Uii het kerkelijk leven.
De Kerk en het Woord Gods.
VI.
„ Wanneer iemand tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels zondigt" zegt art. 72 Kerkenorde, moet er tucht geoefend worden. De leer moet zuiver worden gehouden in de Kerk en de levenswandel moet onberispelijk zijn bij de leden der Gemeente. Christus heeft daarvoor verordeningen gegeven, de apostelen hebben 't zelfde gedaan en de Geref. Kerk heeft zich daarbij aangesloten. I
Spreken we eerst over „een instelling van Christus."
-We slaan daartoe Mattheus 18 op en lezen daar: , Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, gaat heen en bestraf hem tusschen u en hem alleen; indien hg u hoort, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen. Maar indien hij u niet hoort, zoo neemt nog éen of twee met u, opdat in den nfond van twee of drie getuigen alle woord besta. En indien hij deaelven geen gehoor geeft, zoo zegt het der gemeente en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij u als de heiden en tollenaar."
In dit woord van Christus treft ons, dat het te doen moet zgn om te behouden, om bij de kudde terug te brengen, om bij de broederschap te bewaren. Die in leer en wandel dwalen moet men trachten te redden. Met hen „die zich met hunne bekentenis en leven als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen, die eene ongoddelijke leer drijven of een ergerlijk leven leiden" moet men voorzichtelijk omgaan. Men mag de afdwaling, de ongerechtigheid, de leugen, de goddeloosheid niet dulden. Men mag het maar niet stil op z'n beloop laten. Tegenover de waarheid moet de leugen en de dwaling worden bestreden en uitgebannen. Met Gods Woord in de hand moet ieder en allen worden toegeroepen: sta af van ongerechtigheid. Maar men dient niet te vergeten, dat het allereerst moet gaan om, zoo mogelijk, terecht te brengenen te behouden. Alleen waaneer het niet anders kan en alles tevergeefs beproefd is moet ten slotte uit het midden van de Gemeente worden verwijderd, in den naam des Heeren Jezus, die dè Koning Zijner Kerk is.
Men moet — zoo lezen we in art. 32 Ned. Gel. belijdenis — zich dan ook hier „wel wachten af te wgken van hetgeen ons Christus, onze eenige Meester geordineerd heeft." En wat heeft nu Christus b.v. in Matth. 18 geordineerd?
Allereerst merke men op, dat Allereerst merke m Matth. 18 staat, dat niemand moet mee nen de meeste te zijn in het Koninkrijk der hemelen. Terwijl er vervolgens staat: „Alzoo aal ook mijn hemelsche Vader u doen, indien gg niet van harte vergeeft een iegelgk zqnen broeder zijne misdaden."
Zetten we deze dingen nu eens in ver band met de gelijkenis van het verloren schaap, , dan bemerken we dat er staat: , Alzoo is de wil nieb uws Vaders die in de hemelen is, dat éen van deze kleinen verloren ga."
En hoe moet dan gehandeld worden, om dat te bereiken in de oefening der tucht, die noodzakelijk is?
De Heere Jezus zegt: Gaat heen en bestraft hem tusschen u eu hem alleen."
Dat is de eerste stap, die gedaan moet worden, als iemand zich in leer of leven te buiten gaat, als men dwaalt of zondigt, als men afwijkt van de zuiverheid der leer of afwijkt van de vromigheid. Deze eerste stap moet men in 't oog houden. Hier mag men niet achteloos voorbij gaan. Juist omdat het gaan mqet om te behouden en terecht te brengen. Want er staat immers: „Indien hij u hoort" d.w.z. indien hij zijne fout, afdwaling, zonde, misslag inziet, er berouw over heeft, ' , zoo hebt gij uw broeder behouden." Dan moet gij uw broeder vergeven; dan mag er niet verder over gesproken worden; dan mag 't aan anderen niet worden verteld. Dan moet het vergeven en vergeten z%n. Dat is „uw broeder winnen, " waai'om het te doen moet zijn.
Met dus beginnen met over de dingen met iedereen te spreken, zoodat spoedig heel de wereld het weet. Dat is niet bevorderlijk om te winnen en te behouden. 'Maar '— en dat is de tweeds stap die gedaan moet worden — ^maar, indien hij u niet. hoort, zoo neem nog éen of twee met u." Dat is dan de tweede poging om de dingen in 't reine te brengen, den welstand der Gemeente te bevorderen en „uw broeder te winnen." Daarom moet er ook bij deze tweede stap wel voorzichtigheid gebruikt worden Wien zal men kiezen om mee te gaan? Hoe zal men het, nu men voor de tweede maal komt, aanleggen ? Moet men 't meest aan formeele dingen blijven hangen, ot gaat het wezen der dingen boven den vorm ?
„En indien hij dezelve geen gehoor geeft." Ja, zóo halsstarrig kan iemand zijn. Met z'n drieën en met z'n vieren kunt gij „uw broeder", niet „winnen." Wat dan? Loslaten? Verder de zaak laten zitten? Neen! zegt Christus, „indien hij dezelve geen gehoor geeft, zoo zegt het der gemeente." Zegt het aan de vertegenwoordigers van de Gemeente, aan de opaieners, aan den kerkeraad.
Om aan te klagen, gelgk men bij een rechtbank doet?
Neen! 't moet gaan en blijven gaan om te . „winnen". En dus, als men tofe de opzieners der Gemeente zich wendt om de zaak voor den kerkeraad te brengen, moet het zijn, om den kerkeraad te vragen: „ik heb getracht hem te winneuj maar het mocht mij niet gelukken; anderen hebbon met mij eene poging, gedaan, maar 't baatte niet. Broeders, helpt gij mij nu, om dezen dwalenden of zondigende^ broeder te winnen en terecht te brengen. Gij staat ia het ambt en zijt van God geroepen om naar deu Woorde Gods en de instelling van CLiristua VIQ. op te treden om hier terecht te brengen of uit het midden der Gemeente te verwijderen.
De derde stap js „zegt het der gemeente." Nu kan de kerkeraad zich er mee bemoeien.
Nadat dus de eerste stap en ook de tweede/in, , deze, naar de ordening van Christus, gedaan is. Eerder niet. Maaj dan ook niet uitgesteld. De zaak is voor de Gemeente, voor de eere Gods, voor den betrokken persoon hoogst belangrijk en dringend noodzakelijk. Misschien düt de zondaar na kerkelijk vermaan tot inkeer komt en weer tot de zuiverheid der leer en de vromigheid des levens terugkeert. Dan is de broeder gewonnen. Maar het kan ook zijn, dat „hij der gemeente geen gehoor geeft.'^' Dan komt de vierde stap welke gedaan moet wor den en wel de ontzegging van het gebruik van het Heilig Avondmaal. Helpt ook dit niet en volhardt men in het booze, dan gaat men, na overleg gepleegd te hebben met de classes, met de censuur verder. Voorzichtig moet mets dus hier te werk gaan. Het advies van naburige kerken wordt ingeroepen. Het gaat immers ook niet om maar „af te snijden"; neen! 't is immers te doe» om, zoo mogelijk, te winnen en terecht te brengen. Maar moet het ten slotte, dan moet worden afgesneden, opdat de waarheid en rechtvaardigheid geen schade zal lijden, de Gemeente niet zal worden laangetast en de eere Gods niet geschonden.
Hoe dikwijls wordt vergeten, "Sat er twee stappen eerst gedaan moeten worden in deze, aleer men komt aan de derde n.l. „zegt het der gemeente." Wilde men maar meer daarom denken! Wat kon er dan niet veel in orde gemaakt worden, onder de gdnste 0ods.
Dat dan .de geest dér zachtmoedigheid maar gevonden mag worden, bg vurige liefde voor waarheid en gerechtigheid!
„Broeders!" zoo schrijft Paulus in Gal. 6:1 „indien ook een mensch overvallen ware door eenige misdaad, gg, die geestelijk zijt, brengt den zoodanige terecht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gg niet verzocht wordt, " Dat wil dus zeggen: ndien iemand overvallen is door ver-zoekiijg, door last des vleesclies, d'.ior zonde of ongerechtigheid, door onkunde, onvoorzichtigheid, door valsche leeraars, door verleiding der wereld of iets a«ders, brengt hem terecht, vermaant hem ernstig, bepaalt hem bij zijne zonde en dwaling, ziet hem over te halen om terug te keeren, laat hem uw liefde proeven en vertroost hem met de belofte der vergevende genade Gods als hg naar u hoort en zich bekeert.
^'ie „geestelijk zijn" kunnen dat, maar ierförs werk is het niet! Alleen met dgn geest der zachtmoedigheid" kan het geschieden, waarbij de Heiland zegt: „leer van Mij, dat Ik zachtmoedig ben."
Het is niet gemakkelijk om in deze voi^tstappen te wandelen. Maar toch zal men er naar moeten staan. Zooals de tuinman dagelijks < Jen strijd aanbindt tegen 1 het onkruid, zoo moet ook in de Gemeente vooridurend worden acht gegeven op alles wat niet is naar den Woorde Gods. Ea dan allereerst om te winnen en te behouden; maar, zoo noodig, om ten slotte buiten te sluiten en af tesnijden.
Waarom dat afsngden? Om het behoud der Kerk. Indi^ de zonde voortwoekert zal langzamernand de Gemeente iu leer en leven verdorven worden. En weiièebben allen te arbeiden aan de reinheid, vrede en bloei der Gemeente. Gelijk de kerkeraad te waken heeft voor alles wat leer en leven kan bederven.
Zoo doen we toch ook ten opzichte van onszelf? Zoo verjorgeu we toch ook ons lichaam, ons kind, ons huis, ons vee, ons land, onze tuin ?
Daarom moet er in de Kerk vermaand worden tot verbetering, tot stichting, tot opbouwing — niet tot nederwerping. Maar vordert men niet, baat het niet, dan moet de deur gesloten voor alles wat de Gemeente verderven zou.
„En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen, en zoo wat gij binden zult op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn. En zoo wat gij ontbinden zult, op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn."
Deurwachters moeten er zijn in de Gemeente, sleuteldragers — gelijk Christus zegt de deur en de deurwachter en de sleuteldrager is.
Het rechtvaardig volk zal toetreden. De on rechtvaardigen zullen geweerd of buitenge worpen worden.
En wanneer het openen eu sluiten hier op aarde, in hét midden van de Kerk des Heeren, geschiedt naar Gods Heilig Woord, zal het in den hemel juist zoo toegaan als hier beneden.
Dat heeft de Kerk des Heeren hier te lande op grond van Gods getuigenis altijd beleden eu aanvaard. Want zij heeft altijd gezegd: „zoo dikwijls men de belofte van het Evangelie met waar geloof aanneemt, zullen ook waarachtiglijk alle zonden vergeven zijn, door God alleen om de verdienste van Christus"; „daarentegen zullen alle ongeloovigen en die zich niet van harte bekeeren, onder den toorn Gods vallen en de eeuwige verdoemenis zal op hen liggen, zoolang zij zich niet bekeeren." En, zoo beleed de Geref. Kerk van ouds, naar dit getuigenis des Evangelies zal God „beide in dit en in het toekomende leven oordeelen."
Zoo moet het bij de prediking toegaan: ontsluiten en sluiten ; binnenlaten en veroordeelen om buiten geworpen te worden.
En in den Christelijken ban moet het precies zoo toegaan.
Sluiten moet men „voor degenen, die onder den christelijken naam on-christelijke leer of leven voeren en die van hunne dwalingen en schandelijk leven, hoe ook menigmaal en broederlijk vermaand geen afstand willen doen."
Zoó kunnen zij niet ingaan. Zoó mogen zij niet binnen gelaten worden. _^
Want het gaat bij hen tegen Christus, tegen het Woord in. Zg zgn wel leden, belijdende leden ; zij dragen een christelijken naam ; zij hebben eene christelijke opvoeding en onderwijzing ontvangérT— maar inplaats dat zg nu alzoo ook handelen en wandelen, doen zg het tegendeel. Zij voeren een on-christelijke leer of leven, of beide^ Het gaat in hoofd en hart, in denken en willen, begeeren en handelen tegen Christus, tegen Gods Woord, tegen hun belijdenis in. Endaar moet tegen gewaakt worden. Er moet in de Kerk een band aan het Woord zijn, een regel om naar te leven; en wat daar tegen in gaat moet worden geweerd en bestreden. Het Woord Gods moet in de Gemeente blijven en 't moet krachtig zijn om de leugen en de zonde te weerstaan. Dat is noodig om het behoud der Kerk, maar ook om de eere Gods moet dat geschieden. God wil niet dat Zgn werk door zondig en dwaas menschen werk zal worden bedorfen. Het voedsel voor Zijne kinderen laatHg niet verknoeien. In Zijn tempel mag niets onreins inkomen of geduld worden.
Óok om de wille van den dwalende zelf moet de Kerk handelend optreden. Misschien kan hg zoo nog gewonnen en behouden worden. Maar ook als hij moet worden buiten gesloten, kan dit, onder Gods zegen, nog tot voordeel zijn. Het gemis kan nog een middel worden, om wöer aan te kloppen met berouw. De straf kan een heilzame vrucht afwerpen. Maar moest het anders gaan, zoodat de afgesnedene niet hoort, er niets om geeft, zijn eigen weg blijft gaan, in het kwade volhardt, dan zal men nochtans in deze zaak niet twijfelen, maar alles leggen in de handen van den Koning der Kerk, die gezegd heeft: die in deze Mijne leer niet blijft en de zonde liever heeft dan de gerechtigheid, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blgft op hem.
{Wordt vervolgd.)
Waartoe dient een belijdenis?
De Kerk heeft een belgdenis noodig om daarin de H. Schrift na te spreken en alzoo in dat naspreken van de Heilige Schrift gemeenschappelijk op te treden in het midden van de wereld. *
Van een „papieren paus", zooals moderne theologen willen zeggen, is dus hier geen sprake. Onze drie Formulieren van Eenigheid zgn eenvoudig een nadere uiteenzetting van de Schrift, om zich daarin te zetten tegenover alle onschriftuurlijke leering, tegelgk uitdrukking zijnde van het gemeenschappelijk gftvoelen der Kerken.
Daarom moet de belijdenis der Kerk door de Kerk ook telkens in hare Kerkelijke vergaderingen voorgelegd worden als" accoord van gemeenschap en naar de behoeften der tijden door de Kerken worden besproken, zoo noodig aangevuld of veranderd, in alles zich schikkend naar den regel van Gods Woord, dat past op de behoeften van alle tgden.
De belgdenis mag niet versteenen; zij moet leven, meeleven met den gang van Christus Kerk door de wereld En de ! Kerk moet meeleven met haar belijdenis, daarvan niet afwijkende, 't welk nergens I anders toe leiden zou dan tot verwarring I en verval, tot verzwakking en ondergang van de Kerk als Kerk.
Er is dus volstrekt geen sprake van „een papieren paus."
De belgdenis zelf laat wel een ander geluid hooren. Lees art, 7 van de Ned, I Gel, - belijdenis maar eens, waar staat: „Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schrifturen."
Zegt de belgdenis zelve niet in art. 28 dat het een kenmerk, niet van de ware, maar van de valsche Kerk juist is, er „een papieren paus" op na te houden, als we daar lezen: „de ware Kerk stelt zich aan naar het zuivere Woord Gods — maar de valsche Kerk schrijft zich zelf en hare ordinantiën meer macht en autoriteit toe dan den Woorde Gods."
Geen „papieren paus"; dus! Neen, wat de Kerk wil, is „den hals buigen onder het juk van Jezus Christus" zooals er in art. 28 staat, om zich eendrachtelijk ie scharen rondom Gods Woord, waardoor de consciëntiën gebonden zgn, (art. 32).
Laat men in deze dus eerlijk en royaal zijn om het standpunt van den Gereformeerde (en er zijn er van deze Gereformeerden in "en buiten de Hervormde Kerk toch nog duizenden en duizenden!) te begrgpen en te erkennen.
De Kerk heeft een belgdenis noodig als accoord ton gemeenschap. Op de Synode van Antwerpen van 1566 werd bepaald, dat „bij het begin van iedere Synode men de belgdenis des geloofs der Kerken dezes lands zou doen lezen, om getuigenis te geven van onze eenheid." En in de Acta van de Nationale Synode te Dordt 1618—-19 gehouden wordt gelijke gedachte uitgesproken: „de Synode heeft alle leeraars opgedragen, de confessie en den catechismus d^er Kerken te onderteekenen vanwege het betuigen van overeenstemming vn de leer."
Niets pausachtigs is in deze. Maar de Kerk mo^ een belgdenis hebben, om daarin Gods Woord na te spreken, om de waarheid der Schrift in haar eigen taal te herhalen en nader uiteen të zetten, al naar de behoeften van den tijd zgn; om in dat getuigenis dan gemeensehappplgk, alle Gemeenten des lands samen, te staan tegenover de onschriftuurlijke leeringen, zgnde een pilaar en vastigheid der Waarheid.
Immers voor onschriftuurlgke, eigenwijze, zondige en dwaee opvatting en leering is zoo velerlei gevaar bij degenen die binnen de Kerk zijn en die buiten staan.
Geven degenen die binnen de Kerk zich bevinden hun gedachten en overleggingen wel in alles gevaijgen tot de gehoorzaamheid aan Gods Heilig Woord onder de tucht en leiding des H. Geestes? - En stooken degenen die buiten zijn niet voortdurend tegen de leeringen die schriftuurlijk zgn?
Daarom moet de Kerk een belijdenis hebben, waarin de Schrift wordt nagèsproken en herhaald, en in deze belgdenis moeten de Kerten dan hebben haar accoord van gemeenschap.
Op de Kerkelijke vergaderingen moet dat uitkomen.
De Kerken moeten kleur bekennen, moeten haar vaandel ontplooien, moeten ook trouw beloven in deze als broeders en zusters van hetzelfde huis, als leden van één lichaam.
Accoord van gemeenschap. En de Kerkorde^ de wijze van Kerkregeering moet daartoe dienen, dat het gaat om de belgdenis. Alles moet zoó ingericht zijn, dat de belijdenis geëerd wordt, het contact met Gods Woord wordt bewaard, de teekenen der tijden ter harte genomen—en daarbij moet worden gewaakt, dat de Schrif. tuurlijke waarheid helder uitkomt, opdat de Waarheid Gods geen schade lijdt en men zich saam bukt onder „het juk van Jezus Christus"; waarbg alle dingen eerlijk en met orde moeten geschieden.
Daartoe zijn dus ook noodig de verschillende kerkelijke vergaderingen, waarbij de geestelijke dingen op den voorgrond moeten staan en waarbg het er met ernst om te doen moet aijn om de lampe van Gods Woord te doen uitstralen over alle terrein des levens.
Als het minder om de belgdenis gaat dan om de stoffelijke dingen dan verloochent de Kerk haar karakter en zal zij haar invloed inboeten.
Laat men de Schriftuurlijke waarheid los dan is men het stuur kwgt en de kracht gaat verloren.
En daarom hebbe de Kerk haar belijdenis, naar uitwgzen van de Schrift, als accoord van gemeenschap.
Waarbij ook die andere bepaling van diezelfde Synode van Antwerpen van 1566 niet worde vergeten, dat bij iedere Synode de lezing der geloofsbelijdenis moest geschieden niet alleen „om getuigenis af te leggen van onze eenheid" (accoord van gemeenschap) maar ook „om te overwegen of er iets te veranderen of te verbeteren is" (herziening van de belijdenis).
Dat is gereformeerd! 't Heeft niets „van de onfeilbaarheid van een paus"!
't Is om Gods Woord de hoogste autoriteit te laten. Om zich te buigen onder het juk van Jezus Christus. Om naar Gods Woord te leven. Om met Gods Woord de toestanden van alle tijden telkens te belichten. Om voortdurend levend contact te houden met de Schrift en met hetgeen rondom geschiedt. En dan steeds in het getuigen vóór de waarheid en tegen de leugen, de dwaling en de zonde éen te zijn; alle kerken — héél de Geref. Kerk — saamspreken de naar Gods Woord.
Mocht onze aloude Geref. Kerk deze gezonde, heerligke beginselen toch weer spoedig hartelijk gaan belgden, waar deze nu nog altijd worden gedrukt en besnoeid door die ongelukkige beschouwingen van velen en die gebrekkige inrichting van ons Kerkelijk leven, zooals die tot op heden on^er ons gevonden wordt.
We snakken naar die heerlijke vrijheid der Kerk, om zich vrg te schikken naai Gods Woord.
Want we begeeren geen bandeloosheid, Onze vrijheid is: vrg te zijn naar Gods Woord. Evenals het de ware vrijheid voor de visch is zich te bevinden in het water en de vrijheid voorden vogel om te vliegen in de lucht.
Alles naar z'n aard. En zoo de Kerk vrg, in gebondenheid aan Gods Woord.
aan Gods Woord. Dat geeft een gezond, krachtig, frisch leven.
Dwaze dingen.
Het is dwaas van Rome's Kerk om te gebieden, dat men den Paus moet beschouwen als den opvolger van Petrns en als onfeilbaar. Zulke dingen moest men niet jfebieden. Gelijk men niet moest verbieden aan de geestelijken om te huwen.
In zulke geboden en zulke verboden komt het eigenaardig karakter van Rome's Kerk uit.
Maar hoe staat het met onze Hervormde Kerk?
Vroeger was er een gebod om de Evangelische''Gezangen te zingen; en er was een verbod, dat men niemand mocht bemoeilijken, ook al week men af van de belijdenis der Kerk,
Ook dat teekent. En ja, nu is dat gebod om Ev.-Gezangen te zingen gelukkig wel opgeheven, maar het verbod, dat men niemand mag bemoeilijken, ook al wijkt men in de meest gewichtige stukken van de belgdenis der Kerk af, wil men nog altijd met hand en tand verdedigen en men doet om het toch zooveel mogelijk te bewaren.
Dwaze dingen. Men schrijft voor — zooals dé kerkeraad van Stolwijk toch zoo ongeveer deed — dat er geen orthodoxe predikant in bepaalde beurten op den kansel mag komen, als deze niet een voorstander van de Generale Kas is en voor het winnen van kwartjes zorgt in zgn gemeente.
Maar of er een moderne predikant komt, die den Christus niet predikt naar dfe Schriften, dat hindert niet.
Dat begeert men juist. Is het niet dwaas?
O! dat kwartje. Wie daar geen eerbied voor heeft, die moet gecensureerd worden en desnoods oneervol ontslagen zegt' dr. Niemeger.
Maar als men Doop en Avondmaal niet bedient overeenkomstig Gods Woord en de Kerkelgke formulieren, daar zal minder op gelet worden.
Of men met Kerstmis, Goeden Vrijdag, Paschen, Hemelvaartsdag en Pinksteren een heel ander evangelie brengt, dan naar Gods Heilig Woord is en door ieder predikant moet gebracht worden, dal is een zaak van minder belang.'
Men weet het beter dan Gods Woord. Men zegt het anders dan de Heiland sprak.
Men verschilt grootelijks met de Apostelen.
Meu verwerpt de grondbeginselen van het Apostolisch christendom.
Men gaat tegen recht en waarheid in in bet midden van een Kerk, waar men belooft in overeenstemming der belijdenis te zullen handelen.
Maar dat is minder. Als 't met dat kwartje maar in orde is zegt dr. Niemeijer, dan is 't al veel gewonnen en dan is men een bovenste beste dominé in de Herv. Kerk.
En in Stolwijk en in andere vrijzinnige gemeenten vindt men dat zoo prachtig, dat men er bij zweert.
Dat het in zulke gemeenten ook heel goed gaat in de Herv. Kerk kan men begrgpenl
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's