Stichtelijke overdenking.
Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van 'Jonas! hebt gij Mij liever dan deze? Hij zeide tot Hem : Ja, Heere!. Gij weet dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Wijd Mijne lammeren. Hij zeide wederom tot hem ten|tweeden male: Simon, zoon van Jonas! hebt gij Mij lief ? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere ! Gij weet dal ik U liefheb. Hij zeide .tot hem: Hoed Mijne schapen. Hij zeideftot hem ten derden male: Simon, zoon van Jonas! hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd omdat Hij ten derde male tot hem zeide: Hebt gij Mij lief? en zeide tot Hem : Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijne schapen. Joh. 21 vets 15, 16 en 17.
Hebt gij Mij lief?
De liefde van den Goeden Herde r.
De liefde-volle zorg valt ons in de hierboven geplaatste woorden op, waarmede de Heere Jezus vervuld is voor de Zijnen, de schapen Zyner weide. Hij vertrouwt het weiden en het hoeden Zijner kudde niet toe aan een liefdeloozen knecht. Daarvoor zgn, toch Zijn schapen hem te dierbaar. Hij kocht Zijn Gemeente met Zijn bloed. Hij daalde voor haar neder in den eeuwigen nacht. In de vallei des doods ie Hij getreden om haar van eenen eeuwigen ondergang te redden. Daarin kwam de liefde van den goeden Herder al bizonder uit, dat Hij Zijn leven stelde voor Zijne schapen. Maar laat het ons nu toch niet bevreemden dat Hij liefde vraagt bij de Herders die Hij over Zijne schapen aanstelt. Liefde, niet in de eerste plaats voor de schapen, maar voor Hem, Die Zich voor hen opofferde. En die den Heere liefheeft, zal ook liefhebben degenen die uit Hem geboren zijn. Vóórdat dan ook de Heere Zqne discipelen uitzond om het Evangelie te prediken aan alle creaturen, heeft Hij in de tegenwoordigheid der anderen. Petrus in z^n eer als apostel hersteld, maar toch tegelijkertijd, in Zijn tot drie keer toe herhaalde vraag, de brandende noodzakelijkheid getoond dat de uitgezondenen den goeden Herder liefhebben, Die zooveel voor Zijn schapen deed. En eerst dé, n, wanneer de openhartige belgdenis van die liefde tot den Heere is uitgegaan, wordt Petrus de grootsche taak opgelegd, die een zondig menschenkind onmogelijk in eigen kracht volbrengen kan.
De uit den dood verrezen Zaligmaker heeft geen oogenblik Zqn duur gekochte Gemeente vergeten. Hij draagt haar door Zijn machtig gebed. Hij verzorgt haar met nimmer verslappenden ijver. Hetzij Hij haar tot droefheid leidt of tot vreugde, haar voert door diepten waar het hart voor schrikt of tot de Karmel-hoogte van gebed en geloof, al deze werkzaamheid des Geestes wordt gedreven door de kracht van Christus' liefde. En geen enkel schaap wordt door Hem verwaarloosd.
Ook Petrus is een schaap van den goeden Herder. Jammerlijk hééft hij gedwaald. Heerlijk is hij terecht gebracht. Als door een zee van smart I Ook zijn ziel heeft teêre bearbeiding noodig, zal hij in staat zijn, onder Gods zegen, zielen te bearbeiden. En merkt het nu op, hoe de overste Leidsman aan Petrus de rechte plaats aanwijst bij den arbeid, die hij zou verrichten onder de kudde des Heeren. Alleen maar door eene vraag „Hebt gij Mij liever dan deze? " Vroeger, vóór zijn diepen val, vóór zijn bitter weenen, waande hij zich in geestelijke kracht sterker dan alle overige discipelen. „Gg zult allen aan Mij geërgerd worden, " had de Heere gezegd. „Gij zult allen Mij verlaten" Maar Petrus had dit verre van' zich geworpen. „Al zullen zij allen U verlaten, ik zal U geenszins verlaten." Dat meende hij oprecht. Hij kón zich niet voorstellen dat hg ooit den Heere zou verlaten. En in zijn stoutmoedige woorden sprak hij het ongewild uit dat hg den Heere in sterker mate liefhad dan al de anderen „Welnu, Simon, zoon van Jonas, hoe staat het thans met u ? Hebt gij Mij liever dan deze Mij liefhebben? " Simon Petrus dan, hoorende dat het de Heere was, omgordde het opperkleed en wierp zich in de zee. Aldus lezen wij in het zevende vers van ons hoofdstuk. Hij was 'teerst bij Jezus! Maar toen allen tegenwoordig waren, werd hem gevraagd of hij zich nu nog beter achtte dan zij. En hq heeft gezwegen van zijn sterkere liefde. Ook al was er door genade grootere geesteskracht in hem gewerkt dan in anderen, hij had ook geleerd, dieper af te dalen, in de afgronden van zijn booze hart dan anderen in de kennis hunner ellende waren ingeleid. Zoo heeft Petrus wel gesproken van zijn liefde. Dat kon hij niet verzwijgen. Maar te zeggen dat Hg' meer van den Heere Jezus hield dan Johannes den Heere beminde neen, van die zelf-verhefïing op wat toch slechts gegeven goed was, werd hij afgebracht door het bitterlijk weenen over zichzelf. En zóó alleen was Petrus in staat om 's Heeren lammeren te weiden. Zijn schapen te hoeden.
Het is een verheven werk, zielenherder te zijn; een voortreffelgk werk, en een moeilijk werk. Maar zoodra bij iemand, dien de Heere verwaardigt daartoe te gebruiken, ook maar de gedachte opkomt dat hij beter is dan anderen, kent hij zijn plaats niet, is hij zelf ongezegend, al draagt hij zegen voor anderen. Paulus heeft meer gearbeid dan allen. Maar de eer daarvan draagt hij zelf niet, want hij noemt aich ook de grootste van alle zondaren, aan wien genade geschied is. Het is een voorrecht de schapen van den goeden Herder te mogen leiden in de breede weide van 's Heeren Woord, maar hij die dit doet moet in eigen oog niet anders wezen dan een arm zondaar, om aan armen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus te melden. En zoo zou Petrus misschien wel door een zee moeten gaan, , zooals hij in de zee van Tiberias voor alle anderen uitging, brandende van ijver voor de zaak des Heeren, door een zee van tegenspoed, lijden en smaad. Maar 't geschiede niet met de gedachte: ik heb den Heere meer lief dan zij. Neen, maar wel met het besef, als ingegraveerd in de ziel: als de Heere mij niet bewaart, verloochen ik Hem tot driemaal achtereen.
En toch, de hierboven geplaatste woorden worden wel genoemd het "eerherstel van Petrus. Christus houdt Zijn volgelingen klein in eigen oogen. Maar als zg dan de laagste plaats voor zichzelf gekozen hebben, zegt de Heere ook; Vriend, ga hooger op. De Heere heeft de drie vragen naar de liefde die in Petrus' hart was, gedaan met opzet in de tegenwoordigheid der overige discipelen. Het valt op dat de Heiland hoorbaar niets tot Petrus gezegd heeft, toen deze voor alle anderen uit aan den oever kwam. Dit zal wat ontnuchterend op hem gewerkt hebben. Zou er dan toch nog wat zitten bij den Meester? Zou de Heiland het hem nog niet geheel vergeven hebben, waarover hij zoo bitter geweend had ? Was de opgestane Christus hem dan niet in het bijzonder verschenen ? Zou het dan nu toch nog niet in orde zijn? De liefde voelt zoo teer. Het is daarom misschien een welkome afleiding voor Petrus geweest toen de Heere aan de discipelen opdroeg de gevangen visschen te brengen. Petrus ging het maar doen en hg trok het net op en telde de visschen. Hij bleef al dien tijd afgezonderd. Misschien is de gedachte wel in hem geweest: ik behoor ook eigenlijk in hun kring niet roeer Wacht maar. Petrus', de Heere maakt het goed voor Zijn volk, in alle opzichten! Hg weet genade en eefe te geven, eere ook in het midden der broederen. Als Simon tot drie keer toe moet belijden dat hg den Heere Jezus liefheeft, is, dit al een zeer duidelijke terugslag op de drievoudige verloochening in Kajafas' huis. Voortaan zou geen der discipelen hem ooit voor de voeten kunnefl werpen: gg hebt den Heiland verloochend en Hem smarten aangedaan. Immers de Heere zelf' had hem in de gelegenheid gesteld ook drie keer uit te spreken wat genade in hem gewerkt had. Het gebeurt helaas wel dat zij die in het Koninkrgk Gods hoog geplaatst zgn, diep vallen. Gelukkig, zg keerden met geween en smeeking tot den Heere weder en vonden, om Christus wil, genade bij Hem, Wiens naam Ontfermer is. Maar het gebeurt dan helaas ook dat zulken er nog altijd op aangezien worden, in het midden der geloovigen. Zij worden altijd naar de laagste plaats gewezen! En dit is niet goed. Daarvoor is de geschiedenis van Petrus' eerherstel van belang. Zij leert ons dat er bij den Heere vergeving is. En waar genade is, siert God den mensch met de hoogste eer. Laat dan de wereld de Gemeente des Heeren verachten. Het zij zoo. De Heere beware haar voor uitbrekend kwaad, opdat de Naam des Heeren geen smaadheid aangecjaan worde. Maar laten begenadigden elkander in die genade eeren en liefhebben. Laat ons bedenken dat de Heere er voor gezorgd heeft dat Petrus, toen hij de lammeren en schapen des Heeren weidde, als een der zuilen-apostelen kon geëerd worden.
De belijdenis der wederliefde. „Heere, Gij weet dat ik ü liefheb." Tot drie keer toe heeft Petrus deze belijdenis uitgesproken, eene belijdenis die haar hoogste spankracht ontving, toen zg uit eene bedroefde ziel opwelde: „Gg weet alle dingen. Gij weet dat ik U liefheb."
Zoolang als Petrus als discipel den Heere volgde, zou hij wel hetzelfde antwoord gegeven hebben. Maar in de woorden : „Gij weet alle dingen" lag thans voor retrus veel meer opgesloten dan voorheen. Door den storm van agn zieleleven waa de belijdenis in hem geworteld in de diepte van zgn hart en niets ter wereld zou in staat zign haar er aan te ontrukken.
Nimmer zou deze discipel zoo bitterliijk geweend hebben in den lijdensnacht van den Man van smarten, als hig den Heere Jezus niet zoo innig liefhad. Het deed hem pgn zign Meester zoo gepijnigd te hebben. Maar hoe moet nu die liefde in kracht zgn toegenoruen, toen de verrezen Heiland hem in het bijzonder verscheen, om hem daarin het klare bewijs te geven dat Christus hem zijn zonde volkomen vergeven had. Toen is ook aan hem bevestigd: dien veel vergeven is, heeft veel lief. De Heere wist alle dingen. Hg wist dat Petrus in zichzelf, als Simon, zoon van Jonas, een zwak zondig mensch was, tot zinken ieder oogenblik gereed. Hij wist dat Petrus zich met eedzweren vervloekt had, zeggende dat hg Jezus niet kende. Bittere openbaring van zijn goddeloos, zichzelf lievend hart I Maar Christus wist ook dat zijn ziel door droefheid was overstelpt geweest. „Gij weet alle dingen I Gig weet nu ook dat ik U liefheb." Neen, meer kon deze discipel niet zeggen. Maar hg legde dan ook in deze woorden zgn gansche ziel bloot. Eg zou het wel met eedzweren willen bevestigen. Welk een ellendig zondaar hg ook was, hoe onvast ziijn ziel ook in hem ^are, dit eene stond rotsvast. Zoo zeker als Christus alle dingen wist, zoo zeker was het ook dat hg den Heere liefhad.
Gelukkig als ook in onze harten die belgdenis wonen mag. Gelukkig als zg steeds vaster vorm en , diepgang in ons verkrijgt.
Het komt er toch op aan Christus in al Zgn volheid lief te hebben. En hiervan zgn wij van nature zoo ver verwgderd. Niet zonder reden noemt toch de Schrift den mensch een liefhebber van zichzelf, om daarmede ook te zeggen dat hg een hater is van God en van alles wat God van Zichzelf, in Christus, tot zaligheid van den mensch geopenbaard heeft. De ergernis die het Kruis van Christus wekt, wortelt in ons allen. Als het licht des Geestes over onze zielen rijst, gaat ons oog hiervoor open. In onze oppervlakkigheid hadden' wij gemeend den Heere Jezus wel lieftehebben. Waarom zouden wij zulk een goeddoenden Zaligmaker haten! ? Maar als wg onszelf verloochenen moeten, als al onze heerlijkheid er aan moet, als al onze gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed zgn waar blijven wij dan met onze liefde voor den Heere Jezus ? De openbaring des Geestes zegt óns dat wij in onszelf verloren zgn, onmachtig om ons uit die verlorenheid op te heffen en dat wij als verloreneü door Christus volkomen behouden worden. Maar nu blijkt uit ons innerlijk verzet tegen die openbaring juist-onze vijandschap tegen het Kruis, Maar zoo verstaan wg ook welk eene ingrijpende bearbeiding der ziel daar plaats vindt, als ons Christus lief wordt en zijn Kruis en ook de leiding des Geestes in ons, om ons van onze. zelfvoldaanheid af te brengen. Welk een omzetting als het ons lief is aan den staat onzer hopelooze elleinde ontdekt te zgn! Het is de weg waarin wg onszelf mishagen om den Heere in Zijn dood en in Zgn opstanding, in Zijn vernedering en Zijn heerlijkheid onuitsprekelijk te beminnen.
En zoo wortelt de belgdenis der wederliefde in de droefheid over onszelf. Zg groeit in kracht, naarmate de smart over onze zonden vermeerdert. En wij krggen den Heere lief, Die zooveel door ons leed, maar ook voor ons. Door het geloof te weten dat ik gerechtvaardigd ben door de opstanding van Christus uit de dooden, , is tegelgkertijd Hem lief te hebben als ' den Redder mijner ziel, den goeden Herder, Die Zijn leven stelde voor Zgn©-^ischapen, ook voor mij.' En als wg dan de hierboven geplaatste wooiden der Schrift lezen, stamelen ook wg de belijdenis van Petrus na: Heere, Gg weet allé dingen, Gg weet dat ik U liefheb.
Gg weet dat ik Uw Kruis bemin en Uw Evangelie liefheb. Gg weet dat ik Uw Waarheid liefheb en Uw Gemeente, die uit Uw Waarheid Jeeft. Gij weet dat ik U, den goeden Herder liefheb, U en Uw lammeren, U en Uw schapen.
De arbeid der liefde. Vroeger had de Heere tot Petrus gezegd, dat hij een visscher van menschen zou zijn. Uit de breede wateren der verloren menschheid zou hij en een ieder, die hetzelfde Evangelie des Kruises te verkondigen heeft, zielen vangen. Dit ziet op de bekeering van zondaren, waartoe de Heere menschen wil gebruiken. Dit is reeds een kostbaar voorrecht dat de Heere aan Petrus had geschonken. Een ziel te behouden van het verderf, is toch een menigte van zonde te^ bedekken.
Maar er is door den dienst des Woords meer te doen dan het leggen van het fundament van de bekeering van doode werken. Het moet niet slechts big ven bij het beginsel van de leer van Christus.
De reeds bekeerden moeten verder geleid. Gods kinderen moeten in het geloof gesterkt, 's Heeren lammeren moeten geweid, 's Heeren schapen gehoed worden en gebracht in de grazige weide van het Woord der genade.
Ziehier den arbeid der liefde, van niet geringe beteekenis, waarvan de Heere bij het eerherstel van Petrus spreekt. Het is een eere-taak! Een teeder werk! Toevertrouwd aan hem, die den Heere Jezus van harte liefheeft. ,
Weid Mijne lammeren ! Het zijn de kleingeloovigen, Zg hooren over het geloof spreken dat Gode en Zijn Woord waardig is, maar dat geloof is voor hen zoo onbereikbaar groot. Zg weten dat het ware gebed den Heere erkent en aanroept in al Zijn deugden en dat het „Amen" op zulk een gebed heteekent: het zal waar en zeker zijn. Maar zij zgn tegelijkertijd verlegen over zichzelf, als zij hun armelijk, ongeloovig gebedsleven toetsen aan dien echten verborgen omgang met den Heere. En zoo zien zij zichzelf als menschen die in alles verre achterblijven, als het gaat over het geloof in Christus, de liefde tot God, het gemeenschapsleven des Heiligen Geestes. Wie telt de tallooze bezwaren, die hunne zielen loodzwaar drukken ? Zoudt gg met hen spreken om hen te bemoedigenden Heere te blgven zoeken, gij hebt getracht het eene bezwaar te ontwrichten, maar zie, met eene andere nog grootere bekommering staan zij voor u. Wilt gij nu dit alles ziekelijkheid en ongeloof noemen? Hebt gij geen ander woord voor het zoeken der zoekende zielen ? , .. Ja, dan zoudt gij de lammeren des Heeren verstoeten, in plaats van hen te weiden. Maar erkent gg in hen een leven der genadf), dat worötelt om tot zekerheid te komen, gij verstaat dan ook tegelijkertijd welk een teeder werk de Heere op het oog heeft als Hg zegt: Weid Mijne lammeren. Weiden, en wel zóó, dat hetgeen uit den mensch is veroordeeld worde, en hetgeen uit God is, gesterkt en opgebouwd worde. Geen wonder dat deze arbeid opgedragen wordt aan hem, die den Heere Jezus liefheeft en die daarom ook het pad van 's Heeren Woord bemint.
„Hoed Mijne' schapen! Weid Mijne kudde!»
Laat ons niet vergeten dat heel het leven der genade één oefenschool is, waarin de Heere de Zijnen voorbereidt voor het leven der heerlijkheid. Een ieder, die den Heere Jezus Zqn Zaligmaker noemen mag, is nog niet uitgeleerd. Dan zou het zevende hoofdstuk van den brief aan de Romeinen vergeefs in onzen Bijbel staan Er is een - gedurig sterven noodig aan zichzelf. Een gedurig opstaan in den Heere. De schapen des Heeren moeten daarom gedreven worden, steeds weer, naar de weide van 's Heeren Woord, opdat zij ook in die grazige weide het voedsel hunner ziel vinden zouden. En als gij nu weer bedenkt dat zeIfs de verst gevorderde in het genade-leven een goddelooze natuur in zich houdt, verstaat gij ook welk een moeilijk werk het is 's Heeren kinderen door den dienst des Woords op te bouwen in het geloof, om het snoode van het kostelijke te scheiden. Een teeder werk, waarvoor de kracht en wijsheid alleen op de knieën gevonden wordt; een arbeid, waarin keer op keer herhaald worde de belijdenis der liefde: Heere, Gij weet alle dingen. Gij weet dat ik U liefheb.
Boven alles sta bg ons vast dat de Heere de eenige goede Herder is.
Hq draagt wel aan Petrus op de lammeren te weiden en de schapen te hoeden en te weiden, maar Hij blijft hen noemen: Z'i^ne lammeren en Zijne schapen. Door Zijn onveranderlijke liefde worden zij en blijven zij behouden. Zij worden ook gesterkt door Zijn belofte: Mgne schapen hooren Mijne stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit Mijne hand rukken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's