Uit het kerkelijk leven.
Kerk en het Woord Gods. VIII.
In de Kerk moet dus opzicht en tucht zijn, om te waken tegen allerlei afwijking in leer en leven, waarbij het heil des menschen en het welzqn van Christus' Kerk voor oogen moet staan.
Nu hebben we reeds gewezen op art. 72 van de Dordtsche Kerkenorde, waar staat: „Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels zondigt; zooverre als het heimeIijk is en geene openbare ergernis gegeven heeft, zoo zal de regel onderhouden worden, welken Christus duidelijk voorschrijft in Matth. 18."
Twee zaken dus. Vooreerst, dat de tucht gaat over leer en leven; en voorts, dat bij heimelijke zonden.in leer en leven de regel van Matth. 18 zal gevolgd worden.
Van den beginne af aan werd er dus onderscheid gemaakt tusschen heimelqke en openbare zonden.' Een persoonlijke beleediging b.v. moet ook persoonlqk behandeld en uit den weg geruimd worden; naar den regel: „ga heen, bestraf hem tusschen u en hem alleen."
In eerste instantie hoort hier dus geen derde persoon bij; als iets niet publiek is, moet het ook niet publiek gemaakt worden; en ook als de broederlijke bestraffing verworpen wordt, moet ze alvorens publiek gemaakt te worden, ook in tweeder instantie in kleinen kring, onder getuigen, worden behandeld.
Jacobus zegt: „Broeders, indien iemand van de waarheid is afgedwaald en iemand hem bekeert, die wete, dat degene, die , een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, eene ziel van den dood zal behouden en menigte van zonden zal bedekken" (5:19, 20) en Paulus zegt: De liefde bedekt alle dingen."
Onze Geref. Vaderen te Wezel (1568) oordeelden, dat alleen de zonden in het leven naar den regel van Matth. 18:15 moesten behandeld worden. Zij verklaarden toch: Wat nu de censuur en de bestraffing over den levenswandel aangaat, zal men in alles de instelling van Christus volgen, opdat bg geheime zonden, die met geeno' openbare ergernis vergezeld zijn, niemand voor de vierschaar van den Kerkeraad getrokken worde, tenzg hij met hardnekkig gemoed de zeer dikwijls herhaalde vermaningen verachtelijk verworpen heeft. Waarop ze dan lieten volgen in art. 10: Maar bq openbare zonden en die met openlijke ergernis vergezeld zijn, zal het gezag van den - Kerkeraad of kerkelij ken Senaat zich terstond doen gelden; vooreerst door hem te vermanen en indien hij gehoorzaamd zal hebben, door hem zachtmoedig in genade weder aan te nemen; in het tegenovergestelde geval door hem met den ban te slaan."
Blijkbaar waren dus de zonden tegen de leer naar'het oordeel van de Synode van Wezel aanstonds als publieke zonden te beschouwen en was de regel van Matth. 18 daar dan ook niet bepaald eisch De Kerkeraad kon en moest er aanstonds in gekend worden, daar het •^-een zonde was van publieke beteekenis.
In 1571 op de Synode te Embden heeft men deze voorschriften evenwel gewijzigd en aangevuld, daar men meende, dat afwijking in de leer niet aanstonds behoefde te worden publiek gemaakt. Als het verborgen was gebleven en bij enkelen slechts bekend, moest ook hier de regel van broederlijke samenspreking en vermaan naar Matth. 18 worden toegepast. Immers lezen we daar in art. 26: „ Daerom - indien yemant in der reynigheyt der leer ghedwaelt, - ofte in de 'oprechticheyt dea levens ghesondicht sal hebben: soo verre alst verborghen ende sonder opentlycke Erghernisse toeghegaen is, soo salmen den reghel onderhouden, welcken Christus uytdruckelyck voorschrijft Matth. 18."
Men oordeelde toen blijkbaar, dat Matth. 18:15 zoowel op heimelijke zonden in de leer als in het leven doelde. En deze beschouwing is door de Geref Kerken gehandhaafd en ook in art, 72 der Dordtsche Kerkorde nader omschreven. Wat overeenkomt met hetgeen onze Vaderen in de kantteekening Statenvertaling aanteekenden bij de uitdrukking „tegen u gezondigd heeft", nl, : „u eenigen aanstoot geeft, hetzij dat hg uzelf verongelijkt, of anderszins tegen God of den naaste misdoet met uwe kennisse, zonder dat zulks openbaar is."
Zoolang eene zonde in leer of leven verborgen is en nog geen openbare ergernis gegeven heeft, mag zij dus niet openbaar gemaakt worden. Naar deh eisch der broederliefde moeten zij in 't verborgen bestraft worden, opdat zulke zielen van den dood^ worden behouden en menigte van zonden worden bedekt, (Gal. 6 : 1; Jac. 5 : 19, 20).
Te Embden had men dan ook in art. 27 verordineerd: „Ende die verborghen sonden, daer de sondaer (int heymelyck, ofte van eenen, ofte met twee ofte drye ghetuyghen vermaent zijnde) leetschap van bewgst, en salmen der Consistorie niet aendraghen: maar die verborghen sonden, die der alghemeyne welvaert, ofte der Kercken, eenige merckelycke schade ende verderffènisse toebrengen moghten, als daer zijn verraderye, ofte verleydinghe der zielen, die salmen den Kercken Dienaar aensegghen, op dat men nae zijnen raet toe* sie, wat hier in te doen staet."
Heimelgke zonden dus niet openbaar maken.
Evenwel hier in het artikel van de Synode van Embden bemerkt men dat, wanneer het heimelijke zonden betrof, die „der alghemeyne welvaert, ofte der Kercken eenige mercelycke schade ende verderffènisse toebrengen moghten, als daer zgn verraderye oft verleydinghe der zielen". dan moest men die wel niet aan den Kerkeraad (Consistorie), maar toch van den Kerkendienaar aanzeggen. Deze kon dan raad geven en mee oordeelen, wat te doen stond. Natuurlijk was de bedoeling niet, om de tucht op zoo iemand te zien toegepast, maar om den Dienaar gelegenheid te geven in stilte zich tegen het gevaar te wapenen, om het af te kunnen weren.
Op de Dordtsche Synode in 1578 is dit artikel van Embden overgenomen, evenwel zonder de uitzonderingsbepaling, (Zie art. 94). Wat hiervan de reden is is niet bepaald duidelijk. Wellicht heeft men voor zonden tegen de leer, als meer van publiek belang, spoedig bericht aan den Kerkeraad wenschelijk geacht, hoewel officieel de regel was en bleef: om niet alle afwijking in leer en leven aanstonds als motief van kerkelijke tucht te achten, maar dat integendeel „zooverre als het heimelijk is en geene openbare ergernis-gegeven heeft" zulke afwijking particulier zal worden behandeld.
Deze bijbelsche regel dient dan ook wel in eere gehouden te worden, gelijk de groote Geref. Godgeleerden daartoe altijd hebben opgewekt (zie o.a. de Institutie van Calvijn Boek IV hoofdstuk 12, par. 2). Inachtneming van dit beginsel geeft goede kerkelijke tucht, en verzuim ervan maakt alle kerkelijke tucht moeilijk, verward, tamelijk wel onmogelijk. Kerkelijke tucht moet niet alleen eene handeling van kerkelijke ambtsdragers zijn. Alleen saam met de gemeente kan de tucht naar behooren worden geoefend, daar anders de zenuw der kerkelijke tucht wordt afgesneden.
Natuurlijk is het voor de gemeenteleden oneindig gemakkelijker het opzicht over de gemeente aan de Dienaren des Woords en de Opzieners der gemeente over te laten en zichzelf er buiten te houden; toch is het dringend noodig aan de gemeente in te scherpen, wat Calvijn zegt: „De eerste grondslag der tucht is, dat de bizondere (persoonlijke, particuliere) vermaningen in het werk gesteld worden." (IV, 12 2), omdat daarin waarlijk alleen voor alle kerkelijke tucht het fundament bestaat. Zonder die private vermaning en waarschuwing heeft de kerkelijke tucht geen wortel in de gemeente en kan ze onmogelijk goed werken. Waar de noodzakelijkheid hiervan niet ingezien wordt, wordt de tucht beschouwd als iets, dat van buiten af aan de gemeente wordt opgelegd, terwijl juist de tucht van binnen uit de gemeente moet opgroeien, opkomen en werken. Van buiten opgelegd kan zij nooit goed werken. Waar private vermaning en waarschuwing niét plaats hebben, verslapt vanzelf ook de ijver bij de Opzieners der gemeente, gelijk de geschiedenis wel bewijst.
Kerkelijke tucht moet dus wat aangaat het leven en de leer in haar eerste stadium door de gemeenteleden worden uitgeoefend. En komt er bij de Opzieners eene klacht van een gemeentelid, dan hebben de Opzieners te vragen, of het gemeentelid, dat zulk eene klacht inbrengt bij den Kerkeraad, eerst naar Gods Woord, naar den regel van Matth. 18, gehandeld heeft. Zoo niet, dan moet zulk een lid bestraft, omdat hij zgne roeping verwaarloosd heeft. De Kerkeraad of Opzieners zijn met betrekking tot de Kerk niet een soort van censoren of rechters, van buiten af aan de gemeente opgelegd, om alles in goede orde te houden, - maar zij zign organen van de gemeente om de tucht, die de gemeente moet uitoefenen, toe te passen, voor zoo ver de gemeente zelf dit niet doen kan. De eigenlijke tucht behoort bij de gemeente thuis. Waarbij ook dit gewichtig beginsel in acht te nemen is, dat kerkelijke tucht is toe te passen niet om of vanwege afwgking in leer en leven op zich zelve, maar alleen om de hardnekkigheid, waarmede zoodanige afwgking wordt volgehouden.
Hierin is de kerkelijke tucht geheel onderscheiden ' van burgerlijke straf. Want burgerlijke straf wordt door den rechter opgelegd en vastgesteld, ook al heeft iemand nog zooveel berouw. Maar bij de kerkelijke tuchtoefening wordt de straf opgelegd niet vanwege eene zonde, op zich zelf, maar alleen vanwege de hardnekkigheid, waarmede iemand bij de afwijking "blijft. Gelijk wel blijkt uit art. 74 Dordtsche Kerkorde : „Zoo iemand van eene heimelijke zonde van twéé' of drie personen in liefde vermaand zgnde, geen gehoor geeft, of anderszins eene openbare zonde bedreven heeft, zal zulks den Kerkeraad aangegeven worden." Of zooals in de Wezelsche artikelen van 1568 in art. 8 van Hoofdst, VIII gezegd was, dat bij geheime zonden, die met geen openbare ergernis vergezeld Kijn „niemand voor de vierschaar van den Kerkeraad getrokken worde, tenzij hü met hafdnekkig gemoed de zeer dikwijls herhaalde vermaningen verachtelijk verwerpt."
Op den voorgrond moet dus staan, dat de gemeente al het mogelijke moet beproeven om den zondaar te behouden en terecht te brengen.
Als dan ook de schuld erkent en de verzoening getroffen is, is de tucht geëindigd.
Maar zijn het publieke zonden, of verhardt men zich, „dan, zoo zegt art. 74, moet de Kerkeraad er bij. te pas komen.
(Wordt vervolgd).
Bij welke Kerk moeten we ons voegen? " zoo is soms de vraag.
En als we zien op de groote verscheidenheid die er is kan het antwoord moeilijk worden.
Want als we nu de Roomsche Kerk eens niet meerekenen en we schakelen de secten — „de onbetaalde rekeningen van de Kerk" — uit, dan hebben we nog de Luthersche Kerk ter eene zijde en de Hervormde Kerk, de Remonstrantsche, de Doopsgezinde, benevens de Geref, Kerken, de Christ. Geref, ÏC6rk, deOud-Gereformeerden enz. ter andere zijde.
Nu willen we het niet hebben over deXuthersche, Remonstantsche en Doopsgezinde Kerk. We denken nu alleen aan de Herv. Kerk, de Geref. Kerken, de Christel. Geref. Kerk en de Oud-Gereformeerden. En .bij welke van deze moe ten we ons n'; i voegen, als we van gereformeerd beginsel zijn? " zoo vraagt mèn ons.
Daar is een gemakkelijke weg in deze.
Men „probeert" het eerst eens bg den een, dan gaat men naar den ander, vervolgens naar den derde; en als 't bevalt kan men dan weer van voren af aan beginnen en voor ^e tweede maal dezelfde rondgang doen, 't zij geheel of ten halve.
Zoo zijn er. Die het maar eens probeeren.
Doch omdat niemand het met ernst voor deze methode zal opnemen, laten we dat rusten.
„Maar" — zoo zegt men — „in de Geref. Kerken zijn de kenmerken toch van de ware Kerk, zooals die in onze belijdenis genoemd worden; zijnde de reine predicatie des evangelies, de reine bediening der sacramenten en de oefenin|2; der kerkelijke tucht? "
En in de .Herv. Kerk ontbreekt aan die kenmerken zooveel; daarom is 't in de Geref. Kerken zviverder gesteld dan in de Herv. Kerk en is het dus voor een Geref. mensch zoo klaar als de dag, dat hij zich niet bij de Herv. Kerk, maar bij de G^ref. Kerken moet voegen!"
Zeker — het is zoo duidelijk als wat, dat ik op de markt, als ik bloemkool hebben wil, de mooiste uitzoek, als ze. allen drie stuivers kosten. Wie zou dat niet doen?
Maar de Kerken zijn geen bloemkoolen. En 't gaat bij de Kerken niet om „uitzoeken."
Als 't om „uitzoeken" ging, dan is er misschien nog wel een Kerk, waar het nóg zuiverder is, dan in de Geref. Kerken
Evenwel, men voelt dat de dingen zoo geheel ènders moeten worden aangezien.
Zeer zeker moet de Kerk van Christus de merkteekenen, in onze belijdenis genoemd, vertoonen.
Zij moet het ware Evangelie van Gods genade brengen, zij moet de sacramenten van Doop en Avondmaal heiliglijk bedienen, zg moet tucht oefenen naarden Woorde Gods door de ambten vaa Christus ingesteld
En dat is in beginsel in de Herv. Kerk, ook onder de organisatie van 1816, aanwezig, ledere predikant moet het Evangelie van Gods genade naar Gods Heilig Woord verkondigen. Doop en Avondmaal moeten bediend worden in den zin en op de manier, zooals Christus dat heeft verordineerd. En in de Kerk zal opzicht en tucht zijn, om over leer en leven te waken, naar uitwijzen van Gods Heilig Woord, in overeenstemming met den geest én in aansluiting aan de beginselen onzer belgdenisf
Dat is officieel.
En dus héél anders dan in de Roomsche Kerk is het in onze Herv. Kerk gesteld.
Heel anders dan in de Lutersche, Doopsgezinde of Remonstrantsche Kerk.
Eigenlijk in beginsel net precies als in de Geref. Kerken, in de Chr. Geref. Kerk, bij de Oud-Gereformeerden. Alleen maar, in de Herv. Kerk is het op 't oogenblik minder zuiver in deze dingen gesteld, zoodat er helaas! bij en onder het goede, dat er in deze is, velerlei verkeerdheid gevonden wordt, dat niet is gewettigd, maar helaas! wordt geduld.
En nu komen we voor een grondbeginsel van onze gereformeerde belijdenis te staan n.l. om de eenheid van de ware Kerk te bewaren en te waken voor de zonde der afscheiding van de ware Kerk.
Welk beginsel juist aan 't woord komt, als in de ware Kerk veel onzuivers wordt gevonden.
Naar art. 28 van onze Ned, gel. belijdenis zijn wij geroepen, de „eenigheid der Kerk" te onderhouden, waarom niemand (geen persoon noch groep van personen) op zichzelf mag gaan staan.
Wapt alle degenen, die zich van de ware Kerk afscheiden, en een zuiverder gezelschap willen vormen, doen tegen de ordinantie Gods. „Het staat niemand vrij" zoo zegt art. 29 nóg ten overvloede „zich van de ware Kerk af te scheiden."
Nu wordt het iets anders.
Nu zijn de Kerken niet maar een paar bloemkoolen, waarbg 't gaat om voor een prgsje de : beste bloemkool uit te ïoeken.
Nu wordt het een zaak, waarbij we met de geschiedenis moeten rekenen, op onzen Doop moeten acht geven, om, van de Kerk zijnde, ook bij de Kerk te blijven, zoolang zij niet een valsche Kerk geworden is.
Neen — het is niet gereformeerd, om te zeggen we moeten de „zuiverste" van de Kerken uitzoeken.
Dan komen misschien „de Geref, Kerken" naar voren en zeggen: „zijn wij niet de schoonste van het gansche land'? "
Waarbij de Chr, Gereformeerden dan beweren: „'t lijkt er niets naar; want in de Geref, Kerken is alles tot in hart en nieren onzuiver en bedorven; vernis over verrot hout" — zichzelf daarbq aanprijzend als het in zuiverheid winnend van de zich als zuiver presenteerende „Geref. Kerken."
Waarmee het dan nóg niet uit is. Want de Oud-Gereformeerden zien in de Chr. Gereformeerde Kerk weer geen aasje goed en zeggen, dat het ware volk uit Egypte en uit Babel moet uitgaan om bij hen in te wonen! De een nog „zuiverder" dan de ander!....
„Maar zóo trekken we alles scheef. Dat' is zoo ongereformeerd mogelijk.
En ja, als „de Geref. Kerken" week aan week getuigen van de Herv. Kerk „wij zijn toch maar heel wat „zuiverder" dan gij" — dan zeggen we: best mogelijk!
En als dan de Chr, Gereformeerden beweren, dat het in de Geref. Kerken in leer en leven niets gedaan is, dat het met de prediking, sacramentsbediening en tucht zoo treurig gesteld is en dat het bij hen toch maar heel wat „zuiverder" is gesteld — dan zeggen we: best mogelijk!
En als er dan nog meer zulke stemm-en zich mengen in het koor, dan willen we ook daar antwoorden: best mogelijk! Maar met allen ernst blijven we zeggen tot allen: het gaat in deze niet om de meest „zuivere" Kerk, maar 't gaat om de woire Kerk. En de ware Kerk, ook in haar onzuiverQ. gestalte, mag niet verlaten worden, noch door eenig persoon, noch door een groep van personen, daar allen die zich van de ware Kerk — ook al is zij in onzuivere gestalte — afscheiden, tégen de ordinantie Gods doen.
En dan maar de „onzuiverheid" dulden? Dan maar de afwijkingen laten zooals ze zijn? Dan maar gemeenschap hebben met de onvruchtbare werken der duisternis? "•
Immers neen!
Maar hoe is die „onzuiverheid" in de ware Kerk gekomen ? Wat is de oorzaak, dat er zooveel „afwijkingen" zijn?
Zijn het ook oordeelen en straffen Gods? En hebben we daarop ook acht te slaan, vragende wat we onder de straffende hand Gods hebben te doen?
Een „zuiverder" Kerk oprichiten, naast de ware Kerk, die met zooveel onzuiverheid is gemengd?
Geenszins! , Dat is ongehoorzaamheid en hoogmoed.
Neen, we hebben ons te bukken onder de straffende hand Gods en we hebben te staan naar waarachtige verootmoediging, Om in den middelijken weg op te komen voor de eere Gods en het welzijn der Kerk,
Natuurlijk mogen en moeten we ons niet er toe laten verleiden, om al de „onzuiverheid" maar stil te laten zitten.
Maar dat we van die „onzuiverheid" mede de onaangename gevolgen dragen, moet ons niet er toe brengen om weg te loopen.
Ook moeten we ons niet aanstellen, alsof wij in een oogenblik, en in een bepaalde zaak alles eens „recht" zullen zetten.
Die „rechftzetters bederven het haast altijd. Omdat ze zich in wezen niet solidair voelen onder de straffende hand Gods met Gods ware Kerk, welke lijden moet om der zonde wil. Vergetende ook, dat alle reformatie die zoo echt „gemaakt" is nooit anders dan op iiiets uitloopt.
En daarom als men zegt: de „Herv. Kerk is niet de meest zuivere Kerk; er zijn er wel die zuiverder zijn" — dan zeggen we: 't kan best zijn, hoewel die aoo bij uitstek „zuivere" Kerken wel eens niet mee konden vallen en 't in dié zoo onzuivere Herv. Kerk nog wel eens een weinig beter kon gesteld zijn dan men voorgeeft. Nochtans is en blijft de lijn van onze geref. belijdenis om zich van de ware Kerk niet af te scheiden, ook niet als de kenteekenen van de ware Kerk er slechts gebrekkig zmi; want die zulks doen, handelen tegen de ordinantie Gods.
Maar in de ware Kerk zullen we, waar de Heere er nog 7000 overhield, ons mee bukken onder de oordeelen Gods; we zullen mee voelen met de schuld; roee lijden onder de straffen, mee bidden met de vromen; mee strijden met degenen die God vreezen; mee hopen op Gods beloften, om daarbij te ervaren, dat de Heere een God der trouwe is, die niet laat varen de werken Zijner handen.
„Onze" Herv. (Geref.) Kerk.
In zijn 1ste artikel in de Nieuwe Rotterdammer (13 Mei j.l.) stak professor Visscher min of meer den spot met dat spreken van „onze" Herv. (Geref.) Kerk.
Dat mochten we niet doen. De Hervormde Kerk behoort gelijkelijk aan alle richtingen ; waarbij, volgens prof. Visscher, de modernen bovendien nog de mooiste rol spelen. Er werd in dat verband herinnerd aan Zwolle, enz. '
Nu kan m.en, wanneer men dat leest, z'n oogen toch bijna niet gelooven. Is dat nu een kerkbeschouwing van een gereformeerd hoógl«eraar ? 't Is bovendien de historie een klap in 't gezicht geven.
Wanneer men eens wat moeite deed om de historie van de laatste honderd jaar in biaonderheden na, te speuren, zotf men wel anders schrijven! Maar om feitenmateriaal bekommert men zich dikwijls niet. Als men maar met enkele beschouwingen komen kan.
Eén ding is bg dit alles nu verblg dend, al is 't tegelijk ook wat potsierlijk en vermakelijk.
Want waar prof. Visscher in de kolommen van de liberale Nieuwe Rotterdammer van de Herv. Kerk zegt, dat zij behoort aan alle richtingen, daarbg niet weinig den spot drgvend met degenen die spreken van „onze" Herv. Kerk, vooral met hen die schrgven „onze Herv. (Geref.) Kerk" — daar gaat dezelfde prof. Visscher op het titelblad van esn uitgave van den Heidelb. Catechismus, pas door hem be-> werkt en bezorgd, netjes schrijven.: „onderwgaing in de christelijke leer die in onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk geleerd moet worden. Uitgave met leiddraadbij hetonderwijs van dr. H.Visscher."
Wanneer men dat uitnemende boekje koopt bij Kemink & Zoon te Utrecht, dan kan men zichzelf overtuigen en zien dat de Hervormde Kerk de Gereformeerde Kerk is, dat zij onze Kerk iseu dat in onze Herv. (Geref.) Kerk de leer van den Heidelb. Catechismus, en geen andere, moet geleerd worden. leta wat ons uit den mond van prof. lets wat ons uit den mond van prof. Visscher aangenaam en geenszins verwonderlijk tegen klinkt! De
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's