De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijk overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijk overdenking.

14 minuten leestijd

En Jezus, roepende met groote stem, zeide: Vader! in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest! En als Hij dit gezegd had, gaf Hij den geest. Lucas 23 : 46.

Goede Vrijdag.

De rust is weergekeerd. Angstig heeft het weerklonken : mijn God! mijn God ! waarom hebt Gij mij verlaten I Maar daarop heeft Jezus welbewust uitgeroepen: „Het is volbracht!" Hij weet, dat het groote.. zware, moeilijke werk dat de Heere Hem, den Borg en Middelaar van een zondig volk, op de handen heeft gezet, is afgedaan. En het is goed afgedaan. Het heeft des Vaders goedkeuring. En zoo spoedt het proces ten einde. Was het pas, dat de Heiland sprak: „mijn Qod, " doorgaande onder Gods toorn, nu is het weer „Vader" dat Hij spreekt. In de worsteling tegen den toorn des Heeren in, roept Hij: mijn Qod, Maar nu alles volbracht is en de dood intreedt, nu weet Hij, Sions' Borg, de mensch Christus Jezus, dat de Heere verzoend is en kan en mag Hij met volle blijmoedigheid blijmoedig God als Vader begroeten. Hij legt het leven af. Hg weet 'dat Zijn ware menscheljjke Géest uit Zijn lichaam zal henengaan. Maar dan staat voor Zijn bewustzijn, — voor Hem als de mensch Christus Jezus, als de Borg en Middelaar Zgns volks — de toegang tot de eeuwige heerlijkheid open.

't Is nu niet meer een heilig God, die', met het vlammend zwaard Zijner gerechtigheid, tot het ingaan in het paradijs verhindert, 't Is nu een verzoend God en Vader, is, en nu Middelaars die in al Zijn recht voldaan als loon op den arbeid des voor Hem en al de Zijnen het hemelsch paradijs ontsluit en eeuwige gerechtigheid komt schenken. Dat weet, voelt en ervaart Jezus met bewustheid. En Hij vereenigt zich met den blijden Paaschpsalm, zeggende: , doe mij! de poorte der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven,

Als Borg, in de plaats tredend van een zondig volk, had Hij 't leven verbeurd. Met Zijn volk viel Hij onder 't oordeel des doods. Hij moest ervaren : „vreeselijk ia het te vallen in de handen des levenden Gods." (Hebr. 10 : 31). Doch Gods toorn is nu gestild. En daarom kan Hij nu vol vrede Zijn geest in de handen Zgns Vaders bevelen. Hij weet, dat Hij zijn arbeid heeft volbracht en dat Zijn Vader getrouw is in alles, om nu ook Zijn belofte in te lossen: em het leven te geven en het leven voor al de Zijnen,

De Heere zal Hem aannemen. De Vader zal berusten in het offer van Zijn Zoon, en dat geeft Hem rust en vrede; waarbij Hg het reeht Gods in Zijn dood billijkt. Dat moet Hij nog dragen als het laatste.

Maar Hg gaat den dood en het graf niet in, als een die twijfelt, als een die wanhoopt. Hij gaat naar het Paradijs, Naar dat Paradijs waarvan het aardsche, het eerste, slechts een schaduw was.

Adam was er uit verdreven om der zonde wil. Nu echter is door den tweeden Adam het recht op het betere Paradgs herwonnen. De Zoon des menschen is onder de scherpte des zwaarde gevallen, maar heeft in Zijn offerande aan al het recht Gods voldaan. En Zgn geest, — Zijn ware menschelijke geest, zooals art. 19 van onze Ned. Gel.bel. zegt — gaat ten hemd in. Ja, méér nog! Niet alleon dat Zijn aiele tot God gaat, om in den hemel, in het Paradijs des Heeren te zijn, maar Hij wordt daarin tegelijk de weg des vredes voor al Zijn volk. Als de toegang voor den Middelaar ontsloten wordt, wordt opening gemaakt voor al de Zijnen. Zelfs voor een moordenaar wordt de hemelpoort ontsloten. Dat is wat de Hebreënbrief aldus zegt: „maar Christus, de Hoogepriester der toekomende goederen, gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaakteren tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, eene eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende, " (Hebr. 9). Waarop dan in het 10de hoofdstuk volgt: „Dewijl wij dan, broeders, vrqmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een verschen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is door Zqn vleesch — zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid."

Heerlijke opening nu bij God voor een arm en in zichzelf schuldig zondaarsvolk, Jezus is hén voorgegaan. Door de, doodsrivier heen En waar Hij zijn voeten gezet heeft, daar is een droog pad door de doodsJordaan. Meer dan de  arke met het verzoendeksel, welke door de rivier bij Gilgal ging, is hier. De wet , is volbracht en de vloek der wet is weggenomen in het bloed des Lams. Nu is vervuld wat Micha profeteerde: De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken ; zij zullen doorbreken en door de poorte gaan, en door haar uittrekken; én hun Koning zal voor hun aangezicht hènengaan; en de Heere aan hunne spitse." (Micha 2 : 13).

Rustig legt de Heiland zijn ziele in de hand Zijns Vaders. Daar is Hem een goede ontvangst bereid. En nu blijft er een ruste over voor het volk van God.  Het geloof is hiervan verzekerd. Het ziet over dood en graf heen in het Paradijs dat boven is.

Elke endere doorbreker zal teleurstellen. Het zal de overwinning over dood en graf niet geven. Omdat hij nooit of te nimmer aan Gods recht kan voldoen en de zonden niet kan verzoenen.

Elke andere hoogepriester kan voor God niet bestaan en kan geen reiniging geven van de ziele, die vuil door de zonde, gansch schuldig staat voor God. Ja — Uzzia meende in zijn dwaasheid wel gerechtigd te zijn om in het heiligdom Gods in te gaan en het reukoffer Gode te rooken in Zijn heilige woning. Maar lees 2 Kronieken 26 maar, om te bemerken, dat de melaatschheid rees aan zgn voorhoofd! Neen I Geen ander offer kan Gode behagen dan het offer van den Verbonds-Middelaar Jezus Christus. Dat is rustig gelegd in Gods hand. En met dat ééne offerand is tot in eeuwigheid verzoening aangebracht voor alle degenen die in Christus gelooven. Het welbehagen des Heeren is alleen in Christus, Maar in Hem is het ook lieflijk en volmaakt voor alle degenen die op Hem hopen. Hij is voor al de Zgnen een verzoend Vader, vol van genade en liefde. Zijn troon is ontsloten voor hen om Hem te naderen met vrijmoedigheid. Niets in zichzelf hebbend mogen zij, in Christus geborgen en bq Hem schuilend ingaan tot Zijn heiligdom. Hier telkens in den gebede, om vervuid ie worden met blijde hope. Straks in volle werkelijkheid, om als Koningskinderen in statie kleederen, rijk gestikt, eeuwig tot Hem vergaderd te worden en in zalige vreugd altijd te verkeeren in het binnenste van Zgn hemeltent.

Kennen wij dien Heiland, ook in Zijn sterven ?

Het kan zijn, dat men Hem roemt met den mond en toch niet in Hem rust. Dat men in de zonde blijft. Dat men in ongeloof Hem voorbij gaat. Dat men Zijn verzoenend werk niet verstaat. Dat alles geeft onrust, teleurstelling, bittere smart — straks een eeuwig doemvonnis, om verwezen te worden naar de plaatse der buitenste duisternis, waar weening is en knersing der tanden.

Maar als we waarlijk aan onze zondestaat ontdekt, den vloek en het oordeel Gods mogen kennen met droefheid der ziele, belijdende onze schuldigheid en onze verlorenheid — dan is hier een volkomen offerand, waar de volzalige Heiland zichzelf Gode opoffert door den eeuwigen Geest. En die in Adam verbannen zgn roept Hij hier tot Hem te komen met al hun zonde en ellend en Hij wil zichzelf openbaren als den Rustaanbrenger. Bij Hem is sieraad voor ­asch, vreugdeolie voor treurigheid en een gewaad des lofs voor een benauwden geest. En als het licht van die Zonne der gerechtigheid in het harte mag vallen, dan belijdt de ziele: „doe mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den Heere loven — van nu aan, tot in eeuwigheid !'

Paaschfeest.

»Dit is de dag, dien de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelven ons verheugen en verblijd zijn. Ps. 118 : 24.

Van ouds was Paschen het feest der feesten. „Dit is de dag, de roem der dagen, dien Isrels God geheiligd heeft." Dat moet het ook nu zijn, nu de tijden zoo bang, zoo vreeselijk zijn. Nu de aarde vol verwoesting is. Nu de wereld in vuur en vlam staat. Nu de volkeren zichzelf vermoorden. Nu de vorsten als gedreven worden door den geest uit den afgrond. Ach, waar blijft dl hooggeroemde beschaving, de hoog opgevoerde ontwikkeling, de hoog ontwikkelde naastenliefde? 't Is moorden en branden en stelen en rooven, in 't groot en in 't klein. En 't is alsof de overste der wereld triumfeert in al de onbegrensdheid van zijn macht en in al de afzichtelijkheid van zijn booze, helsche werken.

Stel u voor, dat we nu geen Paaschfeest hadden. Dat we uu niet in Jozefs hof konden vertoeven, om te aanschouwen, dat Jezus is opgestaan; dat het graf geopend is; dat de dood is verslonden en dat verlossing is aangebracht. Wat diep ellendig zou dat wezen. Dan was alles donker voor ons en voor heel de wereld. Dan was de victorie aan de zonde, aan den dood, aan den duivel, aan het eeuwig verderf. Dan zonk alles weg in de vreeselijkste ellende.

Maar, Gode zij dank, we mogen nu gedenken dat Jezus aan het kruishout ia gestorven, in het graf is bijgezet, doch daarna uit den dood is opgestaan en nu eeuwig leeft bg den Vader, waar Hij plaats toebereidt voor al de Zijnen, In

Hem ligt hun troost, hun verzoening, hun overwinning, hun leven. En in Hem is de grond gelegd voor een nieuwe bedeeling der tijden, voor een nieuwen hemel en voor een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont.

Hij heeft voor de Zijnen den dood overwonnen en den geweldhebber des doods uitgeworpen. En daarin is het zaad gelegd voor de verlossing der wereld, welke eenmaal gezien zal worden aonder zonde, zonder dood, zonder smart — vol van gerechtigheid, leven en zaligheid.

„Ik ben de Opstanding en het Leven. Die in Mij gelooft zal leven al ware hij ook gestorven" — klinkt ons op Paaschmorgen tegen. En hoewel de wereld er geen acht op slaat, het ook niet verstaat, is er nog altijd een volk, dat het geklank kent. Door eigen zonde en schuld werd het in het oordeel gebracht. En het vonnis des doods werd onderschreven. Maar Golgotha werd tot verzoening en Jozefs' hof werd oorzaak om te juichen. De zonde is er. De dood is er. Maar voor de zonde is een Zonde-vernieler, Voor den dood is Eén, die den dood overwon. En nu licht het te midden van de duisternis. Nu stralen er glanzen waar het andera zoo donker is. En nooit is één van Gods kinderen, ook te midden van de zwaarste smarten'niet, omgekomen, waar de hope was op Christus, Die den dood overwon. Zijn Opstanding is als een fontein, die altijd springt en overvloeit van vertroosting.

Wie, verzoend met God door 'thartebloed van den Zoon, den nauwen weg ten hemel reist, zal door vele „verdrukkingen" moeten ingaan.

Het lentefeest van zalige Opstanding is niet zonder dfen smartegang over Golgotha, zonder vele verdrukkingen. Doch wanneer in genade het verzoende aangezichte Gods in gunste en welgevallen zich tot ons wendt en het „opgewekt om onze rechtvaardigmaking" in zijn volle diepte door ons wordt verstaan, dan mag de ziele immers blijde gedenken de vrijmaking van schuld en straf, om het erfreqht des eeuwigen levens te ontvangen? Dat is door het Middelaarswerk van Jezus Christus, die op Golgotha stierf aan een vloekhout en aan den morgen van den derden dag werd opgewekt door Zijn Vader en door Zijn eigen goddelijke kracht opstond uit den dood. O, als de opstandingstroost in ons is, dan mag blijde gezongen worden: „Ik ben met Christus gekruist, en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en hetgeen ik nu leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, die mg heeft liefgehad en Zichzelven voor mij heelt overgegeven." Dan worden door Gods Geest de schatkameren der verzoening ontsloten en de gere«htigheid van Christus wordt toegepast aan de ziele, waardoor wij mogen zeggen: „Abba, Vader."

Dat alles neemt niet weg den hangen strijd, bij al het zondige dat van binnen woont en bij al het vreeselijke dat rondomme wordt geopenbaard. Wat kunnen de zonden geweldig tekeer gaan. Wat kunnen de ongerechtigheden talrijk zijn als zand. Wat kan het donker en duister worden. De toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over de gruwelen der menschenkinderen.

Maar zou het lijden en sterven van Jezus tevergeefs dan zijn geweest? Is Hij niet in de donkerheid der Godverlatenheid ingegaan, opdat de Zijnen nimmermeer van God verlaten zouden worden ? En dat Hij verdorstte aan het vloekhout was immers, opdat Zijn volk nimmer het water des levens en der vertroosting zou onthouden worden in de bange woestijn des levens ? Hg, het goddelijk tarwegraan, is gezaaid in met bloed gedrenkte voren der zondige aarde, opdat uit Hem dertig, zestig en honderdvoudige vrucht zou groeien ten eeuwigen leven. En na Zgn: „het is volbracht" op Golgotha gesproken} is aan den morgen van den derden dag door den Vader dat volbrachte werk aangenomen en verheerlgkt. En zeker, nog waait wel de koude, gure winterwind; nog doen de wilde Maartsche buien rillen en beven; maar de dood is verslonden, het leven is aangebracht — en de zomer-jubel zal straks uitbreken als een zang van leven, vroolijkheid en vreugd. Zoo gaat het van den dood tot het leven; van schemerlicht tot volle glanzen; van strijd tot overwinning ; van een zondige aarde tot een nieuwe bedeeling der gerechtigheid.

Het is feest. Het is Paaschfeest. Het is het feest, waarop Gods volk gedenkt, dat de dood is verslonden; dat Sion verlost is; dat de zonde is verzoend; dat de straf is geleden; dat de strijd is volstreden — en uit deze wetenschap mag het harie van Gods kind troost putten. De groote Simson heeft des duivels tempel tot een puinhoop gemaakt. Hg heeft zijn vijanden overwonnen en ala buit voert hij triomfantelijk mee al Zijn volk, al de schapen Zijner weide, heel Zgn Gemeente, al de uitverkorenen des Vaders, die Hem van eeuwigheid gegeven zijn en die Hij in Zijn hand houdt als een kostelijk kleinood, dat Bij niet met goud of zilver, maar met Zijn dierbaar bloed heeft verworven en gekocht. O I wat schade beloopt ieder, die in deae laatste dagen niet op Golgotha geweest is, en die niet met een verbroken hart en verslagen geest gestaan heeft in de schaduw van het kruis; en niet verstaan heeft wat daar geschiedde met Hem, die zonder zonde was, heilig, onnoozel, onbesmet, maar Dien de Heere tot zonde kwam maken, om al de schuld Zijns volks en al de last des toorns Gods te dragen.

Kennen wij dien weg des bloeds gaande over Golgotha?

Dat is de eenige weg tot vreugd en zaligheid. En die dézen weg ontwijkt zal nooit bg het geopende graf komen, zoo min als Jezus komen kon tot victorie, als Hg eerst niet onderging onder de oordeelen Gods en vernederd werd tot in den dood, ja den dood des kruises.

Voor dezulken is het een dag van groote verschrikkirg. 't Is geen feest, 't Is de dag des doods en der wrake. Onze schuld is niet weggedaan. De vloek is niet weggenomen. Christus, die opgestaan is, zal dan tegen ons getuigen; omdat we het kruis hebben veracht en de oordeelen Gods niet hebben ter harte genomen. Zoo is dan nog de verdoemenis over ons.

Maar o ! als het nu door genade wezen mag, dat onze ziele niet vreemd is aan de verzoenende kracht van Christus bloed, dan mogen we ook de kracht Zijner opstanding in ons gevoelen. Dan is het feest; feest, dewijl de zonde verzoend is, de dood overwonnen, het leven aangebracht. Feest, waarop gezongen mag worden: Laat ons verheugd, van zorg ontslagen, Hem roemen, die ons blijdschap geeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijk overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's