De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit den Schoolstrijd.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit den Schoolstrijd.

9 minuten leestijd

IV.

Toen Napoleon I eens het graf van Rousseau bezocht sprak hij deze merkwaardige woorden : „Voor Prankrijks rust ware het beter geweest, zoo deze man nimmer had geleefd, want hij is het, die de Revolutie heeft voorbereid."

Waarschijnlijk had de keizer hierbij alleen het oog op de politieke omwente ling, maar het staat vast, dat deze schrijver evenveel kwaad heeft gesticht op het terrein der opvoeding, als op dat der staatkunde. Rousseau werd 'te Geneve geboren, verloor vroeg zijne moeder en werd door zijn vader onder het voorlezen van romans opgevoed. Op zijn veertiende jaar ontvluchtte hij uit vrees voor straf den meester, bij wien hij in de leer was, en ging naar een Róomschen priester, door wiens invloed hij tot de Roomsch-Katholieke Kerk overging. Later kwam hij als opvoeder en onderwijzer bij een familie te Lyon, waar hij slechts een jaar bleef, daar hij voor zijn taak totaal tjngeschikt bleek. In 1741 trok hij naar Parijs, waar hij in onwettige vereeniging leefde met zekere Therèsé, een vrouw uit de minste volksklasse. De vijf kinderen, die. zij hem schonk, leverde hij aan het vondelingenhuis over, zonder ooit naar hen. om te zien. Deze door en door onzedelijke man schreef tal van werken, die np den toestand der toenmalige maatschappij betrekking hadden, en gaf de grondschets van de zoogenaamde „Rechten van den mensch", die zoo'n heillooze uitwerking op het vplk hadden, en mede de groote omwenteling van '89 hebben veroorzaakt.

Op het terrein der opvoeding had Rousseau grooten invloed door zijn „Emile", een werk, dat in 1762 te Parijs en in Den Haag het licht zag. Dit boekje is de vrucht eener overspannen en ziekelijke verbeelding, maar werd als een nieuw Evangelie tot redding der menschheid begroet. In wegsleependen stijl geschreven, bevatte het ' allerlei nieuwe opvoedingsbeginselen, die in lijnrechten strijd waren met de uitspraken van Gods Woord. Had David in den 51en Psalm gezongen: „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen, '' Rousseau leeraarde: „Het kind is van nature goed, maar wordt eerst bedorven door een dwaze opvoeding en vooral door het opdringen van het Christelijk geloof." Prees de Apostel Paulus Timotheus gelukkig omdat hij van kinds af „de Schriften had geweten, die hem wijs konden maken tot zaligheid, " en zegt de Heere in Zijn Woord: „Gij vaders! voedt uwe kinderen op in de leering en vermaning-des Heeren, " Rousseau riep in zijn „Emile" den ouders toe: „Verbant alle leer van God uit de opvoeding, ' en doet uw kinderen eerst op hun achttiende jaar op. merken, wat de natuur ons omtrent het Opperwezen leert, en gij zult een geslacht zien opgroeien, uitblinkend door braafheid en deugd, door hooge zedelijkheid en zuivere godsvrucht."' Maar niet alleea uit Frankrijk, ook uit Duitschland kwam deze stem der verleiding. Ook de Duitsche Philantropijnen zetten Gods Woord op zijde en kozen bij de taak der opvoeding tot wachtwoord: Terug naar de rede en de natuur!

Het door Rousseau uitgestrooide zaad schoot welig op. Allereerst in Frankrijk, waar dfe mannen der Revolutie een wet verlangden, waarbij verboden werd de jeugd het bidden te leeren en tevens werd voorgesteld in de plaats van Vader, Zoon en Heiligen Geest, de namen van drie revolutiehelden te stellen. Dat men echter ook in Nederland aan deze dwaalleer een luisterend oor leende en dit onkruid ook in onzen bodem zijn taaie wortelen sloeg, blijkt duidelijk uit de geschriften der corypheeërt op onderwijsgebied uit die dagen. Zoo wil een Hulshoff, de jeugd in de eerste jaren'slechts den natuurlijken Godsdienst onderwijzen. „Leer de kinderen, " zegt hij, ; , uit de natuur Gods bestaan, almacht, wijsheid, heiligheid, goedertierenheid, alwetendheid en voorzienigheid. Later komt de inhoud des Bijbels, dan de Bijbel zelf a'an de beurt." Chatelain verkondigde als hoogste wijsheid: „Begin vooral niet te vroeg met den .Godsdienst. Verberg zorgvuldig voor uwe kinderen den Bijbel!" En Van der Palm, de bekende kostschoolhouder, bracht allen Godsdienst terug tot de kennis van 't bestaan van God en de onsterfe-Iqkheid der ziel.

Ook bij onze dichters in het eind der achttiende en in het begin-der negentiende eeuw ontwaren we hetzelfde verschijnsel, een algemeene verheerlgking der natuur.

Zoo dichtte Kleijn, een vriend van Bellamy, zijn vermarde ode: Aan de Natuur, met deze regels:

„Natuur, zoo heilig, lief en rein!] Laat in uw spoor mijn voetstap zijn! Gelei mij door 't oneffen land. Gelijk een kind aan 's Moeders hand."

Toen zong de Kinderpoeet Berkhey 'van zijn Nieuwjaarskinderzang voor de lieve kinderen van N.N.

„Kom mgn zusje, laat ons zingen, Volg mij met uw Kinderstem! Geven wij door hupp'lend springen Vroolijk aan Natuurwet klem.'

Rhijnvis Feith laat een stedeling, de Natuur verheerlijkend, uitgalmen:

„O zalig hij, die aan de kimmen Der steden torens slechts ziet glynmen, Maar wien het lot aan 't veld verbindt, En dèar, op dons van malsche zdden. Bij veel genot en weinig nooden, Een hemel in zijn onschuld vindt."

Maar het toppunt van onnatuurlijkheid en gebrek aan* goeden smaak, die we dikwijls aantreffen bij vele dichters, die de Natuur tot hun zanggodin kozen, werd zeker wel bereikt door Olivier Porjure, die zijn beruchten Lentezang opstelde met de verzen: , j

„O Tuinsalaadje! "Beur 't kruintjen opl O lindeblaadje! Zwel uit uw knop! . O Boerenboontje! Draag'tpoezlig kroontje! Kruip, Kïevietszoontje, kruip uit den dop!"

De richting der zedelijk-godsdienstige opvoeding uit dien tijd leert men het best kennen, als men inzage neemt van de beroemde „Brave Hendrik" en de geliefde „Brave Maria." Inplaats van den leerlingen bekend te maken met den Heere Jezus, Die ook voor hen de eenige weg tot zaligheid is, werden deze kinderen hun voorgesteld als idealen van deugdbetrachting. Na een lesje, waarin ' Hendrik als toonbeeld van braafheid en gehoorzaamheid is geteekend, laat de ' schrijver volgen: „Hendrik is er niet trotsch op, dat. hij zoo braaf handelt. Hij denkt, dat ieder zoo moet doen, en hij is daarbij zóo tevreden over zichzelven. dat hij geen andere belooning verwacht." Evenals, de Parizeer in de gelijkenis hooren we Hendrik voor veel danken en ook nog wel bidden, om in het leven gespaard te worden, om vlijtig te leeren en braaf te leven, maar vragen om vei' geving van zonden en vernieuwing de: harten heeft hij blijkbaar niet geleerd.

Waartoe zou het ook dienen? Wanneer hem na een schoolexamen de hoogste prijs wordt uitgereikt, heet het immers; .„Handel altijd zoo braaf, en gij zult bij de heeren, die het opzicht over de school hebben, en bij God bemind worden."

Hendrik is immers „een deugdzaam kind, dat bij God de eerkroon kan verwachten, " „Volgt hem na, en het zal u altijd welgaan." „Kinderen, die met Hendrik omgaan worden nog braver.

Daar deze en dergelijke boekjes op bijna alle scholen werden gebruikt, kweekte men stelselmatig een geslacht, dat zich kenmerkte door zelfvoldaanheid en eigengerechtigheid

Maar, vraagt men, hoe is het mogelijk, dat ons Nederlandsche volk, dat stoere Calvinistische volk zoover op den verkeerden weg kon afwijken? Höe was het zuivere goud van ware godsvrucht zoo spoedig verdonkerd ? Werd de Kerk van Christus niet opgeschrikt door de verkondiging dezer verderfelijke leer en herkende ze deze stem niet, als die van haar ouden vijand, den leugenaar en menschenmoorder van den beginne? Helaas, neen. De Gemeente des Heeren had geen acht geslagen op het woord van haren Heiland: „Waakt dan te allen tgd!" en was in diepen slaap gedommeld.

Na een tijdperk van bloei, kreeg men in ons vaderland de rust lief en begon op geestelijk en stoffelijk gebied te teren op de schatten, door de voorouders verzameld. Het levend geloof, dat eertijds zulke heerlijke vruchten had gedragein, had big velen plaats gemaakt voor een dood orthodoxisme. Op verflauwing van geloof volgde zedenbederf en dit voerde op zijn beurt weer twijfeling en ongeloofmet zich. Niet opeens waren deze verkeerde ideeën er bij ons volk ingekomen.

Het pad was te voren langzaam, maar zeker geëffend. Leerden b.v. de mannen der Hervorming, dat in het geloof in Jezus Christus het hoofddoel der opvoeding ligt, reeds Mogtagne (1592) was opgetreden, met de grondstelling, dat het bij de opvoeding voornamelijk gaat om de ontwikkeling des verstands en John Look, (1621—1704) een Engelsche wijsgeer ging nog een stap verder door te beweren, dat gelooven vervangen moest worden door denken en redeneeren.

Zoo werden allerlei ketterijen onder ons volk ingevoerd en verbreid. De leerstellingen, in de Belijdenisscbriften vervat, werden door velen niet langer beschouwd als gegeven, om ze met een geloovig hart aan te nemen als „een wet, om naar te leven, " maar uitsluitend om er over te twisten. In de Ned. Herv. Kerk zelve werd op zuiverheid der leer weinig gelet en de regenten, veelal nakomelingen van de Libertijnen uit de 16e of van de Remonstranten uit de 17e eeuw lieten allerlei wind van leer oogluikend toe en kozen bij conflict bqna altijd de zijde der dissenters. In 't eerst hield de nawerking van het Calvinisme het bederf nog tegen, doch toen de predikers van het nieuwe Evangelie al driester optraden en de getrouwe leeraars wegstierven, toen ontstond in de Kerk een toestand, die ons door Groen van Prinsterer als volgt wordt geteekend: „Geen waarheid, die onaangeroerd bleef Christus, God geopenbaard in het vleesch, wordt een Goddelijk, een hooger dan de overige geschapen wezens genoemd; de Heilige Geest, Dien de Christenheid, op grond van den Bijbel, naast den Vader en den Zoon aanbidt, ie slechts een Goddeiqke kracht; de erfzonde een zedelijke verdorvenheid, zwakheid, onvolkomenheid geworden; in het lyden en sterven van den Middelaar wordt geen verzoening, geen voldoening, geen lijden in onze plaats, geen dragen van de straf onzer ongerechtigheden, niets dan een blijk van algemeene menschenliefde erkend; van wedergeboorte, bekeering en heiligmaking heeft men zedelijke verbetering, begin en voortgang van deugdbetrachting gemaakt; en de hemel is voor elk, die geen grove, uiterlijke .zonden begaat, met een onbekrompenheid, die gedurig ruimer wordt, opengesteld."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juni 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit den Schoolstrijd.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juni 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's