Stichtelijke overdenking.
Nu zien wij nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn; maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eere gekroond. Hebr. 2:8.
Hemelvaart.
Onwillekeurig voelt ieder christen er nu iets van, met ontroering der ziele en smarten des geestes, dat de zonde alles heeft aangegrepen, om 't met woest geweld mee te sleepen naar de hel. Eén groote hellevaart overal!
Zeker! in deze lieve lentedagen, nu de natuur weer .opleeft en de bloemenvelden verrukkelijk schoon zich kleuren, de knoppende boomen vrucht beloven, het vee zich voedt met het malsche gras, de vogels vroolijk zich vermaken en druk zich weeren om een nest voor hun jongen te spreiden — nu kan ons harte hoog omhoog getrokken worden, om blij te zingen: „het ruime hemelrond vertelt, met blijden mond, Gods eer en heerlijkheid. De heldre lucht en 't zwerk verkondigen Zijn werk en prijzen Zgn beleid" (Ps. 19)). Juist in deze dagen kunnen we het weer bij vernieuwing zien en blijde ervaren; wat de dichter v^n Pa. 8 beleed: „O, Heére, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de gansche aarde! Gij, die Uwe Majesteit gesteld hebt boven de hemelen I „Neen! temidden van bloemenweelde en zonnelicht willen we er niet aan, om te zeggen: 't is één groote hellevaart overal!
Maar denkt dan eens aan België en Frankrijk waar de aarde omwoeld en gansch verwoest ligt, terwijl overal vernieling, rook en vuur is, alles gedrenkt met bloed; weken maanden, jaren nu reeds achtereen! Daar wordt de aarde niet omgeploegd om ziaad te ontvangen en straks vrucht voort te brengen en brood te geven aan den eter. Daar is het alles dood en verderf wat er gezaaid wordt en mensch en beest sterft, stikt, wordt vermoord, zonder ophouden. En in Italië is 't zelfde. En in Rusland is 't niet anders geweest. Op 't land en op de zee, hier en overal is de hel losgebroken. Daarbij heeft de zonde alles, alles aangegrepen en met schier almachtige kracht wordt volk bij volk naar beneden getrokken, naar den afgrond, naar de hel — te midden van brooddronkenheid en onverschilligheid!
Alles wat uitgedacht wordt, wordt uitgedacht om de hel triomfen te geven; om zonde en ellende uit te gieten tot aller verderf!'
Ook in ons klein landje glijdt alles naar beneden. Overal 't zelfde getuigenis: minder doopelingen, minder catechieanten, minder die belqdenis des geloofs afleggen, minder Avondmaalgangers — grooter onverschilligheid, grooter ontrouw, grooter afval, in stad en dorp. 't Aantal van degenen die „tot geen Kerkgenootschap" behooren stijgt met het jaar. En is 't niet, of wetenschap en kunst, School en Pers alles wil aangrijpen om naar beneden te trekken, losmakend van de heilige, dingen, die van ouds toch dierbaar waren onder ons volk? En gaat Christus' Gemeente vrij uit? Staat het met Gods kinderen beter? Is er een welbewust inleven in de dingen die boven zqn en een welverzekerd leven uit het heil van Christus, Die toch zit aan des Vaders rechterhand? Of is hier het oordeel beginnende bij Jeruzalem?
Diepe verootmoediging, groote schaamte past ons!
We moeten weer terug tot den Christus, die gestorven is. Met zonde en schuld tot het bloed des kruises. Om deelachtig te worden de vreugd der opstanding uit de dooden. Om opgetrokken te worden en mede gezet te worden in den hemel, waar Christus is. Die voor ons bidt.
Onze voeten staan te weinig in den levenden en altijd verschen weg die daar in Christus is tot Gods troon. En ja — dan blijft het feit van de hellevaart alom, door de zonde alzoo geworden, in vreeselijkheid tot openbaring komen, waarbij onze tegenwoordige dagen bizonder ernstig zijn. Maar dan mag Gods volk door de wolken, achter de wolken, zien met het oog des geloofs. En is het paradijs door de zonde verwoest, — in Jezus Christus is het hemelsch Paradijs ontsloten, verworven en verzekerd. Waarbij het einde van de wereldgeschiedenis zijn zal, dat het Paradijs dat boven is op aarde zal nederdalen en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, aal worden geopenbaard, waarbij God zal zijn alles in allen.
De wereldhistorie staat in dat teeken: het gaat om de openbaring van de machten der hel-— en dé hemel zal nederdalen! Het eenvoudigste kind van God mag dat weten en gelooven. Hemelvaart heeft God gewild van den beginne, 't Is hellevaart geworden door de zonde. Maar Christus is ingedaald in helsche angsten en smarten. En 't is hemelvaart geworden voor Hem en al de Zijnen. „De poorten der hel zullen Mijn Gemeente niet overweldigen" staat er.
Neen — we zien 't nog zoo niet. 't Is zoo donker, zoo bang, zoo vreeselijk, zoo ellendig. Bloed en vuur en rookdamp. Zonde en gruwel en ongerechtigheid. Maar wanneer Gods Gemeente daji treurt en wanneer Gods kinderen dan meteen angstig harte rondom zich zien; als we met duizend vragen tegen donkere wolken aanblikken en overal dichte nevels ons omringen; als het van binnen vrees en van buiten strijd is, waarbij de ziele moe van 't vragen ten slotte zegt: Wie zal ons 't goede doen zien? " —dan roept de Apostel: Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond" (Hebr. 2:7); als ook: Wanneer nu Christus zal geopenbaard zgn, die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid" (Coloss. 3 : 4).
O, als Christus, Sions Borg en Zaligmaker, niet in den hemel was, verhoogd tot de hoogste heerlijkheid en zittende aan des Vaders rechterhand, dan was 't hopeloos voor allen. Maar nu Hij met eere en heerlijkheid is gekroond zullen allen die Hem toebehooren van den dood en het verderf worden gered en mede met Hem gezet worden in heerlijkheid, om eeuwig met Hem te heersehen daar boven en hier beneden, als vrucht van zgn zoen-en kruisverdiensten.
Lucas verhaalt ons de hemelvaart zoo sober. Diezelfde pen die de geboortegeschiedenis zoo uitvoerig beschreef, had, zoo zouden we zeggen, ons ook wel van de hemelvaart wat meer mogen berichten. Doch — is het niet naar de wijsheid van Gods raad, om ons slechts de eenvoudige' vermelding van de kroning van Sions koning te geven? Is het niet dat Gods kind hier zal getuigen, gelijk van de schepping, „door het geloof verstaan wij, dat Hij die nedergedaald is, ook is opgevaren in de hoogste hemelen, zittende aan Gods rechterhand" ? Sobere vermelding van zulke grootsche dingen!
Eenvoudig dit: dat Jezus Zijn discipelen leidde buiten Jeruzalem tot aan Bethanie en Zijne handen opheffende; zegende Hij hen; en het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hq van hen scheidde en werd opgenomen in den hemel.
Wat eenvoudig! Van den intocht in Jeruzalem nog breeder bericht dan van den intocht in de hemelen I
En o! is 't ook niet een onopgesmukt verhaal van een heerlijk feit, waarbij het geloof alleen ervaart wat groote dingen hier geschieden?
Neen! hier niet dichte drommen van menschen, niet het uittrekken van kleederen om ze uit te spreiden op den weg, niet een afrukken van palmbladeren om wuivend te juichen en te jubelen — waarbij zoo velen verloren zijn gegaan, omdat ze de dingen niet geestelijk verstonden en niets anders verlangden dan de zienlijke en zinnelgke dingen, 't Moet gaan in den weg des geloofs, waarbij de heerlijkheid gezien wordt, die Christus; nu heeft bij den Vader, zittende op een troon, omstuwd van duizend maal duizend engelen en een schare van gezaligden, welke niemand tellen kan. In welke heerlijkheid de toekomst van Zijn volk verzekerd is! *
Bewijzen hadden de discipelen te over ontvangen, dat Jezus waarlijk uit de dooden was opgestaan. Zij die het niet konden gelooven en niets anders bedachten, dan dat Hiij in het graf was, gevangen door den dood — zij waren nu door den opgestanen Heiland heerlijk onderwezen en wisten, door vele gewisse kenteekenen, dat Hij, die dood was geweest» nu leefde. Gestorven om der zonde wil, was Hij opgestaan tot rechtvaardigheid Zijns volks. Heel het proces van Gods recht was hun nu klaar en duidelijk geworden .en zij mochten nu leven bij de vruchten Zijner opstanding. Waarbg zij voorbereid werden op het feit, dat de Heiland straks zou opvaren naar den hemel, om dan, hun ten goede, daar1 boven in den hemel te verkeeren en daar de Voorspreker en Voorbidder te zijn voor al de geloovigen van alle plaatsen en alle tijden. Dan zou Hij zitten „verre boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende." En dat geschiedde nu. Eenvoudig. Héel eenvoudig.
Maar goddelijk-heerlgk; terwijl de Heiland zegenend Zijn handen over de Zijnen uitbreidde.
Eenvoudig. Zooals Henoch ook eenvoudig opvoert En staat er van Elia, dat hg omhoog reed in een vurigen, wagen bespannen met vurige paarden, zulks staat er van Jezus zelfs niet eens. Een wolk werd Hem tot zegewagen. Maar omringd met duizendmaal duizend engelen trad Hij den hemel der hemelen binnen, om van den Vader te hooren. wat niemand voor of na Hem gehoord heeft: „Zit aan Mijne rechterhand."
En dat is nu Jezus, Sions Borg en Middelaar, Die den dood heeft overwonnen, de zonde verzoend, den duivel, heeft te niete gedaan, , den dood z'n geweid ontrukt — om nu tot al de Zijnen te zeggen: „Ik ben u ten goede in den hemel; gij; zult ook weldra zijn, waar Ik ben!"'
Ziet de Kerk van Christus nu op naar den hemel, waar haar Hoofd, haar Koning, haar Borg en Zalligmaker woont en troont? Voor allen is Hij nu even vèr weg; voor allen is Hij nu even dichtbij. Allen, die Hem mogen kennen, in de verzoening hunner zonden, door des Middelaars zoenbloed, mogen nu vertroostend hooren:
„Ik ben met ulieden, alle de dagen der wereld." En ze mogen staat maken op Zijn Woord, waar Hij zegt: „Ik bid voor u, dat uw geloof niet zal ophouden." Ze mogen vast vertrouwen op Zijn - belofte: ' , Voor u is een heerlijk Koninkrijk weggelegd, van vóór de grondlegging der wereld? '
„Wij zien Jezus gekroond" roepen we elkander toe op dezen Hemelvaartsdag — ook al valt deze dag in het vreeselijkste oorlogsjaar; ook al leven we in bange tijden, waarin het ook voor Gods Kerk zoo donker is; ook al gaan wq en onze kinderen tijden van zondebedrijf en vermeerdering van ongerechtigheid tegen. De hel triomfeert. Eén groote hellevaart. Maar we zingen toch: „God Vaart voor het oog, met gejuich omhoog.''t Schel bazuingeluid, galmt Gods glorie uit. Heft den lofzang aan; zingt Zijn wonderdaan; zingt de schoonste stof, zingt des Konings lof, met een zuiv'ren galm, met een blijden psalm. Hij, de Vorst der aard, is die hulde waard." Ps. 47.
En als we dat gezongen hebben, dan gelooven we weer, dat Jezus, waar vele getuigen bij waren, naar den hemel is gevaren en dat Hij zit aan Gods rechterhand, en dat Christus alle macht is gegeven in den hemel en op de aarde. Dan gelooven en belijden we: Hij heerscht eeuwiglijk met Zijne macht. {Ps. 66).
En als we het-dan nog zoo niet kunnen zien in alles, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, dan gelooven we met den profeet: Uwe oogen zullen den Koning zien in Zijne schoonheid" (Jes. 33 : 17) en we wachten „totdat de volkomènheid Zijns Rijks komen zal", zooals de catechismus zegt in Zondag 48.
'1 Zullen wij dan intusschen trachten in te dringen in Gods raad ? Zullen wij den Heere allerlei vragen stellen ? Zullen wij voor God en de menschen allerlei klach' ten uiten, omdat er zooveel is, dat we gaarne anders zouden willen hebben en anders zouden willen zien ? Zullen we twijfelen aan de toekomst, zullen we ons pijnigen met allerlei vrees?
O, zeker de nood is groot. De omstandigheden zijn bang. Er is zooveel wat beslag op ons legt. Daarbij heerscht ' de zonde. De hel viert haar triumfen. En daarbij: de duivel gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden. Wie zal bestaan ? Wij zijn zoo klein van ktachten, zoo zwak van moed. We zijn stof van jongsaf geweest.
jMaar op dezen Hemelvaartsdag gedenken we, hoe Sions Koning is ingegaan in Zijn heerlijkheid, welke Hij verworven heeft zaamheid in den - weg Zijner gehoor-En die in Hem gelooft, die zal zalig worden. Want daartoe is Jezus verhoogd om bij den Vader gerechtigheid te werken voor de Zijnen. Daartoe is Hem gegeven alle macht en kracht, opdat al wat de 'Vader Hem gegeven heeft. Hg hun het eeuwige leven zou geven.
Daarom klinkt voor Gods volk op dezen dag deze stemme door van uit den hemel: „hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen. De poorten der hel zullen Mgn Gemeente niet overweldigen. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; nog een weinig tijds en gij zult zijn waar Ik ben."
Maar het angstig bedenken ia toch: waar blijft nu de vervulling van het Woord, dat onzen Christus alle koninkrgken geworden zijn ? Ligt alles niet onder . den scepter van den God dezer eeuw, zgnde de duivel ? Gaat alles niet höe langs hoe meer naar de openbaring van den Anti-Christ?
En o! ja; uit de poorten der helle, die sterke burcht des Satans, rijden de strijdkrachten uit van dag tot dag, van jaar tot jaar. De heirlegers des boozen gaan door gansch het land; gaan tot de einden der aarde. Maar in beginsel heeft Christus den duivel den kop toch vermorzeld. Jezus heeft den Satan zien vallen als een bliksem uit den hemel. En al is de duivel sterker dan de leeuw en listiger dan al 't gedierte des velds, voor Gods Gemeente geldt het woord van den Leeuw uit Juda's stamj dat Hg den duivel heeft overwonnen en dat niemand de.Zgnen uit Zijne hand rukken kan.
Neen, we zien het nu nog zoo niet, dat alle dingen den Cbristus onderworpen zgn. Hoe is 't ook zelfs in de Kerk, hoe is 't onder Gods kinderen te zien!
Laat de zónde worden opgemerkt. Laat de afwijking en inzinking tot ons spreken. Laat alles wat tegen Gods Woord ingaat, ons wakker roepen. Laat alles wat niet uit den Geest is ons hepalen bg onze armoede en onze doodigheid.
Maar laat Gods Kerk dan ook verstaan, dat haar strijd en roeping is, om voor den Christus en voor Zijn Woord uit te komen, in het midden van het publieke leven, op alle terrein des levens — waarbij de sterkte ligt in: „Gods verborgen omgang vinden zielen waar Zijn vrees in woont."
Hier is een strqd tegen vleesch en bloed; tegen ds overheden en de machten en de ge weidhebbers der wereld, ' der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.
Hier is een strijd, een zware strijd voor huis en kinderen, voor Kerk en School, voor Overheid en volk, voor waarheid en recht op elk gebied en in elke levensverhouding,
O! weet het, dat uit de poorten der hel sterke strijdkrachten uittrekken naar alle kanten, om de werken des duivels te doen, tot dood en vernieling, voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid. Hoe zullen we in dien strijd kunnen bestaan, staande blijven en overwinnen ? Door ons zelf niet. Geenszins. Geen oogenblik.
Maar worde door Gods volk geloofd en ervaren, de werkelijkheid van Jezus' hemelvaart; de waarachtigheid van Zijn overwinning; het werkelgk bestaan van Zijn koninkrijk en macht; met de uitstorting Zgns Geestes in het harte en de schenking Zijner genade-gaven.
Dan zullen ook wij belijden : Wij, Zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen — en God van den hemel zal't ons doen gelukken."
Neen — nu zien we het nog zoo niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn. Zal Gods koninkrijk komen ?
Zal Gods volk triomfeeren? Zal het een hemelvaart of zal het een hellevaart zijn?
O! dat onze ziele maar leven mag uit de verzoening van onze zonden door het bloed des kruises. Dat ons geloof maar mag wezen, om te belijden: „Gij, Jezus, zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods; mijn Heere en mijn God, " Dan hebben we een rots om op te staan en kracht ter overwinning.
Maar wee, indien we bij de algemeene voorrechten van Gods liefde niet kennen de bizondere gave Zijner genade in Christus. Dan kon het wel wezen, dat we om het genieten van vele voorrechten moesten hooren: „gij zijt tot den hemel toe verhoogd geworden"; om evenwel daarna te vernemen: „gij zult tot de hel worden nedergestooten", juist omdat we vreemd zijn aan de wedergeboorte, aan de bekeering, aan de verzoening onzer zonden door Christus' bloed, aan de genade-gaven des Geestes.
Wat hebben we aan doode, ledige dingen ? Wat zullen ^sre hopen op 't goede, als ons harte onbekeerlijk is en blijft?
Laat ons daarom staan naar de eerste beginselen der genade en de gaven des Geestes, in de kennisse van onze zonden en de ervaring van Christus' bloed tot verzoening. Waarbij de ziele, dan telkens zuchtend wel zal moeten uitroepen: „ja, voor Jezus stond de hemel wel open; maar voor mij zal de hel ontsloten worden." Want wie zal den berg des Hoeren beklimmen? Wie zal in den hemel voor God verschijnen?
Maar ziet, waar Christus is gestorven en begraven tot verzoening van de zonden Zijns volks, daar is hij in den hemel ingegaan tot hunne verlossing en zaligheid. En allen dié waarachtiglijk zuchten mogen in zichzelf, van wege de zonde en de schuld, mogen uit Zijne volheid genade voor genade ontvangen. Eu waar Hij is ingegaan in den hemel, daar belijdt Christus' Kerk, dat Hij dat gedaan heeft voor-degenen, die de hel waardig zajn, maar die door Hem zullen overwinnen en straks in Sion zullen ingaan.
En als zóó de genade Gods over de ziele is, dan wordt eigen zwakheid vervangen door Gods sterkte en biddend wordt gezongen:
God geeft Zijn gunstvolk moed en krachten, Hij zal, in weerwil aller machten, Zijn Rijksgezalfde staag, behoeden. Red, Heer ! Uw Isrel uit al 't woeden; Geef zegen aan Uw erf, en weid Uw volk; verhef z' in eeuwigheid.
Psalm 28 : 6.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's