Verslag
van de 13de Jaarvergadering
van den Geref. Bond op Donderdag 21 Maart 1918 in een der zalen van het Gebouw voor K> enW. te Utrecht.
II.
De middagvergadering wordt tegen 2 ur aangevangen met het zingen van Psalm 98 : 2, waarna, op verzoek van den voorzitter, ds. Pop van Middelharnis voorgaat in gebed.
De Voorzitter spreekt ook nu een kort woord van inleiding, waarin hg wijst op den ernst van den toestand waarin niet alleen óns volk, maar ook onze Kerk verkeert'en spreekt den wensch uit dat ij bij ons samenzijn daarvan doordrongen en iu het besef daarvan saamgebondeu zullen zijn.
De notulen der vorige vergadering worden nu door den Secretaris gelezen en zonder eenige bemerking door de vergadering goedgekeurd en door den Voorzitter geteekend. Het jaar verslag vanden Secretaris, dat hierna wordt uitgebracht, trekt bijzonder de aandacht der vergadering, aangezien daarin tevens mededeeling gedaan wordt van het rapport dat het Bestuur had ontvangen van de Commissie, die op de vorige jaarvergadering benoemd was om te trachten de scheiding weg te nemen die daar tusschen den Geref. Bond eenerzijds en de h.h. dr. J. D. de Lind van Wijngaarden en prof. dr. H. Visscher anderzijds bestond. Helaas dat de ijverige bemoeiingen van deze Commissie niet het resultaat bleken bereikt te hebben, dat in de eerste plaats het Bestuur van den Bond zoo vurig had begeerd. Volgens een door de Commissie bij het Bestuur ingezonden schrijven van dr, de Lind van Wijngaarden bleek diens hoofdgrief tegen den Bond te zijn dat „deze geen omschreven doel heeft tenzij dan hetgeen in den naam ligt uitgedrukt, waartoe geen Bond van op zichzelf staande personen noodig is, daar God voor dit doel Zijn Kerk bestemd heeft." Aangezien het dr. de Lind van Wijngaarden „geheel duister was welken weg het met onze Kerk op moet", was het zijn persoonlijke overtuiging „dat in stilheid en vertrouwen onze sterkte zijn zal." Hieruit meende het Bestuur te mogen afleiden dat de redenen waarom dr. de Lind van Wijngaarden niet bq den Geref. Bond is aangesloten dus geen persoonlijke maar wel principieele redenen zijn. Het Bestuur betreurde, dat, blijkens het verslag, maar was natuurlijk niet bij machte daarin wijziging te brengen. Alléén wenschte het Bestuur wel uit te spreken dat ook z. i. onze sterkte in stilheid en vertrouwen moet zijn, alsmede dat het verbreiden van de Waarheid ook naar zijn oordeel zeer zeker de taak is van Gods Kerk; maar het Bestuur veroorloofde zich daarbij tweeërlei opmerking: Ie dat het hebben van zijn sterkte in stilheid en vertrouwen het betreden van den weg der middelen niet uit-maar wel insluit, aangezien anders deze gevolgtrekking gemaakt zou moeten worden dat allen die den weg tot reformatie betreden hebben hunne sterkte niet in stilheid en vertrouwen hebben gehad, hetgeen toch ook door dr. de L. v. W, zelve niet beweerd zal worden, en 2e dat, als de Kerk zelve haar roeping om de waarheid te verbreiden verwaarloost, het dan in de abnormale omstandigheden, als waaronder wij ook nu levea, niet alleen geoorloofd, maar zelfs geboden is, dat daar Vereenigingen of Bonden bestaan, die in den weg der middelen, onder den zegen des Heeren, de Kerk weer terugroepen tot de taak die door haar vervuld moest worden. Dat zelfs een Vereeniging dan tijdelijk het werk der Kerk kan overnemen, bewezen, naar de meening des Bestuurs, de onderscheidene Vereenigingen op Zendingsgebied, waaronder de Gereformeerde Zendingsbond, die nog steeds de eer heeft dr. de Lind van Wijngaarden tot Voorzitter te hebben, alsmede de Evangelisaties in verschillende moderne en ethische gemeenten, waarvan dr, de Lind van Wijngaarden ook nooit een tegenstander is geweest. Maar hoe dat ook ag, aangezien hei de overtuiging van dr. de Lind van Wyngaarden bleek dat hij door lid van den Geref. Bond te worden in strijd zou handelen met zijn opvatting van de taak van Gods Kerk, en met zgn beschouwing van het door hem aangehaalde woord der Schrift, daar meende het Bestuur niet anders te kunnen doen dan, met waardeering voorde xiitnemende gaven aan dr. de Lind van Wijngaarden verleend, zijn leedwezen uit te spreken over het standpunt dat deze tegenover den Geref. Bond inneemt, met de betuiging dat het zich grootelij ks zou verblijden, wanneer een man met ziijn gaven, met prijsgeving van zgn nu ingenomen standpunt, alsnog kon besluiten mede in den Geref, Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid werkzaam te zijn.
Volgens een door de Commissie bij het Bestuur ingezonden schrgven van prof. dr. H. Visscher, bleken diens grieven niet te zgn van principiëeien maar van persoonlijken aard.
Twee dezer bezwaren waren dan ook reeds door onderlinge correspondsentie tusschen prof. dr. Visscher en den voorzitter uit den weg geruimd. Wat een derde bezwaar betrof, bleek een verschil van gevoelen te bestaan tusschen prof, dr. Visscher en het Bestuur van den Bond omtrent een drietal door den voorzitter geschreven artikelen in de Waarheidsvriend, over den Modus Vivendi, in verband met een persoonlijk door den voorzitter aan prof, ' dr, Visscher gericht schrijven. Het Bestuur had echter aan prof dr. Visscher reeds zijn wensch kenbaar gemaakt en sprak ook in 't verslag de hoop uit dat dit verschil van opvatting geen blijvende verwijdering tusschen ZHGel, en den Bond ten gevolge zou hebben, aangezien het zijne steeds gewaardeerde medewerking om door middel van onze Bondsactie de Gereformeerde beginselen t« verbreiden op den hoogsten prijs blijft stellen.
Voor het overige kan uit het Jaarverslag van den Secretaris nog aangestipt worden dat het Bestuur onderscheidene aanvragen ontving om toelagen uit het Studiefonds, op enkele waarvan het Bestuur afwijzend meende te moeten beschikken, omdat elke grond om te verwachten dat de aangevraagde gelden aan hun doel zouden beantwoorden, ontbrak, Aan de meerderheid der aanvragen echter kon het Bestuur tot zgn blijdschap voldoen, door voor de gegadigden een kleiner of grooter bedrag beschikbaar te stellen. Verder werden in verschillende gemeenten weer de gewone winteravondspreekbeurten in het belang van de beide Fondsen vervuld. Ook werd in sommige gemeenten, waar het ondoenlijk bleek een avond-godsdienstoefening in de week te houden, door den kerkeraad een Zondagmorgen-of midd^gbeiart voor dit doel bestemd.
Het ledental bleek stationair gebleven. Het aantal predikanten, die zich bij den Bond aansluiten, ging wel langzaam, maar toch gestadig vooruit. Het aantal afdeelingen was met één verminderd, aangezien de af deeling Nijverdal zich niet langer staande had kunnen houden, maar daar stond tegenover dat te Bodegraven weer een afdeeling was opgericht, die zich aanvankelijk in warme belangstelling verheugen mocht.
Met het uitspreken van den wensch dat het schoone doel van den Bond den afdeelingen en den leden steeds helderder voor oogen mocht staan en dit onder den zegen des Heeren onze Kerk steeds meer ten goede mocht komen, meende de Secretaris zijn 13de Jaarverslag te kunnen beëindigen.
Het Jaarverslag van den Penningmeester volgt nui Op de onderhoudende wijze waarop wij dit van hem gewoon zijn, geeft de Penningmeester ong eenige belangrgke cijfers te hooren die een duidelijk bewijs leveren dat de belangstelling in onzen Bond, naar onzen finantiëelen maatstaf gemeten, niet dalende maar nog steeds klimmende is. De beide Fondsen, ons Leerstoel-zoowel als ons Studiefonds, door onzen Penningmeester zijn oudste en zijn jongste dochter genoemd, bleken beiden met eenige duizende guldens vermeerderd te zijn. Zooal s onze Penningmeester in zijn verslag ook liet uitkomen, komt den Heere alléén daarvoor de eere toe. Hij heeft in de moeilijke en voor velen zoo zorgvoUe tijden die we beleven, de harten nog willen neigen tot milddadigheid. Maar als middel in de hand des Heeren heeft onze Penningmeester zelf, tot het belangrijk resultaat dat hij bereikte, niet weinig medegewerkt. De voorzitter sprak dan ook zeker naar het hart der vergadering toen hg, gelgk hij dit den Secretaris reeds had gedaan, ook den Penningmeester, alsmede zijn trouwe medewerkster mej, Verbeek hartelijk dank zegde voor den arbeid aan onzen Bond ten koste gelegd.
Nadat over de uitgebrachte verslagen enkele opmerkingen gemaakt zijn, en een Oommissie benoemd is tot nazien van de rekening vanden Penningmeester, bestaande uit de h, h. ds, de Bruin, van Zeist en J, H. Jansen, van Veenendaal, wordt de uitslag van de inmiddels gehouden Bestuursverkiezing bekendgemaakt. Niettegenstaande ds, Remme de vergadering verzocht had voor hem een ander te nemen en ook' ds, Goslinga zich ongeveer in gelijken geest had uitgelaten, bleek hun woord (in dezen nl.) zóó weinig vat op de vergadering gehad te hebben dat zg, evenals de Secretaris, met bijna algemeene stemmen herkozen waren. De Secretaris neemt aanstonds zijn herbenoeming weer aan, de vergadering dankend voor het vertrouwen opnieuw in hem gesteld, en ook ds, Remme en ds, Goslinga laten zich, na eenig tegenstribbelen, beiden hunne benoeming weer welgevallen, nadat zrj nogmaals hebben uitgesproken dat het hun wenschelgk voorkomt dat de bestuursfuncties ook eens door anderen bekleed zullen worden.
Alsnu zijn de besprekingen aan de orde. Aangezien deze echter een meer intiem karakter dragen, zullen we hier kort over zijn. Laten we alleen onzen spijt mogen uitspreken dat zij ingezet werden op een wijze die, zooals de inleider later zelf bleek te gevoelen, niet door den beugel kon. Ieder heeft natuurlijk recht een eigen meening te hebben en ook op onze vergadering werd het recht om voor die meening uit te komen nooit aan iemand betwist. Maar als we een meer of minder rechtstreeksche beschuldiging aan het adres van iemand richten dan dient er voor die beschuldiging toch eenige grond te bestaan. Daarom betreuren we het diep dat, terwijl door het verslag van den Secretaris juist het omgekeerde bewezen was, de schijn gewekt werd alsof het Bestuur van den Bond den terugkeer van Prof, Dr, H. Visscher niet ten zeerste waardeeren zou. Waarlijk, in onbegrensde hoogachting voor de uitnemende gaven van dezen Hoogleeraar wenscht het Bestuur voor niemand onder te doen. Daar is er onder de Bestuursleden niet éen die niet oprecht waardeeren zou wanneer Prof, Dr, Visscher mede zijn zoo gewenschten steun en leiding aan onze actie geven wilde. Maar wie de omstandigheden meer van nabij kent weet, dat een geschiedenis van maanden en jaren zich niet door wat jeugdig vuur en ook niet door een bezielend woord vernietigen laat. Deze dingen kunnen, zooals het ook door een bezadigder mond werd uitgesproken, niet geforceerd worden. Immers hoe hoog onze achting voor Prof. Dr. Visscher ook is, niemand mag toch zeker van het Bestuur verlangen en zelfs zou Z.H.G.l. dit zeker allerminst begeeren, dat wij, om dezen geijkten term te gebruiken „door dik en dun" met hem mee zouden gaan. Evenals zelfs de vurigste en meest getrouwe zijner discipelen sommige dingen zal hebben waarin hij met dezen Hoogleeraar van meening verschilt, zoo meenen ook de Bestuursleden van den Bond zich datzelfde recht te mogen voorbehouden.
Wé zijn overtuigd dat Prof, Dr, - Visscher zelf het ons ten kwade zou duiden, als het anders zou zgn. Maar laten dan ook de buitenstaanders soortaan wat voorzichtiger in hun oordeelen zgn. En laten we niet beginnen om elkaar in verdenking te brengen, maar laten we als mannenbroeders zien op wat Prof, Dr, Visscher met ons en ons met elkander vereent en laat er alzoo in broederlijke liefde een weg gezocht worden, waarlangs allen die eens-geestes op den bodem onzer Gereformeerde Belijdenis staan, met elkander kunnen optrekken om tot opbouw oazer diep gezonken Kerk werkzaam te zijn.
Mocht daartoe ook onze 13e Jaarvergadering nog het hare hebben bijgedragen. Laat ons aan het geschrevene alleen nog dit mogen toevoegen dat voor bespreking over andere onderwerpen niet veel tijd meer was overgebleven. Wel voerden nog enkele leden het woord. Zoo sprak o.a. ds, de Bruin van Zeist nog over kerkelgke politiek en vroeg welken weg te dien opzichte de Bond zich nu voorgesteld had. Deze vraag werd door den voorzitter terecht beantwoord met te zeggen dat het bepalen daarvan inzonderheid in de tegenwoor dige tijdsomstandigheden, uiterst moeilgk is. De Bond staat op het standpunt dat de Hervormde Kerk krachtens recht en historie de Gereformeerde Kerk van Nederland is. Het groote doel dat ie Bond zich voorstelt is natuurlijk dat de gansche Kerkinrichting daarmee in overeenstemming zal zijn. Hg meent echter dat er niemand is die wat de detailpunten betreft kan zeggen: zoo en zoo zal dat gaan. Dat hangt van allerlei omstandigheden af én dat hangt in de eerste plaats af van Hem die alle dingen werkt naar den raad van Ziijnen wil en die ook in dezen van ons eischt dat wij blind voor de uitkomst, zullen zien in het gebod. Ook ds. Lans van Monster voert nog het woord en wil vooral den nadruk gelegd zien op het streven van het Leerstoel-en Studiefonds,
Nadat de voorzitter hierop dank gezegd heeft aan allen, die tot het welslagen dezer vergadering hebben medegewerkt, inzonderheid ook aan het Bestuur van dé afdeeling Utrecht voor de wgze, waarop zij haar ook nu weer heef t voorbereid, verzoekt hij nog te zingen Psalm 89:8, waarna op zijn verzoek de Secretaris de vergadering met dankzegging sluit.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 april 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's