De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijlce overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijlce overdenking.

12 minuten leestijd

Daar geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen gedreven wind en vervulde het huis, waar zij zuten. En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur en het zat op een iegelijk van hen. Hand. 2:2, 3.

Pinksteren.

Op eens, zonder een enkele voorbereiding, geschiedde plotseling van uit den hemel een geluid. Haastelijk.

Wie denkt bij dit ééne woord niet onmiddellijk hieraan, wat de Heere Zelf eens tot Zijne jongeren sprak: aal God dan geen recht doen Zijnen uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Hier hebt ge hetzelfde woord.

Haastelijk. Daar is by den Heere geen toeven als 't tijd is. O, bant deze gedachte verre, alsof hier ook maar de minste willekeur denkbaar kan zijn. Er is bij den Heere een onbedwingbare lust om wel te doen aan al Zijn kinderen. De Heere doet niets liever dan Zijn volk zegenen. B8j weet wanneer het tijd is, dan komt Hij géen oogenblik later.

Haastelijk geschiedde van uit den hemel een geluid, dat veel had van een geweldigen gedreven wind.

Ik stel me voor, dat de winden zijn weggescholen bq de nadering van dezen Geest.

Ik stel me voor, dat in de gansche natuur eene stilte heeft geheerscht als nooit te voren,

't Was enkel een geluid.

We zullen aan ieder dezer teekenen onze aandacht bizonderlijk moeten wyden. Immers als de Geest Gods zóó uittreedt, hoorbaar en zichtbaar, is het er om begonnen om opgemerkt te worden door Zijne Kerk op aarde.

't Is als het ware een roepen: zet uwe ooren wijd open en hoort, laat uwe oogen zien en opmerken.

De Geest Gods, de Trooster van Zijn volk, de Langbeloofde der vaderen, de Vurigverwachte der jongeren komt om nooit weer heen te gaan, ze blijven bijeen, de Trooster en die getroost moeten worden. Daar in dien Tempel, in een van zijn bijgebouwen, waar de discipelen tezamen zijn, komt Hg hoorbaar binnen. Ieder van hen kan Hem speuren.

Is dit voor het oor, het oog zal ook het zijne hebben. Van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur en het zat op een iegelijk van hen.

Welke machtige teekenen zijn vuur en wind. dit:

De wind waait en niemand weet vanwaar. Hg komt en niemand weet waarheen hq gaat.

De wind drijft de vuile dampen van de aarde en zuivert de atmospheer boven. Denkt u den winci weg en alles staat stil om te versterven.

Is dat niet juist getroffen.

Wie zal zeggen het punt van beginnen van Gods Geest en wie zal aangeven de grens waar Hij Zich keert.

Is er ooit een levenwekker en zondenzuiveraar geweest als Hij ? Als Hq waait, wie zal 't keeren? Als Hij werkt, wie zal Hem tegenhouden?

Maar nu het vuur. Zijne werking gaat nog verder. Neemt het in welken vorm ge wilt.

Daar hebt ge den bliksem aan den hemel, 't ls een kracht om te doen sidderen en te verbreken, maar tevens om te zuiveren.

Daar hebt ge het vuur op uw haardstee: een element om te verbranden, maar tevens om te verwarmen.

Daar hebt ge het licht op uw luchter. Het spreidt als op zijn lichtvleugelen overal vreugde, de donkerheid moet hier wegvluchten.

Brengt ze nu over, deze trekken, een voor een, en ge zult  toegeven: zoo is de werking van den Geest. Wat de bliksem doet in de natuur, doet Hij in het hart. Zuiverend treedt Hij naar voren

Wat het vuur doet op den haard, doet Hij in het binnenste: Hij draagt gloed en warmte naar binnen.

Wat het licht doet op den luchter, is Zgn werk op heel het levenspad van Gods kinderen. Hij brengt licht en gloed waar 't donker was en de kilte heerschte. We kunnen — de ruimte veroorlooft het niet — niet anders dan aanstippen.

Verdeelde tongen, wqst hier op, dat ge 't eerst als een geheel u moet denken.

Bij den wind is dit als voor de hand liggend. Deze is een geheel. Nu wordt dit verdeeld: op elk hoofd één vurige tong. Wat één Geest was, werd 'aan allen persoonlijk, een ieder naar zijn eigen bedeeling toegedeeld.

Het zat op een ieder van hen Allen werden gelijkelijk aangeraakt. En nu is het eigenaardige — ze zagen het van zichzelven niet, de vurige tong op hun hoofd werd enkel door de broederen aanschouwd, maar door hen zelf ervaren. We kunnen het wel zien, maar nooit gevoelen. Dit blijft een persoonlijke zaak. - De Geest Gods zat op een iegelijk van hen en vervulde heel hun zijn.

Kunt ge u grooter wonder denken? Bij menschenkinderen, bij zondige schepselen kwam Hij zoo overweldigend groot in openbaring, dat ze hoofd voor hoofd en allen tezamen het wonder aan zich zelf zagen vervuld.

Gelijk een duif door 't zilverwit En 't goud, dat op haar veedren zit, Bij 't licht der zonnestralen Ver boven andre vooglen pronkt, Zult gij, door 't godlijk oog belonkt, Weer met uw schoonheid pralen. Wanneer Gods onweerstaanbre hand De vorsten uit het gansche land Verstrooid had en verdreven. Ontving Zqn erfdeel eedler schoon, Dan sneeuw, hoe wit zij zich vertoon', Aan Salmon ooit kon geven.

Het Pinksterfeest, dat de Jood vierde, voerde hem terug naar den voet van Horeb. Daar schokt en heeft alles in het rond. De hemel geeft vuur en donder. Mensch en dier is vol ontzetting.

Zoo was het schaduwbeeld, het type; de werkelijkheid is veel schooner. Ook hier is een geluid om te ontzetten, maar het jaagt niemand op de vlucht.

O wonder van goddelijke ontferming. De Heilige Geest komt en de wereld wordt niet verteerd.

Is dat wonder door u reeds opgemerkt, lezer? Zgt ge er al voor op de knieën gevallen? Ach, van hoevelen moet getuigd, dat ze van het wonderlyke nog nooit iets merkten, 't Ontging hun ten eenenmale. Daarvoor moeten eerst de oogen geopend worden. Als ik het eens zóó mag zeggen: het werk Gods moet eerst door God zelf worden getoond, anders loopt de mensch het achtelöos voorbij,  Mogen 'we eens een vergelijking treffen?

Een beeldhouwer heeft een beeld dat hij zich voorgesteld had, dat leefde bij hem zelf, in zijn werkplaats gereed gemaakt. De laatste levende trek werd ingehouwen. Het is af. Maar nu wil hij het beeld zijn kinderen laten zien, hij wil het hun geven. Hij neemt ze daartoe zelf bij de hand en leidt ze in. Als nu de deur zich opent en de sluier wordt op zij' geschoven, dan is daar één uitroep: hoe schoon! Maar als vader daar nu dit aan toevoegt: dit is voor u, zoo klinkt het allerwege: dat is nog schooner I

Ziehier nu een gebrekkig beeld van wat de Heere gedaan had vóór den Pinksterdag en wat Hij deed op denzelven.

Het werk door de goddelijke Drievuldigheid uitgedacht in de eeuwigheid, dat reeds leefde dus in raadslag, werd uitgevoerd in den tijd. Op Golgotha klonk de iaatste hamerslag. Het is af. Het doek hangt er nog voor. Zie, dit wordt in Jozefs hof op zij geschoven. Nu moeten de kinderen het nog zien. Dit is voor den Geest weggelegd. Van den Vader en den Zoon uitgegaan, leidt Hij ze binnen één voor één. Aan de hand des Gèestes wordt hun alles duidelijk, elke trek levend. Ja, nu zien ze het. De laatste muur des afscheidsèls wordt verbroken.' Öp de knieën.

Dit werk is door Gods Alvermogen Door 's Heeren hand alleen geschied; . Het is een wonder in onze oogen; We zien het, maar doorgronden 't niet.

Zoo stonden daar de discipelen voorheen blind, ongezeggelijk, hardleersch, met recht zich de berisping des Heeren waardig makend: „hoe lang zal Ik u verdragen? " — nu staan ze daar en roepen het uit in even zoovele talen als de. hemel hun te spreken gaf. Ze zagen alles, ze zagen alles geheel voor zich. Is dat geen heerlijk klimmen, geen gestage rijzing, geen ontwikkeling — wel niet zooals de mensch het meent — maar zooals God het geeft.

Eerst wachtende op, toen aangeraakt door, en eindelijk vervuld met den Heiligen Geest

Zie ze daar staan, 't Zijn dezelfdfe discipelen, die voorheen, wegvluchtten als iemand naderde, die wegscholen uit vreeze der Joden. Nu moeten en durven ze getuigen. Och, de vurige tongen hadden het hun in beeld reeds verteld: ge zult spreken. Als Gods Geest het harte vervult kan niet gezjvegen worden. Ge zoudt even goed door de lucht kunnen trekken en zeggen tot den stormwind: tot hier moogt ge uw kracht beproeven, maar niet verder. Hij zal lachend doorbreken en doen alsof niets is gezegd. De discipelen, die in stilheid hadden vergaderd, die gewacht hadden op den Heere en Hem nu ontmoetten, worden" door Hem nu ook aangegord en toegerust. En niet op een karige wijze.

Men heeft gevraagd: hoe kan dat nu, zoo opeens in talen spreken?

Och, lezer, zou Hij, die de talen opriep in één moment, dan opeens Zijn macht afleggen? '

Zou Hij, Die storend tusschenbeide trad in Babel, dan niet in Jeruzalem op eens den spanboog weer kunnen trekken over de volken.

In alle de talen der volkeren, die hier vertegenwoordigd waren. O, kosetelijke gedachte, 't Is niet voor ééne natie, niet voor één volk, maar 't net zal geworpen worden over het wijde wereldrond en de Heere zal ze rond Zich toevergaderen. Al die talen tezamen zullen straks de schoonste harmonie weer vormen, als het nieuwe lied gezongen wordt voor den Troon, het lied van het Lam.

In alle talen werden verkondigd de sroote werken Gods. D. w. z. de eenheid: God alleen is groot. Hij heeft omgezien naar Zijn volk.

De groote werken Gods. Hier werd verkondigd wat God gedaan had. Hier werd het kruis-Evangelie uitgedragen op de heerlijkste wgze, de eeuwig-rijke Christus voor den doodarmen zondaar.

Nu moeten we onszelf eens plaatsen voor de vraag: wat is dit Pinksterfeest voor mg?

Is daar ook een wachtenstijd voorafgegaan? Moeten we al dadelijk met elkander in de schuld ? Moeten we belijden:

„ik heb op niets gewacht." , En woudt ge dan toch een Pinksterzegen?

Gevoelt ge uw dwaasheid niet? Hoe diep-treurig, niet waar, voor het allernoodigste zoo heelemaal niets te gevoelen. Is het niet een voldongen bewijs in wiens boeien we van nature zijn standelijk zijn — het is u niet onbekend. Maar nu moet er nog iets aan toegevoegd. We leven nog, we ver keeren nog in een heden van genade. De mogelijkheid om de gaven des Heiligen Geestes te ontvangen heeft nog niet opgehouden. Straks wordt dit tijdperk afgesloten. Dus haast u om uws levens wil, haast u!

Ja, zegt ge, maar zou er voor mij wel redding zijn? Zou mijn bidden en smeeken wel iets baten?

'k Heb dezen raad: Laat uw gang zijn als van de discipelen: volhardend. Immers naar het Woord des Heeren is er geen vader, die, als zijn zoon hem vraagt om brood, hem een steen zal geven, of om een visch een slang, of om een ei een schorpioen. Indien gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer de hemelsche Vader den Heiligen Geest dengenen, die Hem bidden, Ja maar, zegt ge: ik heb geen belofte. Ziit ge daar zeker van?

Weet ge hoe het den oprechte telkenma!e gaat. Hg is in voortdurende wachting, maar huh raakt de lijn van Zijn beloften kwijt. ­ De Duivel met zgn bondgenootvan binnen zetten alles in  een vraagvorm: „meent gij dat dit voor u zou zijn?."-

Alles kwijt, op niets oog, o, wat is dat bang, nergens geen grond onder den voet.. Als de Heere dan geen uitkomst geeft. Hij evenwel kent Zijn tijd. Haastelijk komt Hij met Zijn vertroostingen: „Ik u begeven. Ik u verlaten, nooit, " „Ik, de Middelaar voor den Troon, bid voor u, ja, ook de Geest bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen. Ge moet nooit meenen, dat gij voor uw werk alleen hebt te zorgen. Neen, uw werk is het Mijne, en het, Mijne is het uwe."

O, wat moet dat volk er klein onder worden, zooveel bemoeienissen van hun God. In den hemel hebben ze hun vleesch en op de aarde Zijn Geest, kan het ooit schooner gedacht.

Dat er nu vaak zoo weinig te vertellen valt, waar zou het zgn oorzaak vinden? Waar anders, dan in te weinig wachten, in het weinige toeven voor Gods Aangezicht.

De groote werken Gods moeten verkondigd. Wat dient nu onzerzgds beleden. We zgn zoovaak bezig met onze werken, die toch minder zgn dan niets, voor des Heeren werk geen oog.

Och, dat dit Pinksterfeest ons op de rechte stee moge brengen.

In de eerste plaats voor ons persoonlijk. Vervolgens voor ons als Gemeente. De H. Geest daalde niet neder op den éenen discipel hier en op den anderen daar, neen op hen allen tezamen.

Als ze, daar zgn als broederen onder de broederen, opziende tot éen Gekruiste die opvoer ten hemel — wachtende op éen Geest, zoo worden ze aangeraakten vervuld.

Dat is een Pinkstergemeente, die kan uitgaan en uitzenden. Immers dit zal moeten geschieden: in alle talen werden verkondigd de groote werken Gods. Och dat de Heere zich ook over ons ontferme. Want dit staat vast, het volk, dat gieriglijk geeft zij gebed en zgn mannen, zgn goud en zijn zilver, ontvangt op dezelfde wijs van den Heere terug.

Niet dat Hij gebonden is aan het onze, maar wij aan het Zijne. Make de Heere ons wachtende en leide Hg ons door Zgn H. Geest van stap tot stap, totdat eenmaal de tijd daar is en Hg Zijn volk, dat hier vaak doolde, inleide in de zalen met eeuwig licht. Daar spreekt de tong op volmaakte wgze van de groote werken Gods.

Dat het nu reeds zij in oprechtheid: Naar U smacht ons hart Om bij U te wonen, Waar geen zonde of smart, Geen ellende of pijn meer ons deel zal zgn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijlce overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's