Staat en Maatschappij.
Verschil in standpunt.
De opmerking van de Chr.-Hist. Overijsselaar, die wij de vorige week inhaar geheel opnamen, is alleszins juist, t. w. dat de Antirevolutionairen zich éen gevoelen met den Vader des Vaderlands, waar deze zich als Calvinist openbaarde.
Omtrent dezen grondtoon in de politiek der Antirevolutionaire partij liet de Nederlander van 29 Januari 1918 zich op ongeveer gelgke wijze uit. Het blad liet aan zijne uiteenzetting daarover voorafgaan: „dat de Hervormde Kerk, d. w. z. vele leden van die Kerk, zich meer aan de Christelijk-Historische Unie verwant gevoelen dan aan de Antirevolutionaire partij, niettegenstaande ook deze tegenover de Revolutie het Evangelie plaatst, * is natuurlijk."
En daarop volgde dan:
„Wij hebben nog onlangs in onze . artikelen „Christelijk-Historisch—niet Kerkelijk" uiteengezet hoe, tengevolge van den loop der omstandigheden, de Antirevolutionaire partij feitelijk zich heeft vastgeklampt aan een bepaalde richting, die principieel staat tegenover de Hervormde Kerk in haar tegenwoordigen vorm. De voorkeur van de Christelijk-Historischen is eene natuurlijke reactie tegen dat feit, "
Welke richting, die principieel staattegenover de Hervormde Kerk in haar tegenwoordigen toestand, wordt hier bedoeld?
En dan blqkt bij nalezing der bedoelde artikelen duidelijk, dat het blad op het oog heeft de „Calvinistische". Dat de^erichting nu principieel tegenover de Hervormde Kerk in haar tegenwoordigen vorm zou staan, kunnen wq intusscheu niet onderschrijven. Maar daarover spreken wij ditmaal niet.
Het is voor ons voldoende, en dit blijkt ook uit artikel 1 van het Antirevolutionaire program en eveneens uit de Kamerdebatten en voorts uit de littera tuur van de Antirevolutiorfaire partq, dat de beginselen dier partij in Calvinistische riehUng loopen,
Hoe staat het nu te dezen opzichte ndiet wat leeft in de Christelijk-Historische Unie?
Op die vraag is het niet mogelijk een kort en bondig antwoord te geven.
_ De reden daarvan ligt hierin, dat de Christelijk-Historischen niet Vormen een partg of een bond, maar een Unie. In ~ die Uaie zijn drie onderscheidene groepenopgenomen, die, toen zij zelfstandig stonden, ieder een eigen levensbeginsel vertögenwoordigden, maar nu, in Unie-verband getreden, tot een gemeenschappelijke beginselverklaring kwamen. Daardoor komt een vaste lijn te ontbreken, wordt eenheid van uitgangspunt gemist, en mankeert het aan een leidende politieke gedachte.
Omtrent zeer belangrijke punten — en dit kan onder de gegeven omstandigheden dan ook niet anders — bestaat bij de Unie, gelijk „de Nederlander" van 11 December 1915 schreef, een groote vrijheid van denken en ook van handelen,
In dat nummer van het blad lezen we: , Die eenheid (tusschen de groepen onderling) kon slechts verkregen worden door zorgvuldig te vermijden wat öf nooit, of althans in_afzienbaren tijd niet op het terrein der politiek komt."
„Daar dit nu hot geval is ten aanzien van de „Volkskerk", bevat het Program der Chr-Hist. Unie niets dat daarop betrekking heeft. De leden dier partij zijn volkomen vrij daarover te denken zooals zij willen; onder ééne voorwaarde slechts, dat do verschillende kerkgenootschappen gelijke bescherming behooren te genieten, behoudens eerbiediging van veïkregen rechten."
„Ook op onderwijsgebied bestaat groote vrijheid van denken en dus ook van handelen."
Tyree dingen merken we hierbij op: Vooreerst, dat het bovenstaande zich moeilijk rijmen laat met den eisch, welke b. V. dr. Kromsigt, een der voormannen der Unie, bij de stembus van het jaar '13 deed hooren: „Geen 'coaiitie zonder vast accoord in zake Kerk en School." Men weet, hoe hoog bijzonderlijk dat deel der Ohr.-Hist. Unie, de oud-Friesch-Chr.-Historischen, wegloopen met de Volkskerk en de Christelijke Overheidsschool. De oplossing dezer vraagstukken behooren naar hun zeggen aan de orde te blijven. En toch staat op dit oogenblik voor de Chr.-Hist, Unie de zaak zóó, dat men over deze onderwerpen vrijheid heeft van denken en dus ook van handelen.
En in de tweede plaats valt ten aanzien van dit verleenen van groote vrijheid van denken en dus ook van handelen over hoogst belangrijke vraagstukken op te merken, dat daardoor wat wij reeds noemden, een leidende politieke gedachte gemist wordt.
Zoo handelende komt men tot hetgeen dr. de Visser in eene voordracht, in Januari 1912 voor de Provinciale organisatie der Chr.-Hist. Unie in de prov, Gelderland gehouden, zeide : dat de Chr. Hist, Unie geen bepaald politiek systeem, geen bepaald theologisch systeem, geen bepaald sociaal systeem en geen bepaald onderwijs-systeem er op na houden.
Uit dien hoofde is het dan ook te begrijpen, naar het uit Chr.-Hist. kringen verluidt, dat de Voorzitter der Unie in de algemeene vergadering van deze Staatkundige groep, in September '17 te Amsterdam gehouden, op eene vraag of de candidaten der Unie aan de nadere beginselverklaring der Unie gebonden zijn, een ontkennend antwoord moet ge geven hebben.
In de Kamer ziet men bij de Chr.-Hist. Unieclub vaak een streng individueel optreden der leiders, wat wederom herinnert aan die groote vrijheid van denken en dus ook' van handelen ; en in welke vrijheid de waarde ligt van het Unieprogram.
Zeker, de Christelijk-Historischen zijn warme belijders van het Evangelie en bezield door den geest van het Réveil, maar een vaste Iijn, waarin het Staatkundig leven-der Unie geleid wordt, is er niet.
Het staat bij de Ohristelijk-Historische Unie op dit punt anders als bij de Antirevolutionaire partij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 mei 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's