De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

12 minuten leestijd

„Onze" Kerk.

Prof Visscher gaat voort in de Nieuwe Rott Ct. beschouwingen te geven over het kerkelijk vraagstuk, 't Mag wat vreemd schijnen, dat hij zulks doet in een zoo liberaal gekleurd blad, evenwel geeft dit gelegenheid om ziijn ideeën te brengen onder veler oogen.

In een artikel, voorkomend in Avondblad van Maandag 13 Mei j l.worden zii die van de .---_-Ned. Herv. Kerk - als . „onze" Kerk spreken, onder handen genomen. Volgens prof. Visscher mag niemand zoo spreken, daar de Herv. Kerk een Kerk is die rechtens toekomt aan alle rightingen, zoodat dus elke richting even veel, of liever even weinig, recht heeft om te spreken van „onze" Kerk Als men dat zoo leest, neergeschreven door een Gereformeerd hoogleeraar, moet men toch verbaasd staan en zich bedroeven. Ja — natuurlijk, dat de Britten de Transvalers niet gunnen om te spreken van , ons" land. En als zij zingen van »ons" vlag, zeggende Engelschen: „berg die vlag maar op!" ' Ja — natuurlgk, dat de vijanden van België den Vlaamschén Leeuw wel zouden willen zien verdwijnen, en het Belgische volk niet gunnen te spreken van „ons" land. Maar daarom zingt de echte Transvaler toch nog wel: „De vierkleur van ons dierbaar land, Die waai weer oër Transvaal, En wee die God vergeten hand. Die haar weer af wil haal. Waai hoog nou in ons heldre Inch, Transvaalsche vrijheidsvlag. Ons vijande is weggevluch. Nou blink een blger dag." En de echte Vlaming antwoordt den vijand: „Zij zullen ' hem niet temmen, Den fleren Vlaamschén Leeuw, Al dreigen zij zijn vrqheid. Met kluisters en geschreeuw I Zij zullen hem niet tenimen, Zoolang een Vlaming leeft, Zoo lang de leeuw kan klauwen, Zoo lang hij tanden heeft."

Wij mogen volgens prof. Visscher niet spreken van „onze" Herv. (Geref.) Kerk. Die Kerk behoort aan alle richtingen saam en elke richting heeft recht op een deel. 't Is als een boiiwdoos, als een legkaart liever, welke uit elkaar genomen moet worden om dan elk 'n stukje te geven, dan heeft ieder z'n rechtmatig deell

Nog eens — als men dat zoo leest van een Gereformeerd hoogleeraar, kan men niet anders dan zich bedroeven, daar hier de lijn van de historie geheel uit 't oog verloren wordt en het recht wordt omgebogen!

Want is de Ned, Herv. Kerk van heden niet de voortzetting van de aloude Geref. Kerk hier te, lande; waar, ook onder de organisatie van 1816, de aloude Geref. belijdenis niet is afgeschaft ?

In weerwil van al de schommelingen is steeds sinds 1816 officieel verklaard: het is en blijft dezelfde belijdenis als vervat is in de drie formulieren van eenigheid.

En ja — de practijken zijn slap geweest. Vandaar die verwatering. Vandaar die overheersching der leugen en der dwaling. Maar de Heere heeft toch over Zgn Kerk in dezen lande gewaakt en aan onze Herv. Kerk, ook in al haar ellende en jammer, de aloude belijdenis bewaard.

Wel is er nu, door dat „onwaarachtig geschipper", veel gemengd volk binnen de grenzen der Herv. (Gere'f.) Kerk. Maar dat vreemde volk, dat met den geest en met den inhoud onzer Geref. belijdenis niet instemt, heeft nooit het recht gekregen om te spreken van „onze" Herv. Kerk. Bij slappe practijken hébben degenen, die principieel afwijken van de leer der vaderen, met gebruik van onwaarachtige dubbelzinnigheden, toegang verkregen tot de Herv. Kerk en ze weten zich tot op heden nog met inspanning van alle krachten, op dezelfde wgze, te handhaven. Maar die niet gelooven in een drieënig God, die nietgelooven in de verzoenende kracht van Christus' bloed, die niet gelooven in de lichamelijke opstanding van Jezus, die niet gelooven in een verhoogden Heiland, Die als Hoogepriester bidt voor de Zijnen en als Koning Zgn Kerk bewaart, — die hebben nooit in onze Herv. Kerk thuis behoord en hooren er ook nu niet thuis. Als die spreken van „onze" Herv. Kerk, denken we aan den dief, die in het huis van een ander zit en zich daar brutaal aanstelt als eigenaar, totdat hij straks, naar recht, als indringer buiten de deur gezet wordt.

Immers die in de hoofdwaarheden vierkant verschillen met den geest en den inhoud van onze Geref, belijdenisschriften kunnen en mogen ia de Herv. Kerk niet beloven „het Evangelie van Jezus Christus te zullen verkondigen naar Gods Heilig Woord" — zooals ieder Herv. predikant toch beloven moet. Die kunnen en mogen niet doopen, niet het Avondmaal bedienen. Hun eerlqke overtuiging belet hun dat. Want ze verschillen in geest en inhoud van de hoofdbeginselen van het Gerefopmeerd protestantisme, van de Geref. belijdenisschriften der Ned. Herv. Kerk.

En daarom, wie hebben recht in Transvaal om te zingen van „ons" vlag? De Britten of de Transvalers ?

Zoo hebben in de Ned, Herv. Kerk in den jare 1918 zij het recht om te spreken van „onze" Kerk, die voor God en voor hun conscientie, in eerlijkheid kunnen en mogen getuigen, dat zg met den geest en met den inhoud van de drie formulieren van eenigheid van harte instemmen, zich voegend naar den regel van Gods Heilig Woord.

: Die mogen belijdenis doen in de Herv. Kerk; die mogen het ^Woord bedienen ; die stemmen in met hetgeen Doop en Avondmaal bedoelt.

En de anderen hooren er niet thuis. Waarbij we Da Costa nazingen: „Met al hun schoone woorden, met al hun stout geschreeuw — zij zullen ons niet hebben, de goden dezer eeuw I

" * *

Onze Eeredienst.

Telkens komt het weer voor den dag, dat men in onze godsdienstoefeningen radicale verandering zou willen aanbrengen. Men oordeelt, dan dat de Gemeente te weinig actief is. Dat alles té veel gaat om de preek. Dat er meer liturgische handelingen moeten komen, waarbq alles meer gaat leven en de Gemeente zich ook meer kan uiten.

Over deze dingen is nu pas weer gesproken op de bijeenkomst van Doopsgezinde predikanten te Amsterdam, voor den aanvang der moderne vergadering. Ds. Oosterbaan van Hilversum heeft daar een referaat gehouden over: „Is de invoering van een zekeren ritus bij onze godsdienstoefeningen gewenscht en mogelijk ? " en gaf daarin een oplossing aan de hand, waarbij men, ook van moderne zijde, het evenwel lang niet met den referent eens was; 't welk blijkt uit een artikel in de West Friesche Kerkbode waaruit we hier een en ander overnemen. Men kan er alweer z'n voordeel mee doen.

De onbekende schrijver in de West Friesche Kerkbode deelt eerst mee dat ds, Oosterbaan ongeveer aldus redeneerde:

„Waarom gaat men naar de kerk? Is het alleen om naar oud-Doopsgezinden trant eene vermaning te hooren, dan is alle liturgie uit den booze; de preek hoofdzaak. Maar wil men bg den kerkgang uiting geven aan zijn eerbied voor God; is de godsdienstoefening een eeredienst, dan is liturgie gewenscht. Dan neemt de preek een veel te groote plaats in en is de stichting der hoorders veel te veel afhankelijk van den predikant, van diens stemming, van diens meerdere of mindere welsprekendheid en van het onderwerp dat door hem behandeld wordt. Meer stichting, meer wijding verwacht hij van een liturgie, d.i. van het uitspreken van een votum, het lezen van gedeelten van den bijbel, het zingen van liederen en het uitspreken van gebeden. Daaraan moet een veel grooter plaats dan thans het geval is toegekend worden. De preek moet worden bekort. Deze mag niet langer dan 20 minuten duren. De overige tijd moet worden ingenomen door de liturgie. Daarbij is een zekere ritus gewenscht, d.w.z, een regelmatig terugkeeren van dezelfde liturgie. Aan een ondergrond van onveranderlijkheid kent spreker groote waarde toe. Nu de preek hoofdzaak is staan de hoorders, behalve op enkele feestdagen, telkens voor eene verrassing, wat de predikant nu wel be handelen zal. Maar niet het onbekende, het nieuwe, doch het bekende, het gewone vindt het meeste weerklank in het heiligdom van het godsdienstig-gestemd gemoed en wekt daar sluimerenden eerbied. Nu bestaat altijd het gevaar dat er disharmonie is tusschen de stemming van de leden en die van den predikant.

Wordt een liturgie ingevoerd dan kan tevens aan de leden een meer werkzaam aandeel gegeven worden. Nu is de gemeente meestal te Iijdelijk, "

De onbekende scribent in de West-Friesche Kerkbode gaat dan z'n eigen meening ons meedeelen op de volgende wijze:

„Meer dan eens heb ik gevoeld en dit ook wel uitgesproken, dat er aan onze godsdienstoefeningen iets ontbreekt en dat een te overwegende plaats daarbij aan den prediker wordt toegekend. Verandering acht ik met velen gewenscht.

Nu komt ds. Oosterbaan met zulk eene, en diep ingrijpende wijziging, maar hij heeft mij niet kunnen overtuigen, dat hij te geven heeft dat wat wij noodig hebben.

Allereerst een goed woord voor de preek. Deze blijve de hoofdzaak. Een woord van stichting of voorlichting blijft gewenscht en noodzakelijk. Deze te beperken tot den duur van 20 minuten acht ik gevaarlijk. Campbell en Frenssen mogen bewezen hebben, dat deze korte preeken voortreffelijk kunnen zijn; het is zeer de vraag of het meerendeel der predikanten de gave en het vermogen, om die kunst te beoefenen, bezitten.

Mijn hoofdbezwaar echter geldt eene ritueele liturgie. Denkt u eens éen oogenblik in! Steeds weer dezelfde gebeden, dezelfde liederen, dezelfde gedeelten van den bijbel! Zelfs al zou het iemand gelukken een ritueele liturgie voor 52 Zondagen te ontwerpen, dan zou, daarvan ben ik overtuigd, die telkens terugkeerende herhaling den sleur in de hand werken en de aandacht moeielijk levendig kannen houden. En hoeveel te meer zal dit het geval zijn, indien, zooals spreker wenscht, het ontwerp wordt in gevoerd, dat hij aan prof. de Bussy dankt, waarbij om de vijf weken den hoorders hetzelfde wordt aangeboden. Tien maal in het jaar dezelfde gazangen, dezelfde gebeden, dezelfde bijbel-pericopen! Blijf daar eens wakker, aandachtig, belangstellend bij! Wordt daardoor eens telkens weer gesticht!

Spreker beveelt de invoering aaii^met een beroep op wat elders, in Engeland, in Duitschland, in Frankrijk gebeurt. Daar bestaat zulk een ritueele liturgie. Maar wat daar gebeurt had spreker juist tot voorzichtigheid moeten aanmanen eer hij opwekte dit voorbeeld te volgen.

Het is mg bekend, dat in Zweden de bezoekers dan pas ter kerke komen, wanneer het ritueele gedeelte van den dienst is afgeloopen. En een der sprekers vertelde ons, dat hij eens te Londen zijnde, door een bekend predikant werd rondgeleid. Gekomen bg de kathedraal gaf hij zijn wensch te kennen deze te bezichtigen. Zijn geleider antwoordde: dat kan niet, het is juist service (dienst). Toch gingen zij binnen. En het geheele gehoor bestond uit éen oud vrouwtje. En spreker zelf wijst op den sleur, welke in de Engelsche kerk is binnengeslopen. Zal dit bij ons op den duur beter zijn? Ik vrees met groote vreeze. Ook al gelukt hét, want' spreker wil niet den ritus der Engelsche of van eenige andere kerk overnemen, er een te scheppen, die voor ons Hollanders geschikt is en in overeenstemming met onze behoeften, dan zal ook bij ons de sleur insluipen en alle verheffing, stichting en wijding bannen

De gewoonte, elders ingeslopen, om pas na afdoening van het ritueele gedeelte van den eeredienst ter kerke te komen, zou ondervangen worden zoo gebeurt wat spreker voorstelt. Hg wil het ritueele gedeeltein tweedeelen scheiden en dan tusschen die beide gedeelten de preek. Is dat soms het voor ons Hollanders geschikte? Maar zullen dan, wanneer het nieuwe er af is, niet nog minder hoorders de preek bijwonen, wanneer hun de gelegenheid benomen wordt het liturgische gedeelte van den dienst te ontloopen?

Waar de ervaring, elders opgedaan, bewijst dat de Protestantsche kerkbezoekers aan de preek de hoogste waarde toekennen, zij men voorzichtig eer men haar haar eereplaats ontneme. In geen geval mag zij haar plaats bgna geheel afstaan aan de liturgie. Overal en altijd werken vaste, telkens terugkeerende vormen, sleur en vormelgkheid in de hand.

Willen wij liturgie — welnu volgen wij dan het voorbeeld van de Doopsgezinde gemeenten te Den Haag en Utrecht. Daar heeft de gemeente, te Den Haag reeds vrij lang, naast de godsdienstoefeningen zoogenaamde wijdingsuren ingesteld. Daar kunnen de menschen, die behoefte hebhen aan een liturgischen eeredienst bevrediging vinden. De Haagsche gemeente is zelfs voornemens eenmaal in de maand een liturgischèn dienst op den Zondagmorgen te doen houden. Van harte wenschen wij haar toe, dat deze proef moge slagen. Maar al slaagt zij daar, dan is dat nog niet een bewijs, dat elders, vooral op het platteland, een proef met kans op denzelfden uitslag kan genomen worden, - Uit de mededeèlingen van ds. Lulofs ter vergadering bleek, dat de gemeente de medewerking heeft van zangers en organisten, kunstenaars op hun gebied. Hoevele gemeenten kunnen op dien steun rekenen? En, is het ongeloof in de waarde der liturgie alleen, als de vraag bij mij oprijst, zou daar zooveel belangstelling voor de wijdingsuren zijn, indien die medewerking niet bestond?

Wij zullen, vrees ik, voorloopig ons nog wel bij de oude beproefde wgze van godsdienstoefening houden moeten blijven bepalen. Kan men daarin door de medewerking van een zanger of zangeres, van een koor of organist nu en dan wat afwisseling brengen; goed. Aanbevelenswaardig zelfs! Lees vrij wat meer en geregelder gedeelten uit den bijbel of een ander boek voor! Maar wachten wij ons voor ritueele liturgie. Het nieuwe, het aantrekkelijke is er spoedig af. Dan verveelt het en zal nog meerderen van het bezoeken der kerk afschrikken."

Tot zoover het artikel in de West-Friesche Kerkbode.

Dat de Gereformeerden met hun opvattingen inzake „onze Eeredienst" het zoo héél mis hebben gelooven we niet. Zeer zeker kan ook hier veel verbeterd wolden. Maar 'wat de beginselen betreft hebben ze blijkbaar de plank niet zoo ver mis geslagen. De nieuwe en nieuwste snuifjes mogen een oogenblik wat schijnen, spoedig is het nieuwe en bekoorlgke weg en het oude, degelijke, 't welk naar Gods Woord is en Gods Woord ook in 't midden van alles zet, wint het weer bij vernieuwing; vooral bij ons Hollandsche volk, dat de preek niet wil inwisselen voor allerlei andere dingen.

Wat moet er ook van ons volk worden, als het niet meer met het Woord gevoed wordt ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's