De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichteiijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichteiijke overdenking.

12 minuten leestijd

Jezus zeide tot haar: Maria. Zij zich omkeerende zeide tot Hem : Rabbouni Joh. 20:16.

Hoe de Heere Zich vinden laat.

Nog eiken Sabbath wordt het Paaschfeest gevierd. ledere Zondag' vormt op zichzelf reeds eene nabetrachting. Toen nl. de Schepper van hemel en aarde na zesdaagschen arbeid rustte, maakte Hij met dezen rustdag den kringloop van Zijn arbeid vol.

Zoo was het met de herschepping, die de Zoon tot stand zou brengen, ook. Als van het kruishout heeft geklonken: „het is volbracht", is het werk af; alleen de Sabbathdag behoort nog hierbij. Den laalsten rustdag van de oude bedeeling zal Hij vieren in de grafspelonk.

Vieren, als we het nog eenmaal mogen noemen, en ge er geene onheilige gedachte aan verbinden moogt. Want dit zou gemakkelijk kunnen geschieden.

In dit rusten ligt zulk een groote mate van vernedering. De Heere der Schepping wordt ingewikkeld in het lijnwaad, nedergelegd in een grafspelonk. Den laatsten Sabbathdag moet door Hem worden gerust achter een verzegelden grafsteen.

Hebt gij het verstaan, gij die God vreest? Uw Heere heeft om Uwentwil Zich zoo diep nedergebogen. In de duisternis van den dood, in de verlatenheid der hel wilde Hij verzinken, doch daarna wacht nog het graf. De duistere spelonk zal de kaken opensperren om ook in deze den Borg te ontvangen, 'k Bid u, laat geen enkele trek u ontglippen. Immers in dezen weg is Hij ook plaatsbekleedend.

Werd over Zijn grafsteen een zegel getrokken, zoo. geldt: dit had met het uwe moeten geschieden. In eeuwige donkerheid achter den verzegelden steen blijven.

Maar nu wordt na het Paaschfeest de binnenzijde van het graf verlicht

Of is niet de steen op zijde geschoven? Zgn de zegels niet verbroken? Is niet de dood overwonnen?

Droeg de Borg niet het leven uit? Toen deze Sabbathdag voorbij was gegaan kon met recht worden gezongen:

Hier is uw - zegepraal begonnen o Gods verkoren Israel.

De leeuw uit Juda heeft verwonnen, Hg nam de poorten in der hel.

Ziet, hier ligt nu de victorie van Christus' Kerk. Hier is de Levensvorst na volbrachten arbeid en na den rustdag te hebben volgemaakt, uitgetreden. Thans openbaairt Hij Zich als de zoekende en zaligende Heiland. '

We willen vanuit dit punt met elkander des Heeren gangen volgen en zien hoe Hij Zich van zoekende zondaren vinden laat.

Het is niet voor de eerste maal dat ge over dit onderwerp iets zult lezen. Elk jaar brengt het van zelf naar voren. En toch is het telkenmale weer nieuw, ten minste voor de zoodanigen, die'zich aan Maria verwant gevoelen.

Deze zijn iets kwijt, waarbuiten hun leven verkwijnt. Daar is een zoeken in hun hart, dat bg niemand en niets bevrediging kan vinden dan alleen bij den Heere. In de duisternis tasten ze; overal liooren ae stemmen; aan alle plaatsen staan er teekenen van Hem; maai? Hem Zelven vinden ze niet.

En daarin kunnen ze toch alleen maar ruste vinden.

Of men al weet wat de Schriften zeggen, en men al hoort prediken van het ledige graf, van den opgestanen Christus, voorzeker het moge veel zijn, ja alles daarin liggen, toch is het persoonlijke, levende ontmoeten beslist noodzakelijk voor de ziel.

We bevinden ons in een heerlijk gezelschap, als we in den geest deze Maria mogen volgen. Zg behoort bij die kleine groep, die zich door de nu nog verlaten straten «van Jeruzalem spoedt naar den hof van Jozef.

Maria zelve heeft gestaan bg het kruis en de spottaal van de bende op den heuvel heeft haar door de ziel gesneden, hoewel, wat daar gevraagd werd, ook opklom in haar hart. „Heere kom toch af." Anderen hebt gij verlost, o, a. mij. Ik was met zevenvoudige koorden gebonden en Gij raaktet mg aan en ik werd bevrijd. Ja, wat die bende daar spreekt slaat op mij. Ik ben een levend toonbeeld van Zijn verlossende hand. Dat Hg nu Zichzelven eens verloste.

Zij begreep er niets van. Ja, als oogenblik na oogenblik voorbij schuift en Hij hangen blijft wordt het enkel donkerheid. En om het geheel duister voor haar te maken als Hij in verlatenheid klaagt: Elöi, Elöi, lama sabachtani. Jawatblgft haar nog over als Hij daar op het hout van schande den geest geeft. Nu is haar Verlosser dood.

Zouden zich nog klanken laten vinden waarin zou kunnen worden vertolkt wat daar omging bij deze dienstmaagd des Heeren ? We gelooven het niet.

Oogenschijnlijk is er niets meer overgebleven. En toch kon ze den Heere niet loslaten. Zij is éen der weinigen. die mede optrekken naar den hof. Ze heeft nauw acht gegeven op de plaats waar ze Hem gelegd hebben.

Wat daar voor gewaarwordingen leefden in Maria's hart laat zich eenigszins afleiden uit wat wij in het natuurlijke leven zien gebeuren.

Als eene bruid in de laatste dagen die aan de bruiloft voorafgaan, zich haar bruidegom door den dood ziet ontrukt, als ze dezen dan ziet wegzinken in den schoot der aarde, en ze van deze plaats moet scheiden, zoo blijft haar hart achter.

Dit is een natuurlijk beeld. Tusschen Christus en de Zijnen is een band die nog veel nauwer ligt. Immers deze is een plantinge des hemels en van zuiver geestelijken aard. Hij is uit God,

Maria kon daarom van dit stoffelgk omhulsel van haren Heere niet scheiden omdat zij wist dat hierin haar Verlosser wegschool.

En toch moet ze van Hem scheiden. Dunkt u ook niet, lezer, zal dat geen verschrikkelijke rustdag voor haar zijn geweest.

De eenige verluchtiging is deze, dat ze meerderen weet, die hetzelfde gevoelen als zij. Met deze mag ze spreken over Hem. Zelfs ja inzonderheid in het gemis is Hij lief. Wat zij tezamen in de dagen van voorheen hebben mogen ondervinden, gaat nu aan hun geest voorbij.

Och, dat we het nog eens — al was het ook in mindere mate — mochten ondervinden. Maria en de andere vrouwen hebben over niets en niemand gesproken dan enkel over den Heere.

Maar toch is Hij voor haar dood. Zoo spoedig als 't maar eenigszins kan zullen ze Hem gaan balsemen. Zij willen Hem vereeren met geschenken. Wat ze hebben, hebben ze feil voor Hem.

Als de dag maar is aangebroken, neen, zoolang houden ze 't niet eens uit, de nacht is van den hemel nog niet geweken, als zg zich op 't pad begeven. Met haastigen tred gaan ze, maar opeens is het alsof iemand haar iets heeft ingefluisterd. Ze blijven onthutst staan.

„Wie zal ons den steen afwentelen ? " Maria, éen van deze, luistert evenwel niet. Haar harte trekt haar voorwaarts. Spoedig is ze in den hof gekomen, alleen.

Maar wat vindt ze nu ? De steen is al afgewenteld. In 'n oogwenk heeft ze hare gevolgtrekkingen gemaakt: ze hebben Hem weggenomen.

Nog sneller dan ze kwam, keert ze weder. Ze zal het den discipelen bekend maken. Wie ze ontmoet, weet ge.

Petrus en Johannes hooren het uit haren mond: „ze hebben den Heere weggenomen en we weten niet waar ze Hem gelegd hebben, "

Ziet, dit drietal gaat nu naar den hof. Petrus, hoe vurig anders ook, kan ditmaal Johannes niet bijhouden. Deze komt er het eerst. Hg blikt in de spelonk en ziet de doeken liggen, maar den Heere niet.

Petrus, die aanstonds volgt, zal het nader bevestigen.

Wat zou dit alles.nu beteekenen? niet. Het graf is ledig, en zij verstaan het

Daar is een vraag op uwe lippen, lezer. Is het Petrus dan geheel voorbijgegaan wat de Beere zelf heeft verkondigd ?

Wonderlijk dat de vijand het wel weet. „Ik kan den Tempel Gods afbreken en in drie dagen denzelve opbouwen, " of „gelijk Jona drie dagen is geweest in de buik van den visch, alzoo zal de Zoon des menschen drie dagen zijn in den schoot der aarde."

De discipelen weten het en toch hebben ze er niet aan, 't Is dood kapitaal. Ze gaan terug zonder iets gevonden te hebben, alleen Maria blijft. Zij moet weten waar de Heere is. Weenend buigt ze zich over den rand van het graf. Hare tranen vallen neder in de groeve.

Wonderlijk toch hoe blind een mensch toch sohgnt te zijn voor het werk des Allerhoogstén. Immers hoe duidelijk was de sprake der Schriften, hoe doorzichtig het eigen woord des Heeren, Ja, hoe veel zeggend: het graf is ledig en toch staat Maria te weenen, — Zij is nu alles kwgt.

Maria, zoo zegt ge, spel het eens in hoorbare klanken. Indien gij gekomen waart en de steen had nog den ingang van het graf toegesloten en het zegel zat nog daarover en de Heere rustte nog daarachter, wat zou er dan van uwe verlossing waar zijn ? Zeg, Maria, dan is het met u voor eeuwig gedaan. Meteen dooden Christus kunt ge niets doen. Dan is het niet enkel met u, doch met heel Gods volk verlorenj immers dan hebben wij geen Borg en geen Doorhelper. Dan is aan dood en Satan het laatste woord.

Weet ge wat dit inheeft? Dan wordt voor uw graf straks de steen gewenteld om met een eeuwig zegel voor immer gesloten te blijven

Weenend buigt ze zich over. Merkt nu eens op de bemoeienissen des hemels.

Twee dienstknechten, die anders voor den troon staan, zgn hier boodschappers.

Liefelijk klinkt het Maria tegen «wat zoekt gij? " Het antwoord luidt: „Ze hebben Hem weggenomen en ik weet niet waar ze Hem gelegd hebben, "

Engelen staan hier ten dienste voor zoekende zielen. Merkt ge 't wel ? Toch is 't voor Maria nog te weinig. Ze keert zich zoo af. Wanneer ze iets achter zich hoort, keert ze zich om en , , ., ziet den Heere — maar herkent Hem niet.

Ee staat nu met Hem van aangezicht tot aangezicht, doch niets is er wat op herkennen henenwijst. Deze zal de hovenier zgn, Onmiddelgk wil ze tot hem een vraag richten. Doch voordat de eerste klanken over haar lippen komen, wendt Hij zich tot haar met: wat weent gij? Is er oorzaak voor uwe tranen? Wien zoekt gij?

Wat laat de Heere de nooden van een ziel toch duidelijk uitdragen, in al de lijnen zich uitteekenen. Hoewel Hg het weet, wil Hg 't toch hebben, dat ze Hem bekend worden gemaakt.

Vertel gij ze dan ook maar, al uwe nooden en begeerten, gij die naar God en Christus zijt zoekend gemaakt. Hij houdt zich wel eens meer verborgen opdat de ontmoeting st^s des te heerlijker zijn zal.

Vat gij hier ook weer moed, gij, die meent dat vinden van u tot de onmogeIgkheden behoort. Het is zeer zeker veel dichter bg dan gij vermoedt.

Maria dacht nog aan een dooden Christus, Ze wilde Hem wegdragen, en toch stond ze al tegenover den levenden.

Nu kan naar twee zijden hier het licht vallen. Vooreerst wat is de liefde van Maria tot den Heere toch hartelijk in openbaring. Wat is hier een heerlgk verlangen om bg haren Zaligmaker te wezen. Wij zouden zoo zeggen: en kan het minste, zelfs niet in de verte, van Hem zich vertoonen of ze zal 't merken.

Klopt dit nu op de uitkomst? O neen zegt ge.

Hier staan boodschappers van den hemel en wijzen met uitgestrekten wijsvinger naar den verrezene.

Hier staat de Heere persoonlijk vlak voor haar, spreekt tot haar hoorbare klanken, en ze kent Hem nog niet.

Zoo onbevattelgk is nu de mensch van zijn zijde. Hij is zoo dom dat Hg niets verstaat.

Maar nu de lichtzgde. Met wie wordt zooveel geduld geoefend, aan wie worden zoovele teedere bewijzen van liefde en trouw geschonken als aan zulke zoekende zielen?

De Heere laat voor zij in den hof is aangekomen, al de Engelen de wacht betrekken. Deze luisteren naar haar schreden, en niet zoodra buigt ze zich over den rand van het graf of daar klinken haar die woorden — vertroostende woorden in de ooren: vrouwe, wat weent gij ? Ze willen dit te kennen geven: treurigheid is gansch misplaatst,

Den Heere Zelf is geen moeite te veel om haar in den volle blijdschap van het: „ik heb den Heere weder terug gevonden" over te plaatsen.

Zou hier geen lokkende liefdevolle uitnoodiging worden uitgedragen tot iedere zoekende ziel in ons midden. Zg gevoelen zich doodarm, gansch vreugdeloos, niets wat naar blijdschap henenwgst en toch staan ze reeds in het voorportaal van een hemelsch ontmoeten.

Eén ding is nog noodig: Van de oogen moeten nog de schellen afvallen, en de ooren doortrillen de klanken van Zgne stem. Let maar eeug op Maria-; De Heere doet niets anders dan enkel iiaar naam noemen „Maria", 't Is alsof ze opeens wakker wordt. .

Ziet zoo is nu de werking van het Woord des Heeren, als 't wordt uitgedragen door den mond Gods,

Opeens is het wederwoord gestameld: „Rabbonni",

De Opstanding is heerlgk voor zoekende zielen. De belofte wordt hier zoo wonderschoon bewaarheid: „wie zoekt zal vinden", - „Wie met tranen zaait zal met gejuich maaien, " 't Wordt nog eiken dag bevestigd:

Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht, Hij troost het hart, dat schreiend tot [Hem vlucht;

Dat ongeveinsd in 't midden der ellenden Zich naar Gods troon met Zgn gebeên blijft wenden; Hij geeft den wensch van allen, die Hem vreezen; Hun bede heeft Hg nimmer afgewezen.

Laat dit uw troost zijn: die waaraohtiglijk naar God zoekt is van Hem gevonden. Gaat maar uit, straks zal Hij door Zijn levendmakend Woord u doen hooren uw naam en u laten spellen de Zijne, dan zal aanvankelijk worden gesmaakt wat er eenmaal volkamen in den hemel zal worden verkregen door ieder van Gods kinderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichteiijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's