Uit het kerkelijk leven.
Vreemd geschrijf.
Dr, H, Bakels geeft in de Westfriesche Kerkbode een stuk dat door dr, J, A, Cramer, Ned. Herv. pred. te 's Gravenhage, is geschreven in „Bergopwaarts'' van 29 Dec, 1917, waarin de eigenaardige gedachten van dezen Etliischen Haagschen dominé aangaande de bekeering des menschen na den dood.
We laten het hier volgen, zooals dr. Bakels het geeft, 't Zijn enkele aanhalingen, en wel deze:
1. Ik acht het buiten allen twgfel, dat de gelegenheid om zich te bekeeren, na den dood evenzeer blijft als voor den dood: Mg dunkt, wij blijven na den dood dezelfde geestelijke wezens, die wij vóór den dood waren en wij beginnen aan de andere zijde van het graf weder op hetzelfde punt, waar we aan deze zijde van het graf «ijn geëindigd.
2. De voorstelling, dat de ure van 't lichamelijk sterven voor eeuwig over oüze geestelijken toestand zou beslissen, vind ik absurd (zeer dwaas) Eeuwige straffen voor tijdelijke zonden. Gij gevoelt, dat gaat niet.
4. Ons hart went aan de prediking eener eeuwige verdoemenis spoedig genoeg ; dan moet ge maar eens kgken naar de onaandoenlgke gezichten van Veluwsche boeren, die er al op zitten te wachten en teleurgesteld zijn als ze die prediking niet te hooren krijgen.
5. (Er zgn menschen die door allerlei omstandigheden niet kunnen gelooven). Maar wat verhindert ons aan te nemen dat na den dood de belemmeringen zullen worden weggenomen ?
6. Zij die willen gelooven en niet kunnen, en-al meer blijven willen en al maar niet kunnen, en al worstelende zonder te overwinnen sterven, zullen na den dood verkrijgen al wat mij in dit leven steeds te vergeefs hebben gezocht
7. Wij gelooven dat het meerendeel der menschheid eerst na den dood den diepen strijd zal moeten doorworstelen, die hier (op aarde) angstvallig wordt gemeden.
8. En wanneer iemand het nu niet met mij eens is, of wanneer iemand nu met een paar bijbelteksten of met een paar stukken dogmatiek gereed staat om die naar mij toe te werpen, dan ben ik niet van plan terug te gooien.
Tot zoover de aanhalingen in de Westfriesche Kerkbode,
En als dr. Bakels dan triomfantelijk vraagt: „Hoe vindt u dit alles? En dat van een „orthodoxen" dominé? " dan zeggen we : treurig !
Terwijl we aan dr. Cramer de verzekering willen geven, dat we hem niet met een paar stukken dogmatiek, noch met een paar bijbelteksten willen gooien — maar we zouden hem toch wel willen vragen: is hetgeen g q leert ook schriftuurlijk en is het ook naar den geest van onze Herv. belijdenis?
Dat mogen we toch wel vragen? Of zal dr. Cramer ons dan ook uitlachen, zooals hij de Veluwsche boeren uitlacht ?
Kras gezegd.
Men weet, dat te Rijswijk (Z.-H.) een modern dominé staat. Diens volgens komt een zéér groot deel van de Gemeente, dat in geest en hoofdzaak instemt met de belijdenis der Kerk en van den predikant mag verwachten, dat hg „het Evangelie van Jezus Christus naar Gods heilig Woord" zal verkondigen. Zondag aan Zondag nooit in de Kerk en moet of naar het Evangelisatielokaal te Rijswijk of naar de Kerk in den Haag of Delft gaan, wil men neerzitten onderde verkondiging des Woords, gelijk op den Rustdag betamelqk, nuttig en noodig is.
Dat het intusschen met Rijswijks' Kerk niet zoo heel fiorisant staat is bekend en meer dan eens moest reeds een beroep worden gedaan op de leden der Gemeente, ook op de orthodoxe leden, die wel om een prediking des Evangelies vragen, maar deze in de Kerk niet krggen naar het Woord.
Dat heeft aanleiding gegeven tot besprekingen en veïzoekschriften en als gevolg daarvan heeft de kerkeraad de volgende regeling getroffen: de predikant van Rijswijk houdt zijn beurten zooals ze thans zijn (niorgenbeurt). Er zal nu één beurt per Zondag ('s middags of 's avonds) aan worden toegevoegd, alsmede beurten op de tweede feestdagen en Hemelvaartsdag. Die nieuwe beurten zullen een officieel karakter dragen, maar de predikant zal die beurten geregeld afstaan aan orthodoxe collega's, in overleg met de „Vereeniging tot behartiging der belangen van de Ned. Herv. Kerk" (orthodox).
Bij die godsdienstoefeningen door orthodoxe predikanten geleid zullen de gewone collecten voor armen en Kerk plaats hebben, terwyl de orthodoxe Vereeniging vrgheid heeft een derde collecte te houden ter bestrijding van de te maken onkosten.
Over deze regeling van den modernen kerkeraad te Rgswijk, schrijft ook de Nederlandsche Kerkbode (ethisch) en zegt daarvan:
„Het ware te wenschen dat de vrijzinnigen overal het voorbeeld van den Rijswijkschen kerkeraad eens gingen volgen. Niet, dat wq dan voldaan zouden zgn over hun houding tegenover de orthodoxe minderheden, maar dan kwam die houding toch iete meer in overeenstemming met hun zeggen, dat zij voor Evenredige vertegenwoordiging zijn en dus ook aan de minderheden gunnen wat haar toekomt. In orde zou die houding natuurlijk, eerst zijn als zij zoo'n orthodoxe minderheid niet met middag-of avondbeurten alleen afscheepte en de onkosteh, die zulke beurten met zich mede brengen, voor rekening van de kerkvoogdij kwamen. Bovendien zou er dan door hen ook nog gezorgd moeten worden voor catechetisch onderwijs in orthodoxen geest. Ons dacht zóó behoorden menschen te handelen, die voor E.V. zijn. Maar die eisch zal wel al te onbescheiden zijn in der vrqzinnigen oog.
Welnu laten zq daarom dan alvast overal maar gaan doen als hun geestverwanten te Rgswijk. Wg zgn dan nog wel niet voldaan, maar zullen dan reeds dankbaar zijn."
Een mengelmoes.
B. te S. in de Nederlandsche Kerkbode valt er over, dat we in betrekking tot de Gezangen hebben durven spreken van „rommel" en vraagt om dit woord terug te nemen.
We hebben daar volstrekt geen bezwaar tegen. Wanneer we zelf de drukproef hadden nagezien zou dit woord waarschijnlijk niet onder de oogen van de lezers zijn gekomen. Dat men het, in een zekere stemming zijnde, neerschrijft is misschien te verklaren, maar daarom behoeft het nog niet te blijven staan.
We nemen dit woord dus terug. Waarom ? Wel omdat we volstrekt niet den indruk willen geven als zouden wg de gezangen, een voor een genomen, als „rommel" beschouwen. Er zijn daarvoor veel te schoone, echt-christelgke liederen onder dat 274-tal in den ouden en nieuwen bundel voorkomend.
Maar men heeft toch wel begrepen wat we bedoelden?
Als we nu, in de dagen van de heerlijke huis-schoonmaak spreken van „rommel, " wil dat volstrekt niet zeggen, dat er dan geen dingen van waarde bij zgn. Maar ze zijn dan wat wonderlijk door elkaar geworpen, 't Minderwaardige, prullige, nuttelooze ligt dan soms bij en tusschen 't geen volstrekt niet zonder waarde is. En dat moest niet. Dat moet ook met de schoonmaak veranderen! Zoo iets bedoelden we nu, naar aanleiding van hetgeen prof. Van Veen schreef na de verschijning van dr Bronsvelds' studie over de Gezangen. Ook hij heeft het er over, dat men de echt-christelgke liederen zoo verknoeid heeft en dat men eeht-mooie gezangen met zulk minderwaardig goed heeft door-een-vermengd, waarbij, en dat vinden we het ergste, de echte, gezonde, Bgbelsehe waarheid, die in onze belijdenis ook zoo schoon vertolkt is, zoo besnoeid en bedorven is.
En nu weten we wel, dat er ook in de Psalmberijming wel woorden en zinnen voorkomen, die niet zoo mooi en niet zoo juist zijn. Maar daar heeft men niet opzettelijk het oorspronkelgke be snoeid en veranderd om een andersoortige waarheid in het gedicht te leggen dan in den tekst voorkomt, 't Is daar een kwestie van betere berijming. En waar de godvruchtige A. Brakel in zijn tijd ten opzichte van de toen in gebruik zijnde berijming, schreef: „Het ware te wenschen, dat een kunstig en godzalig dichter zijn werk ervan maakte om ze beter en met den grondtekst beter overeenkomende, op dezelfde wgze te dichten enz."; daar zeggen wij ook ten opzichte van de tegenwoordige berijming en de tegenwoordige zangwij zen, dat ze volstrekt niet volmaakt zijn. Elke goede wijziging in woord en wijs, in overleg en in ordelijken weg aangebracht, is ons welkom. Maar dat alles raakt niet datgene, waar 't bg de Gezangen om gaat.
Van ouds is in onze Geref. of Herv. Kerken als regel geweest wat we vinden in de verschillende Kerken-ordeningen (van 1578, 1581, 1578 en 1618). De psalmen Davids alleen zullen in de Kerken gezongen worden, terwijl weggelaten moeten worden Gezangen, die in de Heilige Schriften niet gevonden worden."
(Zie verder art. 69 Dordtsche Kerkorde."
Aan dezen regel hield men zich voornamelijk, omdat anders zoo gemakkelijk allerlei dwaalleer, zingende, kon worden ingevoerd.
En ziet, nu is men in een tijd, toen de echt Gereformeerde leer bijkans niet meer van de kansels gehoord werd, in een veelszins geesteloos tijdperk, waarin dé hoofdwaarheden des Evangelies zoo al niet geheel ontkend dan toch meerendeels verzwegen werden, een Gezangenbundel gaan invoeren, waarin, in plaats van de karakteristiek Gereformeerde leerstukken van 's menschen volkomen verdorvenheid, van Gods vrijmachtige verkiezing enz. „een algemeene genadeleer en eene oppervlakkige zedeprediking den boventoon voert" (zooals o.a. de bekende P. Huet zich in 1872 uitdrukt), waartegenover van stonde af aan heftige tegenstand in het midden van de Gemeente openbaar werd, 'twelk nu, na 100 jaren, volstrekt niet minder is geworden.
Dat men goed en kwaad — en daarbij van het goede niet zelden nog afknibbelend, om 't slechter in plaats van beter te maken I — door elkaar geschud heeft en dit mengelmoes tegen orde en wet eu regel in, in dagen van afval en inzinking, heeft ingevoerd in de Kerk met dwingend gezag — waarbij later weer langs een è, nderen weg nog een tweede bundel (misschien niet slechter dan de eerste) is gevoegd — dat alles maakt dat we er eigenlijk geen beteren weg op weten, dan dat men heel die verzameling, waaraan kerkrechtelgke en dogmatische smetten kleven, opbergt en in deze eens behoorlijk wacht, tot de Kerk ook over deze dingen ordelijk kan spreken en tot betere tijden gekomen zgnde, ook in deze zal kunnen doen wat de Heere haar wijst.
Onze overtuiging ten opzichte van de tegenwoordig in gebruik zijnde gezangen is dan ook, dat er zeer zeker met een goed gezind hart veel goeds van enkele liederen gezegd kan worden, maar de verzameling als zoodanig is een zeer gebrekkige, die in de behoefte der Gemeente niet voorziet, en wel omdat er Kerkrechtelgke smetten aan kleven, maar meest, omdat het een mengelmoes van goed en kwaad is, waaruit over 't algemeen een geest spreekt gansch verschillend van dien, welke spreekt uit de Gereformeerde geschriften onzer vaderen en de Formulieren van Eenigheid der Gereformeerde Kerk.
Wil men hieromtrent nog een getuigenis van den bovéngenoemden P. Huet ?
Hij zegt o.a.: „Ik houd het voor een onloochenbare zaak, dat de invoering van den Gezangenbundel krachtig heeft medegewerkt tot heerschappij van het liberalisme en dientengevolge tot het verval onzer Kerk. Zekerlijk, er zijn kostelijke, dierbare Gezangen in de verzameling. Maar welk geloovig prediker is er, die, bij het zoeken van Gezangverzen toepasselijk op zgne prediking, niet telkenmale stuit op het geringe getal van juist zulke Gezangen, waaraan hij behoefte heeft en waarin het gevoel van zonde, de behoefte aan vergiffenis en aan bekeering, de worsteling van de ziel om tot Christus te komen, d« ondervinding van Zijne genade en de vreugd over de ontvangen redding zich uitspreekt?
Datzelfde bezwaar heb ik tegen den Vervolgbundel. Ook in dezen bundel ontbreekt het geheel aan dien toon van diep schuldgevoel, van erkenning van Gods welverdienden toorn, van besef van eigen onmacht, van smachtend uitzien naar redding, van ootmoedige toevlachtneming tot den Heere Christus, waaraan het heilbegeerige hart behoefte heeft. Het is weder van het begin tot het einde een juichen en roemen, weinig strookende met de doorgaande gesteldheid van wie het ernst is met zijn zaligheid. Daarom dan ook, niet zoo zeer om wat er wel als om wat er niet in ia, zal dit geschenk der Synode, als zoodanig reeds, en waarlijk niet zonder grond, bij het ernstigst deel der Gemeente weinig betrouwd, nimmer een plaats vinden in de haften der vromen."
Zoo schrgft Huet.
En vervolgt dan: Er mogen er dan zijn die met alles vrede hebben en alles goed vinden, daarbij den nauwgezetten hoorder van bekrompenheid beschuldigend — ik voor mi] acht het eene stof van dankbaarheid, dat er ten onzent, ook onder de zoogenaamd onontwikkelden, nog zoovelen zgn, voor wie de vermaning : „beproeft de geesten of zij uit God zijn" geen ijdel woord is en die dat woord ook op de Gezangen toepassen. Dat er velen zijn die met den stroom niet meegaan maar wat hun inzake van den godsdienst voorkomt, aan GodsWoord volgens de Gereformeerde belijdenis toetsen, is een verblgdend verschijnsel. Ja, ik aarzel niet om te zeggen, dat juist in déze lieden de kern van onze natie ligt, dat het aan hen en juist aan de hartnekkigheid, waarmede zij zich aan het oude vasthouden, te danken is, dat, niettegenstaande alle bewerking van liberale en moderne zijde, de grondtoon van ons volk nog aan zoovele plaatsen godsdienstig is gebleven."
Hierbij zullen we het laten.
Dat we ons met Huet in deze aardig kunnen vereenigen, zal men van ons willen aannemen. En we wilden wel, dat degenen die zoo bizonder Gezangeni liefhebbers zijn, een weinig meer met deze dingen wilden rekenen. Over het algemeen zijn niet-Gezangenzingers in de ! oogen der liefhebbers niet veel meer dan boeren-kinkels of duiten-dieven.
Jammer, dat men niet beseft, dat er bg duizenden en duizenden in de Herv. Kerk en in de Geref. Kerken ook nog ' een weinig meer „geestelijke" motieven kunnen bestaan bij het krachtig verzet[ tegen de Gezangen.
Filiaal-Gemeenten.
Van Vrgzinnige zijde is het bekende Modus-vivendi-voorstel der Utrechtsche hoogleeraren omgewerkt tot een conceptreglement op het vormen van filiaalgemeenten. 't Plan is om het bij de Synode in te dienen. Maar vooraf wenscht men het voor de vierschaar der publieke opinie te brengen.
Wij drukken het hier zonder commentaar af, Het luidt aldus:
Reglement op het vormen van Filiaal-gemeenten.
Het ontstaan van Filiaal-gemeenten.
Art. 1. Lidmaten eener gemeente kunnen zich aaneensluiten tot gemeenschappen, die den naam dragen van filiaalgemeenten. Wordt in een gemeente meer dan één filiaal-gemeente gevormd, dan worden zij onderscheiden als Ie, 2e enz.
Vereischt aantal lidmaten.
Art. 2. In gemeenten met niet meer dan drie predikantsplaatsen wordt daarvoor ten minste één derde gedeelte van het aantal stemgerechtigde lidmaten vereischt, in gemeenten met meer dan drie predikantsplaatsen ten minste het zooveelste deel der stemgerechtigde lidmaten als er predikantsplaatsen zgn.
Combinaties.
Art. t. Lidmaten van in elkanders nabijheid gelegen kleine gemeenten kunnen zich tot een filiaal-gemeente aaneen sluiten. Hiervoor wordt in althans één dier gemeenten ten minste één derde gedeelte van het aantal stemgerechtigde lidmaten vereischt.
Comité van voorbereiding.
Art. 4. Zij, die tezamen een filiaalgemeente wenschen te vormen, kiezen iUit hun midden een comité van voor-; bereiding, dat uit ten minste vijf leden moet bestaan.
{ Statuten en huish - reglement.
! Art. 5. Het comité van voorbereiding
; ontwerpt statuten" waarin de geloofsgrond ider te stichten filiaal gemeente duidelijk wordt omschreven, en stelt een huishou-' delgk reglement op. Desgewenscht wordt hierin de bepaling opgenomen, dat de kerkeraad, behalve met het bestuur, ook belast is met het beheer der geldmiddelen.
Art. 6. Deze ontwerpen worden, na in een vergadering der leden gewijzigd of ongewijzigd te zijn aangenomen onderworpen aan de goedkeuring van het Classicaal Bestuur, hetwelk verplicht is, zijn goedkeuring te verleenen, als zij niet in strijd zijn met de algemeen bindende reglementen der Kerk, wat den geloofsgrond betreft niet in strijd met art. 39. Regl. o. h. Godsd. onderw., art. 27. Regl. o. h. Examen en art, 6. Regl. V. Kerk. Opz. en Tucht. Wordt de goedkeuring geweigerd, dan kan het comité van voorbereiding in hoog«r beroep gaan volgens art. 14. Alg. Regl. en art. 80. Regl. V. Kerk. Opz. en Tucht.
Verkiezing van ouderlingen en diakenen.
Art. 7. Zoodra de vereischte goedkeuring is verkregen, roept het comité van voorbereiding de leden der filiaalgemeente op, om zich definitief te organiseeren en overeenkomstig de bepalingen van het huish. regl. ouderlingen en diakenen te benoemen.
Medegenot van de geldmiddelen der gemeente
Art. 8. Elke filiaal - gemeente heeft recht op een gedeelte van de zuivere inkomsten der gemeente, waaronder wordt verstaan de opbrengst van kerkegoederen, gemeentefondsen en hoofdelij ken omslag, verminderd met onderhouds-en administratiekosten en verschuldigde belasting. In gemeenten met niet meer dan drie predikantsplaatsen bedraagt dit deel één derde gedeelte, in gemeenten met meer dan drie predikantsplaatsen het zooveelste gedeelte als het aantal predikantsplaatsen der filiaal-gemeente het deel is van de gezamenlijke predikantsplaatsen der gemeente en der tot haar behoorende filiaal-gemeenten, tot een maximum van één derde gedeelte. Wordt een filiaalgemeente gevormd door lidmaten van in elkanders nabijheid gelegen kleine gemeenten, dan heeft zij alleen recht op het derde gedeelte der zuivere inkomsten van die gemeente of gemeenten, waarvan ten minste een derde der stemgerechtigde lidmaten tot haar behoort.
Art. 9. Jaarlijks, nadat de rekening der kerkvoogdij definitief is gesloten, en het bedrag der zuivere inkomsten over het afgeloopen jtiar kan worden vastgesteld, draagt de kerkeraad der gemeente zorg, dat de kerkeraden der filiaal-gemeenten het aan deze toekomende deel daarvan ontvangen.
Predikantstractement.
Art. 10. Kerkeraden van filiaal-gemeenten stellen een ligger van het predikantstractement vast, welke op dezelfde wijze als de liggers van andere predikantstractementen moet worden goedgekeurd. Te beginnen met den dag, waarop de ligger definitief is goedgekeurd, treden de filiaal-gemeenten in het genot van het haar toekomende deel der zuivere inkomsten van de gemeente. Tgdens vacature wordt het tractement uitgekeerd aan den ring, behoudens hetgeen bepaald is in art. 27, Regl. o. d. vacaturen.
Art. 11. Als de kerkeraad eener gemeente besluit, bij het vormen van filiaal-gemeenten het aantal predikantsplaatsen te verminderen, gaat het rijkstractement, aan die plaatsen verbonden, over op de predikantsplaatsen der filiaalgemeenten. Over een hieromtrent te treffen regeling tusschen den kerkeraad der gemeente en de kerkeraden der filiaalgemeenten, beruet de eindbeslissing bij het Classicaal Bestuur.
Art. 12. Naar denzelfden maatstaf en overeenkomstig dezelfde regeling als is aangegeven in art. 8 voor de inkomsten uit kerkegoederen, gemeentefondsen en hoofdelij ken omslag heeft elke filiaalgemeente voor haar predikantstractement recht op een zeker deel van de zuivere opbrengst van de pastoriegoederen der gemeente. Jaarlijks, nadat de beheerder der pastoriegoederen zijn rekening over het afgeloopen jaar definitief heeft gesloten, draagt hg aan den kerkeraad der filiaal-gemeente het haar toekomende deel af. Deze bepaling treedt eerst in werking, wanneer een standplaats, waaraan inkomsten uit pastoriegoederen zijn verbonden, wordt ingenomen door een ander predikant dan die haar inneemt bij de vorming van een filiaal-gemeente.
Medegenot van de geldmiddelen der Diaconie Art. 13. Naar denzelfden maatstaf en overeenkomstig dezelfde regeling als is aangegeven voor de inkomsten uit kerkegoederen, gemeentefondsen en hoofdelijken omslag heeft elke filiaal-gemeente recht op een deel van de zuivere vaste inkomsten van de diaconie der gemeente. Bezit de diaconie woningen, welke niet worden verhuurd, maar kosteloos door ondersteunden worden bewoond, dan wordt de huurwaarde van die woningen onder de onzuivere inkomsten in de diaconierekening opgenomen.
Art, 14. Jaarlijks, nadat de diaconierekening over het afgeloopen jaar definitief is gesloten, draagt de kerkeraad der gemeente aan ie kerkeraden der filiaal-gemeenten het haar toekomende deel af.
Medegenot van Stichtingen.
Art. 15. In gemeenten, waar bg zondere! stichtingen zgn, als scholen, weeshuizen. armhuizen en dergelijke — de eigen inkomsten dier stichtingen worden niet gerekend tot de inkomsten der gemeente of der diaconie — heeft elke filiaal-gemeente recht op het medegenot daarvan. In overleg met de kerkeraden der in het ressort bestaande filiaal-gemeenten ontwerpt de kerkeraad der - gemeente daar. voor een regeling. Kan bij onderling overleg geen overeenstemming worden verkregen, dan beslist het Class. Bestuur.
Voorziening in meerdere kosten.
Art. 16. Voor zoover het aan een filiaal, gemeente toegekende bedrag niet voldoende is, om in de kosten van haar gemeeatelgk leven te voorzien, moet zij zelve, het ontbrekende opbrengen volgens de bepalingen van haar huishoudelijk reglement, onverminderd de verplichting barer leden, om de geldelijke lasten te helpen dragen der gemeente volgens de daarop betrekking hebbende verordeningen.
Medegebruik van Kerkgebouwen.
. Art, 17. In gemeenten met één kerkgebouw heeft elke filiaal-gemeente recht op het medegebruik daarvan, In overleg met de kerkeraden der in het ressort bestaande filiaal-gemeenten maakt de kerkeraad der gemeente daarvoor eeu regeling, uitgaande van de gedachte, dat het aantal keeren, waarop het kerkgebouw zoowel des voorm., des nam, als des avonds ter beschikking is van een filiaalgemeente of van de gemeente, evenredig moet zijn aan het aantal predikantsplaatsen, dat zij hebben, kan bij onderling overleg geen overeenstemming worden verkregen, dan beslist het Classicaal Bestuur,
Art, 18. In gemeenten met twee of meer kerkgebouwen maakt de kerkeraad der gemeente in overleg met de kerkeraden der in het ressort bestaande filiaalgemeenten een regeling, waarbij aan de gemeente en aan de filiaal gemeenten bepaalde kerkgebouwen ten gebruike worden toegewezen. Wordt hieromtrent geen overeenstemming verkregen, dan maakt de kerkeraad der gemeente in overleg met de kerkeraden der filiaalgemeenten een regeling, uitgaande van de gedachte, dat het aantal keeren, waarop de kerkgebouwen' zoowel des voorm., des nam. als des avonds ter beschikking zijn van de gemeente of van een filiaal-gemeente, evenredig moet zgn aan het aantal predikantsplaatsen, dat zij hebben. Wordt ook hieromtrent geen overeenstemming verkregen, dan beslist het Classicaal Bestuur,
Voorziening in godsdienstige behoeften.
Art, 19, Elke filiaal-gemeente voorziet zelve in de godsdienstige behoeften van hare leden op de wijze, die baar doelmatig en noodzakelijk voorkomt.
Positie van predikanten bij de filiaalgemeenten.
Art, 20, Alleen zij, die tot de Evangeliebediening in de Ned, Herv. Kerk zijn toegelaten, en deze bevoegdheid niet hebben verloren, kunnen als predikant aan een filiaal-gemeente worden verbonden.
Art. 21. De predikanten der filiaalgemeenten zijn dienstdoende predikanten van de Ned. Herv, Kerk, in geenerlei opzicht van de dienstdoende predikanten der gemeenten onderscheiden. Zg hebben dezelfde verplichtingen en rechten, ook in hun verhouding tegenover den staat. Zij maken op dezelfde wijze en met dezelfde rechten deel uit van den kerkeraad der filiaal-gemeenten als predikanten van den gemeentelgken kerkeraad.
Positie van ouderlingen en diakenen bij fiiliaal-gemeenten.
Art. 22. Voor de benoembaarheid tot ouderling en diaken van filiaal-gemeenten .gelden dezelfde vereischten als in de reglementen der Kerk zgn gesteld voor ouderlingen en diakenen van gemeenten.
Art. 23. Ouderlingen en diakenen van filiaal-gemeenten hebben dezelfde verplichtingen en rechten als ouderlingen en diakenen van gemeenten.
Verhouding tot de Kerk.
Art. 24. Filiaal-gemeenten nemen in reglementairen zin in de Kerk dezelfde plaats in als gemeenten, ook wat haar , verhouding tot den ring, de classis en de hoogere Besturen betreft, met dien verstande, dat filiaal-gemeenten, gevormd door lidmaten van in elkanders nabiijheid gelegen kleine gemeenten, worden geacht, tot hetzelfde ressort te behooren als waartoe de gemeente behoort, van welke zich het grootste aantal stemgerechtigde lidmaten bij haar heeft aangesloten.
Afleggen van geloofsbelijdenis en Toetreding.
Art 25. Elke filiaal-gemeente is, behoudens het bepaalde in art. 5 van dit reglement en in de art, 38, 39 en 40 van het Reglement o. h. Godsdienstonderwgs, geheel vrij, om ten aanzien van het afleggen van geloofsbelijdenis zoodanige voorschriften vast te stellen als haar - wenschelgk voorkomen.
Art. 26. Hetzelfde geldt ten aanzien van de toetreding tot hare gemeenschap van hen, die reeds elders lidmaten der Hed, Herv. Kerk zgn geworden.
Registers van gedoopten en lidmaten.
Art. 27. De namen dergenen, die in een filiaal-gemeente zijn gedoopt, en die van hen, die in een filiaal-gemeente belijdenis des geloofs hebben afgelegd of op ingediende attestatie door haar als lidmaten zijn erkend, worden in daartoe door haar aangelegde' boeken ingeschreven, en bovendien ten spoedigste aan den' kerkeraad der gemeente opgegeven. Deze is dan gehouden, die namen in zqn registers in te schrijven.
Art. 28. De kerkeraad van elke filiaalgemeente houdt nauwkeurig aanteekening van de lidmaten, zoowel stemgerechtigde als niet-stemgerechtigde, die tot haar zyn toegetreden of haar hebben verlaten, en doet van elk toetreden en verlaten ten spoedigste mededeeling aan den kerkeraad der gemeente, die daarvan aanteekening houdt.
Stemrecht.
Art. 29.' Stemgerechtigde lidmaten, die zijn toegetreden tot een filiaal-gemeente, verliezen de bevoegdheid, om van hun stemrecht in de gemeente gebruik te maken (behalve in beheerszaken). Hunne namen worden wel op de lijst der stemgerechtigde lidmaten vermeld, doch voorzien van een F., ten teeken, dat zij tot een filiaal-gemeente behooren.
Reehtspersoonlijhheid.
Art. 30. Elke filiaal-gemeente kan rechtspersoonlijkheid aanvragen naarde staatswet.
Art. 81. Indien zij daartoe wil overgaan, onderwerpt zij hare tot dat doel over te leggen statuten vooraf aan de goedkeuring van het Prov. Kerkbestuur, waaronder zq ressorteert, behoudens, in geval van weigering, haar recht op hooger beroep als in art. 6 is aangegeven. Met wijziging in de statuten wordt evenzoo gehandeld.
Art. 32, Indien een filiaal geineen te blijkens de door den kerkeraad der gemeente gehouden aanteekeningen dermate mocht zijn teruggegaan, dat zij haar reglementair recht van bestaan heeft verloren, verklaart deae kerkeraad, dat zij is ontbonden. De lidmaten, die tot haar behoorden, treden dan in de rechten, van het lidmaatschap der gemeente, waarin zij woonachtig zijn, en haar eventueele bezittingen vervallen, volgens een door het Prov. Kerkbestuur of de Prov. Kerkbesturen goed te keuren regeling, aan de gemeenten, waastoe zij behoorde.
Art. 33. Behalve in het geval, in het voorgaande artikel behandeld, kan de ontbinding eener filiaal-gemeente slechts plaats hebben, wanneer in een wettige, voor dat doel uitgeschreven vergadering, ten minste 3/4 der aanwezige leden zich daarvoor verklaren. Indien tot ontbinding wordt besloten, wordt hiervan mededeeling gedaan aan den kerkeraad der gemeente, en geldt ten aanzien van de lidmaten en de eventueele bezittingen der ontbonden gemeenschap de bepaling van het laatste lid van het voorgaande artikel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 april 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's