Uit de Pers.
In de N. R. Ct. van Donderdag 25 Apr. Ochtendbl. A. lezen we het volgende . artikel over
Een vrouwenkerk onder mannenbewind.
Ofschoon de classicale vergaderingen, welker consideratiën op de voorloopig aangenomen reglementswijzigingen van zooveel belang zijn, eerst in Juni worden gehouden, is vooral dit jaar een tijdige bespreking van de reglementsherziening in de Ned. Herv. Kerk raadzaam.
Meer en meer immers is, den „kerkelijken weg" ten spijt, het zwaartepunt dezer besprekingen verlegd naar de voorvergaderingen, der richtingsgroepen. Gelijk in staatkundig opzicht de kiesvereenigingen der politieke partijen, ssijn in de Ned. Herv. Kerk de Gereformeerde Bond, de Confessioneele Vereeniging, de Evangelische Vereeniging en de Vereeniging van vrqzinnige Hervormden de lichamen geworden, die optreden als lastgevers van hun vertegenwoordigers op den , kerkelijken wèg.""Naast de genoemde groepsvergaderingen komt dan | nog van de ethischen, die als „slappe stembus-agenten" niet in een partij-verband zijn georganiseerd, het kader zonder leger in de Utrechtsche predikantenvjsrg^deringen in krijgsraad bijeen.
Het zijn ditmaal belangrijke dingen, die men in deze voorjaarsvergaderingen bespreken zal. Onder de voorstellen der synode is er immers een, dat een algeheele wijziging kan tot stand brengen niet alleen in de partijverhoudingen doch meer nog in den geest van het Kerkbestuur,
Wie in het vrouwenkiesrecht slechts ziet een aangelegenheid, waardoor het aantal stemgerechtigden vermeerderd wordt, geeft blijk van verregaande kortzichtigheid. Deze vermeerdering zal een verdubbeling, ja allicht een vërdrjevuldiging zijn. Men kan gerust zeggen, dat de Ned, Herv. Kerk, zoo deze reglementswijziging in werking treedt, door de vrouw zal worden geregeerd.
Mogelijk vindt deze of gene, en niet alleen onder de rechtsche broeders, deze voorspelling angstwekkend. Dat ze intusschen op juiste gegevens berust, zal niet alleen het overwegend aantal vrouwelijke lidmaten in moderne gemeenten bewijzen, docti wordt ook gestaafd door hetgeen een onvervalscht orthodoxe schrijfster als Johanna Breevoort in haar jongste werk „De vrouw vrijgemaakt door den Zoon des Menschen" aangaande den invloed der vrouw in rechtzinnige gemeenten vertelt. „De vrouw", aldus deze schrijfster, „als de meest religieuze, houdt het kerkelqk leven aan den gang. Zij komt het trouwste op onder de bediening van het Woord, zij is de meerdere in aantal bij het doen van belijdeni», zij komt het vlijtigst ter catechisatie, zij arbeidt het ijverigst in de Evangelisatie, zij is het vurigst van geest voor liefdadige bemoeiingen, zij spaart uit in het gezin om in de collecte te kunnen geven. De vrouw is de stuwende macht in de Kerk."
De door ons gecursiveerde woorden ondersteunen onze voorspelling, dat het vrouwenkiesrecht de meerderheid van stemmen in de gemeente en daardoor ook in de Kerk naar de vrouwen verplaatsen zal Het ligt daarbij voor de hand, dat deze „stuwende macht", die op allé overig gebied van de Kerk zich het trouwst, het vlijtigst en het vurigst weert, zich ook bg de stembus geenszins onbetuigd zal laten. '
In dit verband is niet onvermakelijk te lezen, op welke gronden het Claseicaal Bestuur van Gouda ten vorigen jare in de synode geadresseerd heeft, om maatregelen te erlangen tot meerderen bloei van het godsdienstonderwgs. De verhouding tusschen jongens en meisjes wijzigt zich hoe langer hoe meer ten nadeele van de eersten. „Indien", waarschuwt dit orthodoxe bestuur, , van het aantal aannemelingen de jongens 1/3 halen, is het al heel veel. Op den langen duur wordt dus onze Kerk er eene van vrouwelijke lidmaten, wat, met het oog op allerlei, eigenaardige bezwaren met zich brengt."
Een van die bezwaren dunkt ons, dat volgens het huidig reglement die „Kerk van vrouwelijke lidmaten" vertegenwoordigd en bestuurd moet worden door de' sporadische manspersonen, die in die: „vrouwenkerk" als overblijfselen uit vorig tijdpierk verdwaald zijn geraakt Zou de' voorgestelde reglemeatswijziging eigenlijk wel iets anders beoogen dan de reglementaire bekrachtiging van hetgeen inderdaad allang het geval is? Zij grondt de kerkelijke organisatie'in dit opzicht althans op den bodem der werkelqkheid
Wij kunnen ons voorstellen, dat bij het vooruitzicht, hoe de vrouwelijke meerderheid de tegenwoordige verhoudingen in de Kerk zal ontwrichten, menig behoudzuchtig manspersoon voor vrouwenkiesrecht terugschrikt. Wat zal er op" het slagveld der richtingen geschieden, als deze versche troepen van de overzijde het starre evenwicht naar den eenen of den anderen kant verplaatsen? Zullen de benepen deurtjes van het „'tis altijd zoo geweest" tegen deze indringsters bestand blijven? Zal er geen vaak ongewenscht leven beginnen te krioelen in het knekelhuis der kerkelijke organisatie? En, afgrijselijkste vraag van allen, zuilen de bevrijden, dien men nu den vinger toesteekt, haar vrijheid niet gaan misbruiken door straks de geheele hand in te palmen?
De synode bezweert het gevaar zooveel zij kan. Met haar spreekwoordelijke waakzaamheid heeft zij er voor gezorgd, aan haar voorstel om dit art. 3* het woord „mans", dat het vrouwenkiesrecht in den weg staat, te verwigderen, een paar andere "voorstellen te verbinden, die dat weggenomen beletsel elders, weer invoegen, met de bedoeling „aan den anderen kant hare benoeming (d. w. z. van de vrouw) tot ouderling of diaken en hare toelating tot de Evangeliebediening te verhinderen."
Wij vreezen niet in het minst, of de vrouwelijke meerderheid van straks zal haar voorshands mannelijke afgevaardigden in den Kerkeraad opdragen in de hoogere besturen door nieuwe reglementswgzdging ook dit beletsel op den verderen weg der bevrijding weg te nemen. Echter kunnen wij ons voorstellen, dat er onder de mannelgke lidmaten zijn, die zoowel door hun beginsel als door hoffelijkheid gedreven, thans reeds zich willen verzetten tegen de voorgestelde invoeging van het woord „mans" in de door de synode genoemde reglementen.
Dat wij hier in 't bizonder de vrijzinnige Hervormden op het oog hebben, behoeft geen betoog. Onder hen veronderstelt men althans een mindere mate van behoudzucht dan bij de orthodoxie. Toch zijn wij er niet heelemaal gerust op, dat enkele stugge vrouwenhaters in dezen nog niet een stootje noodig hebben in den vorm van een motie of voorstel in de provinciale en daarop in de algemeene vergadering van de vrijzinnige Hervormden.
Laat ieder, die over deze reglementsherziening te considereeren krijgt, zich ter dege bewust zijn van de vérstrekkende gevolgen van de invoering van vrouwenkiesrecht in de Ned. Herv. Kerk. Men begrijpe, dat wie hier a zegt, onvermijdeliijk ook b zal moeten zeggen. En waar zoovelen, vooral ter rechterzijde, uit vrees voor de verdere consequenties op het laatste oogenblik zullen terugdeinzen, rust in 't bizonder op de vrijzinnige Hervormden de plicht der waakzaamheid, Hun moet het een eerezaak zijn in dit voor de Ned. Herv. Kerk zoo belangrijke jaar 1918 voor het vrouwenkiesrecht op de bres te staan.
Niet ten onrechte heeft dr. van Senden er ten vorigen jare de aandacht op gevestigd, dat vragen van uitwendige organisatie wel degelijk ook van godsdienstig belang zijn. En zoo er één organisatorische kwestie in het kerkelijk leven is, die met hooge geestelijke beginselen verband houdt, dan is het wel deze, of nog langer bestendigd mag worden een onrecht en een ongerijmdheid als het mannenbewind over een Kerk van vrouwen.
Eerst als dit onrecht uit het midden van de Kerk is weggedaan, aal zij haar loon ontvangen in den vorm van versterkte belangstelling juist ook bij het mannelijk geslacht, waarvoor een gezuiverd en frisch godsdienstig gemeenschapsleven nieuwe aantrekkelijkheid zal bezitten. Wij blijven bij onze overtuiging, dat de invloed van de eigenlijke gemeente, want dat zgn toch de vrouwen, op het bestuur en de geestelijke leiding der Kerk wonderen ssal kunnen doen. De hedendaagsche Kerkhervormer zal de vrouw moeten zijn.
In „de Nederlander" komt de volgende beschouwing voor in betrekking tot het nieuwe artikel 192 der Grondwet, Het is uit een polemiek met „de Maasbode" geknipt en er staat boven
De School, de Staaten de Ouders.
Wat nu de quaestie aangaat, of de Staat opvoeder of onderwijzer behoort te zgu, daarmee gaan wg vrgwel accoord met wat de Maasbode daaromtrent schrijft.
Inderdaad ging het vroeger onderwijsartikel der Grondwet van die onderstelling uit, zoodat dan ook juist op dien grond alle uitkeering aan de bijzondere school principieel werd geweigerd. De Maasbode herinnert daaraan met recht. Het was „het dogma" der liberalen tot aan de herziening der Grondwet van 1887.
Dat beginsel is echter door invoering der wet-Mackay vaarwel gezegd. Zoodra de wet principieel het openbaar en het bg zonder onderwijs, nog wel als gelijkwaardig, bekostigt, gaat het principe alsof de Overheid als zoodanig heeft te schoolmeesteren, te loor.
Het nieuwe artikel spreekt dan ook niet meer, zooals het oude, van »zorg voor 'het openbaar onderwijs" ais de eigenlijke taak der Overheid. Het zegt niet dat de Overheid onderwijs moet geven of doen geven; het schrijft ook niet voor hoe het onderwas moet worden gegeven.
Het zegt alleen, dat „hét onderwgs een voorwerp is van de aanhoudende zorg der Regeering", zonder in het minst zich uit te laten over de vraag wie het kind moet opvoeden of onderwijzen.
Het omschrijft vervolgens de grenzen - van die Overheidszorg, waarbij het allereerst vaststelt, dat het „geven van onderwijs vrij is", niet dus dat het onderwgs van de Overheid moet uitgaan. Die vrijheid wordt echter binnen zekere grenzen geregeld, blijkbaar om de anarchie te weren, die in vroeger eeuwen op dit gebied bestond. Binnen grenzen, die door alle voorstanders der bijzondere school verlangd worden.
Vervolgens wordt het openbaar onderwijs zoo geregeld, dat bij het verschaffen daarvan het opdringen van godsdienstige of niet-godsdienstige begrippen geweerd word eene beperking, en wel een zeer'wezenlijke beperking, van de vrijheid der Overheid op onderwijsgebied,
- Ten slotte worden alle gemeentebesturen verplicht tot het beschikbaar stellen van lager onderwijs. Dat onderwijs gaat dan uit van de Overheid. Maar niemand wordt middellijk of onmiddellijk verplicht daarvan gebruik te maken. Integendeel. Zoodra de ouders of zelve scholen willen stichten, of van andere dan de openbare scholen willen gebruik maken, tn alzoo aan hun verplichting om hun kinderen zelf, d.i. naar eigen inzicht, op te voeden, dan mogen zij dat doen.
En om hun dat mogelijk te maken bepaalt de Grondwet dat financieel de bijzondere school naar denzelfden maatstaf zal worden bekostigd als de openbare, zoodat niemand, ook niet de armste, om finantiëele redenen de openbare boven de bijzondere school behoeft te kiezen.
Ziedaar den gedachtengang der nieuwe bepaling, zoo geheel afwijkende van wat in 1848 werd beoogd,
• Nu zouden wij toch wel eens willen vernemen hoe, op practisch uitvoerbare wijze, het beginsel: „de school aan de ouders", of „de vrije school regel" tot zijn recht had kunnen komen' anders dan langs den nieuwen, in art. 192 Grondwet vastgelegden weg. Althans indien men zich, (wat door niemand ten onzent begeerd is), tegen de ontwikkeling der volksschool niet verzet, en ook niet de bijzondere school aan alle toezicht der j Overheid wil onttrekken.
De vrije, de bijzondere school zal regel worden, naarmate de ouders beter hun plicht gevoelen.
Of had de Grondwet die verplichting aan de ouders moeten opleggen ?
Het zou natuurlijk een dwaasheid zijn geweest. Maar zij had dat, gerust kunnen doen, zonder overigens een letter in het thans bestaande artikel te veranderen.
Op voor de Christelijke Sehool!
Dat het een gewichtig jaar is voor ons Christelijk onderwijs, behoeft geen betoog. De politieke strgd zal niet het minst weer een strijd zijn voor de vrije Christelijke school. Met instemming nemen we daar om over, wat A. J, schreef in De School met den Bijbel:
„We schrijven 1918. Dat is veertig jaren na de Scherpe Resolutie van 1878,
Toen klonkt het van de Ministerstafel: «Dan moeten de minderheden maar onderdrukt worden".
Thans, luiden de berichten, staat een liberaal Ministér er op, dat nog in dit zittingsjaar de ontwerpen van wet in de Kamer zullen worden ingediend, waardoor de Bevrediging op Schoolgebied een voldongen feit zal worden.
Dat is van den Heere geschied en het is wonderlgk in onze oogen. Zal ons Christelijk volk daarbij opwaken uit den dommel, die op geestelijk gebied helaas te constateeren valt? Of zal het den zegen zien nederdruppelen van den hemel zonder te letten op Hem, Die dezen zegen op een zestienjarige worsteling schenkt? Zal het in doffe onverschilligheid slechts afwachten, wat komen kan; in stilzwijgende ongevoeligheid den dag verbeiden, waarop God ons in de ruimte zal zetten ?
Moet er niet een welbewust meeleven zijn in de dingen, die te komen staan? Een zich rekenschap geven van wat God doende is onder ons te bewerken? Maar God beschikt niet over ons, bij ons en zonder onsl
Het „waakt en bidt" geldt voor alle tijden en alle omstandigheden. Het „werkt zoolang het dag is, eer de nacht komt waarin niemand werken kan" komt ook thans tot ons. Tot ons, onderwijzers, niet het minst.
We hebben de veertigjarige worsteling sedert Kappeyne's banvloek meegemaakt. We hebben geleden en gestreden, en immers het geloof behouden !
Laat ons dan nuchter-en zijn en waken. Laat ons onzen tijd, den komenden dag, verstaan. Laten we gereed zgn ons in te laten deelen in de heirschare der strijders, die volharden tot den einde toe. Laat ons opmerken, wat God de Heere onder ons werkt en laten we volvaardig zijn van gemoed, om Zijn medewerkers te willen wezen.
De schoolstrijd moet zgn eindbeslissitig. nog erlangen. Ons geestelijk en stoffelijk welzijn hangt daaraan. .De toekomst van ons Christelijk onderwijs is er mee gemoeid. Het raakt de toekomst van ons volk.
Mannenbroeders, laat den oproep, die reeds zoo lang tot u uitgaat, om onder ons volk een vernieuwde geestdrift te doen ontwaken voor de Vrije School met den Bijbel, niet onbeantwoord. Sla de hand aan den ploeg, eer het te laat is."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 mei 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's