De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

14 minuten leestijd

Het kerkelijk vraagstuk.

We hadden reeds gelegenheid op te merken hoe wonderlijke beschouwing prof. Visscher heeft aangaande de Ned, Herv. Kerk, Een belijdenis heeft ze niet, 't Is slechts een verzameling van allerlei richtingen, welke allen even veel — of even weinig — recht hebben. De oplossing van het probleem der Ned. Herv, Kerk, is dan ook eigenlqk zoo eenvoudig mogelijk. Samen alles deelen. Ieder dan het recht van zelfbeschikking, al naar z'n aard en wezen is. Waardoor tal van Kerkjes ontstaan, zooals 't straks ook — zoo luidt de profetie — de Donau-monarchie zal vergaan en zooals 't in Rusland fteeds . feit is gemorden. Denk aan Polen, de Óekraine enz.

We hebben dus eenvoudig uit te rekenen hoeveel de kerkgebouwen waard zijn, ! hoeveel kerkegoed er is, hoeveel geld de, diaconie bezit enz., om dan de totaalsom te deelen door het aantal zelfstandig , georganiseerde kerkelijke partijen, waarbij men dan precies weten kan op welk deel iedere richting „recht" heeft. •

Zoo kan dan straks ieder bepakt en beladen zijns weegs gaan en het kerkelijk probleem is opgelost. Waarbij het uitzicht op die nieuwe kerkformaties even vriendelijk en weldadig aandoet als een blik te slaan op de nieuwe wijken van een stad, die in de plaats gekomen zijn van onbewoonbaar verklaarde buurten of die gebouyird zijn op ingepolderd land. Alles is even ruim en frisch, even nieuw en schoon !

Of dat nu in de lijn van Groen van Prinsterer ligt, — in welke richting we ons wilden gaan bewegen bq de oprichting van den Geref. Bond — valt met ernst te betwijfelen. En dat zulk een beschouwing heel de historie van., onze Kerk, van de laatste eeuw genomen, onderstboven keert, is gemakkelijk te begrijpen, voor ieder die ook maar eenigszins de dingen gevolgd heeft.

We meenen dan ook, dat naar geheel andere beginselen zal moeten worden uitgestippeld wat men wil. Gelijk prof. Visscher dat vroeger trouwens ook wel heeft gedaan, We wezen reeds op zijn uitgave van den Catechismus, Zoo'n titel spreekt voor zichzelf. En als we een oog slaan in een ander boek van zijn hand, dan merken we hetzelfde, We bedoelen zijn „Christelijke Ethiek, " Als we daar op blz. 9 lezen: „Elke theologische ethiek is dus confessioneel bepaald. De Hervormde theoloog kan dientengevolge slechts zulk eene ethiek' voordragen, die aansluit bij de confessie zijner Kerk' — waarop dan dadelijk volgt: „De Gereformeerde theologie onderscheidt zich enz.", dan bemerkt ook daar ieder, dat het voor prof. Visscher zoo ongeveer zóó staat: de Hervormde Kerk heeft een belijdenis; en haar belijdenis is een uiteenzetting van de Gereformeerde waarheid. En zoo is het.

De Ned. Herv. (Geref.) Kerk, die deerlijk in verval is, omdat zij onverantwoordelijk slap geweest is in het dulden van allerlei afwijkende leeringen, waarbij haar ook zoo lang Allerlei in den weg is gelegd — is nochtans in aard en wezen de Geref. Kerk, de wettige voortzetting van de aloude Geref. Kerk dezer landen, in welke Herv.(Geref.) Kerk vele elementen samenwonen die niet-bij elkaar hooren en ook uit elkaar moeten, om dan weer in haar midden terug te krijgen die van haar uitgingen en toch van haar waren, krachtens hun gereformeerd gelooven en belijden.

Om dus van onze Herv. Kerk te zeggen dat zij slechts een schijnkerk is, zonder meer; om te verklaren dat zij slechts een verzameling is van verschillende partgen, welke evenveel „recht hebben en waarbij de modernen eigenlijk nog de mooiste rol spelen ; om te lachen om die benaming van „Gereformeerd". Dat alles past aan een Gereformeerd man niet, die de historie vah zijn Kerk en van zijn volk kent; die zich op Groen van Prinsterer wil beroepen; die een goede en rechtvaardige oplossing van het kerkelijk vraagstuk zoekt.

Prof. Visscher komt dan ook in deze met niemand minder dan met zichzelf in strijd. En daarom volgen we hem ook niet bij zijn speculaties van den laatsten tijd. Ook niet, als, hij daarbij wijst op de groote crisis die er is en komen zal. Zoo'n crisis dringt ons te meer om in wegen van recht en gerechtigheid te wandelen, met vasthouden van onze geref. beginselen, aansluitend aan de historie welke! God gemaakt heeft. We verachten, de dingen niet die achter ons liggen We strekken ons uit naar de dingen die voor ons liggen. En in alles houden we vast aan de rechten van onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk.

Dat we dus ook haken naar het oogenblik, dat de Herv. (Geref.) Kerk zich elders komt te openbaren, ligt voor de hand. Men weet dat ook. Waarbij we ons niet op den mond laten slaan door iemand die zegt: ' „als ge niet wilt wat ik wil, dan meent gij het niet ernstig met uw zeggen naar verandering te staan." Die zóo logisch weet te redeneeren moet eerst maar eens een weinig tot zichzelf komen, om dan te beseffen dat men onecht doet aan iemand als men zóó het criterium stelt.

En daarom, zeker! wij wenschen har­telijk naar verandering, naar groote verandering. Heel onze, kerkeligke organisatie is verouderd. Heel ons kerkelijk, samenleven is bedorven. We haken naar iets nieuws, naar iets beters — naar de lijnen van onze Geref. belijdenis en van Geref. kerkrecht te verkregen!

Hoezeer we dus verschillen van prof. Visscher in het kiezen van den weg, omdat we onze Herv. (Geref.) Kerk anders bezien dan hij, is er in zijn toekomstdroom — natuurlijk! — heel veel wat ons aantrekt. •

En daarom laten we nu ook zijn 3de artikel, geschreven in de Nieuwe Rotterdammer van 16 Mei jl. hier volgen,

In het eerste gedeelte van dit artikel haspelt de hoogleeraar leelijk 'de dingen door elkaar, sprekende-van de mug en van den kernel, niet voelend dat hier een verschillende beschouwing met betrekking tot onze Herv, (Geref.) Kerk ten grondslag ligt — wat juist zoo fataal is. In het tweede gedeelte van het artikel geeft hij een mooi perspectief van het Utrechtsche voorstel en laat ons — misschien wat ontijdig nog — achter de schermen zien, daarin ons meedeelend wat het eigenlijke doel van den Modusvivendi is (de waarheid achter de waarheid, of de waarheid waar het eigenlijk om gaat).

Zonder commentaar laten we het geheele artikel nu volgen. Prof. Visscher schrijft dan:

„Zoo bleek dus dat de wijze, waarop het kerkelijk vraagstuk wordt behandeld, tot misverstand leiden moet en dat hetgeen de historie ons van de partijen te zien geeft, weinig hoopvol is voor eene oplossing Wie' deze dingen in aanmerking neemt, kan zich niet verwonderen, dat het Utrechtsche voorstel niet ten volle is doorgedacht en doorzien. Inzonderheid de confessioneele partij is zoo bevangen in haar oordeel over het kerkelijk vraagstuk, dat haar orgaan lang v^or dat bekend was wat de commissie zou opdienen, het vonnis reeds geveld had. Het werd reeds verwerpelijk verklaard, zonder dat de inhoud ook maar bij benadering bekend kon wezen, Zooiets is slechts mogelijk bij eene vastroesting in dogmatische vooroordeelen. Waar de blik op de vraagstukken zoo vertroebeld werd, daar kan zelfs van menschen, aan wier oprechtheid en welwillendheid niet getwijfeld mag worden, goed lezen niet meer worden verwacht.

Dat het Utrechtsche voorstel iets anders bood dan het Reglement op de filiaal-gemeenten, kan mr. Schokking niet inzien. Men dacht zélfs aan èen overstag gaan van schrijver dezes. Toch is niete minder waar dan dat. Onder de heeren die in de commissie zitting hadden, was er niet één, die niet hiervan volkomen was overtuigd, dat er van geen doeltreffende oplossing sprake kon zijn zonder dat de verschillende richtingen volkomen vrijheid erlangden om geheel in overeenstemming met hare beginselen ook haar kerkelijk leven in te richten. En zouden, nu de heeren Schokking en Niemeyer waarlijk van oordeel zijn, dat schrijver schrijver dezes, waar het niet zqn  eigen beginselen gold, zoo naïef was geweest, dat hg vergeten had hoe naar gereformeerde beschouwing de kerk niet meer dan ééne confessie en dus ook niet meer dan ééne evangelieprediking mag toelaten ? Indien de heer Schokking het stuk. maar gelezen, d, w.z. waarlijk gelezen had, dan zou het hem niet ontgaan zijn, dat voor elke groep de volkomen vrije handhaving van het kerkbegrip gehandhaafd was, daar er natuurlijk van geen bevrediging sprake kon zijn, als wq gereformeerden de kerk, gelijk wij haar volgens onze confessie belijden, zouden moeten ten offer brengen. Hoe komt het, dat de heer Schokking en vrqwel alle confessioneeten met hem het verschil niet kunnen inzien tusschen wat het Utrechtsche voorstel bood en thans door de vrijzinnigen wordt gevraagd?

Dit is slechts hieruit verklaarbaar, dat zy zich zelfs niet hebben ingedacht in hetgeen door de Syoode aan de commissie werd verzocht Er was uitdrukkelijk gevraagd naar een modus vivendi, waarbij onder handhaving van de administratieve eenheid der kerk aan de verschillende richtihgen eene vreedzame samenleving wordt mogelijk gemaakt. Administratieve eenheid is toch iets anders dan geestelijke eenheid. Het begrip van het administratieve sluit het geestelijke leven uit. Waar stuiten wij nu het eerst op de organisatie ? Natuurlijk in den kerkeraad, dus de kerkeraad moet een administratief lichaam worden, moest naar zijn aard geheel iets anders worden dan hij thans onder ~ de organisatie is. Hij móést worden omgezet in een administratieven factor, zeg dan liever in een soort commissie" voor kerkelijke zaken. In het Utrechtsche voorstel was dan ook verondersteld, dat de metamorphose der hedendaagsehe organisatie in een puur administratieve zou beginnen bij het begin, dus bij den kerkeraad. In het Regl. op de Filiaalgemeenten is daarvan geen sprake. Dit reduceert den tegenwoordigen kerkeraad niet tot eene administratieve commissie. Het Utrechtsche voorstel ging uit van de veronderstelling, dat uit de gemeentekerken, in overeenstemming met de beginselen waardoor zij gedragen werden, kerkeraden of bestuurscommissies zouden opkomen. Alles wat op het geestelijk leven betrekking had, wilde het immers uit de organisatie overbrengen naar dé gemeente. Wat nu kerkeraad heet, zou volkomen ontgeestelijkt worden. Neem b.v. Leiden. Als het. Utrechtsche voorstel was doorgevoerd, zou mr. Schokking met zijne collega's van gereformeerde belijdenis gemetamorphoseerd zijn in dienaren des Woords der Geref. gemeentekerk aldaar. Daarin zou zich een kerkeraad geconstitueerd hebben, als men gewild had zelfs conform met de voorschriften der Dordtsche kerkorde. Natuurlijk, eihiscben en modernen hadden zich op hunne wijze geïnstalleerd. Maar wat nu Leidsche kerkeraad is, zou langzaam maar zeker tot een administratieve commissie zijn vergroeid. Zulk een commissie had juridisch en voor de regeling van hetgeen met het oog op de nieuwe orde van zuken regeling behoefde, nuttig werk kunnen doen. Voor de Gereformeerden in Leiden zou echter de weg voor nieuwe levensontplooiing geopend zijn. De tegenwoordige kerkexaad zou ontgeestelijkt zijn en van den kerkerrad der Gereformeerde gemeentekerk zijn uitgegaan de oproep tot den dienst des Woords en de bediening der sacramenten, voor de vrijzinnigen en ethischen van de bestuursorganisaties, die zij zich verkozen hadden. Maar geen groep zou meer door de commissie, die uit den huldigen - kerkeraad zou gegroeid zijn, worden saamgeroepen.

Het spreekt echter van zelf, dat niet als met een tooverslag dit alles was volvoerd en tot de uiterste consequentie doorgezet. Geleidelijk zonder al te groote schokken, procesmatig zou het zoo geworden zijn. Gemeentekerk na gemeentekerk zou zich geconstitueerd hebben; plaats na plaats zou gevolgd zijn. Uit onze abnormale verhoudingen zou zich weder een normaal kerkelijk leven hebben kunnen ontwikkelen. Geen kerkeraad eener gemeentekerd zou hebben moeten dulden dat in zijn naam geschiedde wat het reglement op de filiaalgemeenten eischt van den tegenwoordigen kerkeraad. De tegenwoordige kerkeraad zou als kerkeraad verdwenen zijn. Zoo zou er dus een vreedzaam samenleven, een naast elkander leven onder de administratief geworden organisatie mogelijk zqn geweest. Vanuit den kerkeraad zou zich de administratiefwordiog hebben voortgeplant door alle besturen heen. Maar daarmede is niet gezegd, dat zulk een administratieve organisatie eeuwigdurend zou gebleken zijn. Het leven staat nooit stil, beginselen dragen con^ sequenties ia zich, die langzaam tot ontwikkeling komen. Waarom zou dat in dit geval niet gelden? Het was immers slechts een modus vivendi en dus bestemd om voor te bereiden op nieuwe toestanden. Hoe die zouden kunnen zijn, daarover was het prematuur geweest zich uit te laten. Als zij zouden geleid hebben tot een uiteengaan, omdat heel de organisatie zich ook administratief had overleefd, welnu, gelijk ik gezegd heb, waarom zou ik mij daarover beklagen? Het schijnt mij niet beklagenswaardig, als de verschillende richtingen zelfstandig worden. Als zij uiteen groeien, zooals zij toch immers, uit beginsfüloogpunt gezien, reeds uiteengegroeid zijn, en zelfstandige kerkformaties worden, welk bezwaar kan daartegen zijn ? Zoodra het administratieve verband was overbodig geworden en afgegleden van de schouderen, omdat het zijne functie had vervuld, zou en mocht het verdwijnen. Maar dat sluit niet uit, dat zoolang deze administratieve grootheid er was, vredig naast elkander wonen toch mogelijk bleef.

In de stukken zyn alle deze opmerkingen te vinden. Zoowel in het voorstel als in de toelichting staat het er, voor wie zich de moeite geeft werkelqk te liezen en 'te verstaan. En alle leden der commissie waren het over al deze dingen eens. Ook schrijver dezes, overtuigd, dat op deze , wqze ook de belangen en de beginselen der gereformeerden gewaarborgd werden en de weg geopend werd tot een verjongd kerkelijk leven. Nu beweert men wel, dat het niet op de goederen-kwestie is afgestuit. Als men de partqen gelooven wilde, wordt om de goederen zoo wat niet, om de beginselen uitsluitend gestreden. Zonder de goedereu was echter het vraagstuk, o, zoo gauw opgelost. Dat het ook in deze zaak op de bezittingen hokte, moge blijken uit de argumenten, die zijn aangevoerd. Het werd, behalve dan om de beginselten, onpractiseh verklaard, want hoe moest het met de kerkgebouwen ? Van een gemeenschappelijk gebruik der kerkgebouwen gruwde men, van een toestaan van een gebouw aan modernen, daarvan kon heelematal niets komen. Modernen hebben geen rechten, volgens vele dezer kerkreformatoren. Het volk zou er niet toe te krijgen zijn, het volk zou het niet duiden: „op een kansel 's morgens de leugen en 's avonds de waarheid, " Deze en dergelijke stemmen werden vernomen uit den mond van allerlei menschen, maar van confessioneelen het meest. De mug van een gemeenschappelijk gebruik van gebouwen werd uitgezijgd, maar dat uit het oogpunt van beginsel en consequentie datzelfde volk stelselmatig groote kemelen doorzwelgt, het deert de partijen niet. Onder de narcotische Verdoovingsmiddelen hebben zij ook de chloroform der, vrome phrasen, der holle woorden, soms zelfs doorspekt met de tale Kanaans. Het struikelblok was niet het beginsel, maar het kerkelijk goed en de geestelooze inertie der zoet gehouden massa.

Maar gelijk ik in den aanvaiig opmerkte, napleiten ligt niet in mijne bedoeling. Er zijn in de historische ontwikkeling keerpunten. Dan wordt of een stap gedaan, die de richting aanwijst voor de toekomst, èf een stap nagelaten, waardoor ook de toekomstige ontwikkeling wordt beheerscht. De historie doet zelve recht over positieve en negatieve daden. Ook in het kerkelijk vraagstuk, dat de Herv. kerk stelt, is dit van. toepassing.

Als de partijen blijven zooals zij zijn, dan zal de ure komen, waarin de Herv. kerk geworpen wordt in den socialen smeltkroes. Dan zal met en door eene crisis dezelfde toestand geboren worden, dien de modus vivendi ons langs den weg eener geleidelijke ontwikkeling had gebracht. De kracht der organisatie schuilt niet in de geestelijke wortelen, die haar dragen, maar in de zilveren spil, waarop zij staat. Als die afbreekt, is haar kracht vergaan. De historie scheidt, wat niet bij elkander behoort krachtens het leven. Een tijdlang moge geweld en macht schijnen samen te kunnen houden of brengen wat heterogeen is en eigen levenswetten heeft, blijvend kan zulk een dwiuggende macht niet zijn. Reactie tegen den levensgang uit star conservatisme geboren heeft schadelijke gevolgen. Het kerkelijk vraagstuk zal blijven klemmen, zich steeds meer op den voorgrond dringen. De partijen, inzonderheid de confessioneele moge toezien; dat hare reactie niet leide tot het tegendeel van hetgeen zij nastreeft. De confessioneele groepen wilden het Utrechtsche voorstel niet, omdat het te radicaal aan het werkelijke leven recht liet wedervaren. Op diezelfde confessioneele groepen rust de verplichting nu andere en betere wegen te wijzen, die in overeenstemming met hun beginselen waarlijk tot een oplossing voeren kunnen. Aan de confessioneelen, die immers het sterkst in aantal zijn onder predikanten en ouderlingen, is nu de beurt. En mr. Schokking kan er zich van verzekerd houden, dat ik met blijdschap elk ander voorstel zal begroeten, dat de vrije geestelijke ontwikkeling aan de met elkander worstelende richtingen waarborgt. Zoo weinig wenschten wij het met een professoraal woord op te dringen, dat wij het gaarne geven voor het betere, dat wij nu van de confessioneelen verwachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juni 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juni 1918

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's