v.n.l, in diens Institutie, En wat de tweede vraag over de toepassing betreft, zou Spr. zeggen: iedere soort is goed, behalve de vervelende, Spr. meent dat dit ook afhankelijk moet gesteld worden van de gaven en den aanleg en het karakter van den prediker. En wat voorts „Bunyans Ohristenreize" betreft, meent spr, dat dit geen prèdiking is maar allegorie en dat bovendien de geestelijke ervaringen van den enkeling niet als norm gesteld mogen worden voor het geheel.

De mogelijkheid is dan ook geenszins ttitgesloten dat iemand leeft in een geloof op 'Gods belofte en dat er zelfs zeer diep geestelijk leven kan zijn, zonder dat hij van een bepaalden dag van zijn bekeering kan spreken. In dit verband wijst spr. er op, dat Calvgn in tegenstelling met Luther, maar één keer van zijn bekeering gesproken heeft en wel in zijn voorrede op de Psalmen, maar dat het nog niet eens uitgemaakt is of hij daar wel zijn eigen bekeering bedoelt.

Ook de wijze waarop spr. deze gestelde vragen beantwoordde had de algemeene aandacht, en werd blijkbaar door de vergadering ten hoogste gewaardeerd.

We waren het dan ook zeker allen met den Voorzitter eens, toen hij hierna nog maals den hooggeachten referent vriendelijk dankte voor zijn warm gasteld en helder betoog en roepen prof. Van Leeuwen gaarne een „tot wederziens" toe.

De morgenvergadering was hiermede ten einde en werd op verzoek van den Voorzitter door prof. Van Leeuwen gesloten met dankzegging aan God,

{Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verslag

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's