Stkhteïijke overdenking.
En, hen buiten gebracht hebbende, zeide hij : lieve heeren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde ? En zij zeiden: geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, ' gij en uw huis. Hand. 16:30, 31.
Gelooft!
De hemelsche boodschap van Gods gerechtigheid en genade in den Heere Christus en vrede door het geloof te midden van een wereld van opgerechtigheid, behoudt hare beteekenis en blijft 't Woord eener Wijsheid, die dwaasheid ontdekt, en 't remedie is, zoo absoluut, dat een volk zonder de rechte kennis in zijn verlorenheid omkomt, terwijl het door geheiUgde kennis daarvan ware levenskracht en levensmoed bekomt.
Met den dag wordt zë noodiger, die kennis van Gods Waarheid, en met den dag wordt de behoefte daaraan dringender.
't Is zoo telkens de opmerking van wijze mannen, dat de volkeren bij'gemis aan de ware kenuisse Gods hoe langer hoe dwazer worden en. aichzelven ten ondergang spoeden, 's Heeren leidingen zijn zoo wonderdiep!
Als er goud in den bodem zit en de mensch het niet weet en niet' zoekt, dan leidt de Heere soms den stroom des levens zóó diep, dat de goudkorrels bloot komen te liggen.
Door geweldige stormen woelt het slib naar boven en de machtige golf voert het over de velden tot nieuwe vruchtbaarheid.
Ook thans is er een bang uitzien naar den Heere, dat Hij redding nabij brenge ; en de stormen over de volkeren-zee vruchtbaar makel
De onkunde is zoo groot; misverstand brengt allerlei dwaasheid voort; de eenvoudigste waarheden kent men niet meer of misbruikt die tot anderer schade.
Kort geleden spraken - twee menschen, gezeten bij de sponde eener kranke. Het ging over de boodschap aan de kranken te brengen.
De eene zeide: 'ik zeg maar: , gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden." Een goed woord, dacht de andere, dbch voegde er bij, dat er nog wel iets meer en iets anders te zeggen was, want als in den Heid. Catechismus de heerlijke troost gesteld is in vraag I, dan wordt gevraagd in vraag II: Hoeveel stukken zijn u noodig, opdat gij in dezen troost zalig leven en sterven moogt?
Zij werden het wel zoowat eens, althans de eerste hield zich wat stil. Of ae zich gevangen gaf, weet ik niet.
Wat bleek nu uit die kleine ontmoeting? Immers dat er menschen zijn. Christelijke menschen, die heerlijke waarheden uitspreken, zonder op 't verband te letten. noch op de personen tot wie ze een woord zeggen, en dat ze vaak zelf den zin en beteekenis van dat woord niet verstaan.
Daar zijn nog vele menschen, welke u zeggen, dat ze wel in Christus gelooven, doch als ge vraagt: in welk een' Christus? en onderzoekt, wat ze eigenlijk denken, dat geloof is en wat er noodig is tot het „gelooven", in Hem, dan blijkt alweer de grootste misvatting, zoo niet de schromelijkste onkunde.
Het antwoord van Paulus, aan den stokbewaarder te Philippi gegeven, is voor een verlegen zondaar ontroerend schoon, doch hij heeft dok behoefte aan dien Geest, die alleen de genade des geloofs geeft ea het voorrecht om dat geloof te oefenen schenkt. Miskenning van het werk des Heiligen Geestes, van den Derden Persoon van 't Goddelijk Wezen, is veelvuldig, als ge toekomt riet zoo2seer aan beschouwingen over, doch aan de bevinding van de Waarheid Gods welke in Christus Jezus is.
De stokbewaarder in Philippi was gerustgesteld.
Meenende, dat de gevangenen ontvloden waren en dadelijk denkende aan zijne verantwoordelijkheid, grijpt hiij naar zijn zwaard en zal zich maar in den dood storten, met een lichtvaardigheid, gelijk zoovelen in dien weg zijn ondergegaan. Het woord des apostels: „Doe uzelven geen kwaad, want wg zijn allen hier", stelde hem gerust. Die natuurlijke ontsteltenis moest wijken. Even wat verstrooiing gezocht, wat kalmeering van zijn geschokt zenuwgestel en de zaak komt klaar, 't Is zoo met duizenden gegaan. Enz.
Maar als de Heere door Zijnen Geest een „man in de gevangenis" komt opzoeken met Zijn heil, door hem te ontdekken aan zijn toestand en heel zijn gevaar voor eene eeuwigheid voor de oogen stelt en hij ziet, dat hij leeft op den rand, van den poel des eeuwigen iVerderfs, dan gaat het hem als een mijner vrienden weleer, die in den aanvang zijner ontdekking niet durfde slapen, uit vrees, dat hij in den nacht slapende zou .opgeroepen worden en ontwaken in 't eeuwig verderf. Komt de Heere met zonde bekend te maken en dat wij God daardoor „schrikkelijk vertoornd" hebben en dat onae schulden zoo groot zijn enz., dan gaat er van binnen wat anders om dan in radeloosheid wegens drukkende omstandigheden; en in die smartelijke ontsteltenis helpt maar één middel en dat middel is het oprecht geloof, en in die verlegenheid — ik omschrijf die thans niet nader — komt de vraag: wat moet ik doen, om zalig te worden ?
Dan is die vraag wat meer dan een vraag van fatsoenlijke belangstelling, of zekere „neutrale waardeering" in Christelijke waarheid. 'tis er dan met om te doen om eens z te hooren, wat die Paulus zeggen zal, met de gedachte om ondertusschen zgn eigen opinie te volgen; o neen! 't is om redding, om ontkoming te doen uit zoo groote (en diepe I) ellendigheid, omdat men allen grond onder zich onder den voet voelt ontzinken, en alle zeilen stuk zijn geslagen en men zelf niet meer roeien kan, maar de riemen maar binnen boord haalt. Wat weg moet het met mg uit, om zalig te worden?
Wel vroeg een enkele later, welke beschouwing en welke gedachten deze man wel gehad heeft over „zalig worden", 't Waa toch zoo'n heidensch m^n, en de oude Grieken dachten daar zus over.
Wij vragen daarnaar ook, doch hebben als antwoord, dat, als de Heere iemand onder Zijne bewerking neemt, de kennis wel recht is van eigen ellende en de menach daardoor verbroken wordt en begeert gebracht te worden in de gemeen schap Gods.
't Is wonderlijk, hoe in de mededeeling des Geestes er een kennis ontstaat van ellende, rampzaligheid en hartelijke begeerte om ontheven te worden van het vonnis des doods en allerlei noodige wetenschap, aoodat menig „geleerd" mensch «ich verwondert hoe Bulke „eenvoudige en gewone" menschen zoo kunnen redeneeren uit en overeenkomstig Gods Woord. Er moet een geleerd man in Nederland zijn, wien de ontdekking, dat zulke „ongeleerde" zielen zoo grondig over de leer der godzaUgheid spraken, middel tot bekeering werd.
De cipier in de gevangenis wordt overtttigd door den Heiligen Geest van zijn vreeselijken toestand; hij ziet zich rampzalig en uit dat gezicht komt de vraag naar de zaligheid, naar raad Gods uit den mond dezer dienstknechten,
In de ware erkentenis zgner gansche verlorenheid, is er hope in zijn harte, dat er nog mogelijkheid is ook voor hem, omdat de Heere in het dal Achor de deur der hope heeft, en altijd weer opent.
Op de vraag der rechte verlegenheid slaat dus 't antwoord van Paulus.
Niet, dat wij / zouden ontkennen, dat hierin, ook in 't algemeen, de weg wordt aangewezen; niet, dat wij wilden tegenspreken, dat hierin is aangewezen de roeping van allen, die onder't Evangelie leven; niet dat wij oordeelen, dat de eisch van geloof en bekeering niet moest uitgebracht en dat die boodschap niet ernstig is. „Want God betoont ernstig en waarachtig in Zgn Woord, wat Hem aangenaam is; nl, dat de geroepenen tot Hem komen. Hg belooft ook ernstig allen, die tot Hem komen, en gelooven, de rust der aiele en het eeuwige leven." Niet, dat wij de aware verantwoording zouden loochenen, welke ligt op allen tot wië't Evangelie Gods komt; doch er is eerst recht plaata voor dit antwoord, als er kennis is van den verloren toestand en gevoelen, dat wg de zaligheid derven en ons zelven groot kwaad hebben gedaan, toen wij van God afvielen en dagelijks onsj^lven kwaad doen, indien we het Evangelie onrein achten en het bloed des Nieuwen Testaments vertreden. Dan komt er behoefte om dat middeZ ('t geloof) te kennen, en genade deelachtig te worden om dat middel ten zegen te gebiuiken.
Dan komt een mensch het zegel te hechten aan Gods Waarheid, en aan de etuigenis, welke God getuigd heeft aanaande Zgnen Zoon en Diens zalig en zaligend werk.
Gelooft in den Heere Jezus: dat houdt in de overreedheid des harten, om dat getuigenis.'met kracht toe te stemmen, in liefde te aanvaarden en voor zichzelven genade te zoeken om zich op den Heere, in het woord Zijner belofte, te verlaten. Het is dus, alsof Paulus zeide: neem de toevlucht tot Jezus, als volkomen genoegzaam voor uwe zóndaarsbehoeften, en zeg tot uwe ziele: Assur zal ons niet behouden .
Van eigen werk en schepselen hulpe af tot het volkomen werk van Christus henen, aangrijpende Zijne sterkte, als de hoornen des altaars.
En zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods ie worden, nl. die in Zijnen Naam gelooven.
Zoo is de weg aangewezen, en aangezegd welk het middel is, waardoor de Heere zielen ontlast en vrede geeft.
Niet, dat wij hierin hebben te lezen, dat de apostel van gedachte zou zgh, dat een mensch dit uit zichzelven kan, daar wij weten, dat hij schreef aan die van Efeze: Uit genade zgt gij zalig geworden, door H geloof, en dat niet uit u, 't is Gods gave. Het toebrengen tot de schaapskooi is het werk van den oppersten Herder en Hoeder der schapen.
De Heere neigt niet alleen 't harte tot de vreeze Zijns Naams, maar brengt ook den wasdom aan de plante des geloofs, zoodat het van toevluchtnemen komt tot een meer toevertrouwen en straks tot een zich verblijden in den Rotssteen des heils. Wiens werk volkomen is.
Wij worden niet geboren met het vermogen des geloofs in de ziele en kunnen zonder de invloeiden des Heiligen Geestes dat vermogen niet te werk stellen, noch oefenen.
Daar is veel aan gelegen om dit wèl te verstaan, opdat wg niet onszelven of anderen bedriegen zouden.
De eisch des geloofs komt tot ons: opdat wij door rechte overtuiging de onbekwaamheid zouden erkennen en bij den Heere smeeken: Geef mij, arme, genade des geloofs en laat mij de invloeden üws Heiligen Geestes niet ontbreken, waardoor ik, met verloochening van mijzelven en alle andere dingen en schepselen, op U mag verlaten, als de eenige oorzaak der zaligheid in heel het werk der toeëigening en der toepassing.
Hoe het precies verder is gegaan met den man in de gevangenis, weet ik niet. Maar dat een volk, dat de dierbaarheid van Christus erkent, heel wat heeft door te maken, eer het komt tot die betrouwende overgave van zichzelven en de bewuste toeëigening van Christus en al Zijne weldaden, weet ik wel.
't Is wat grootsch in uwe oogen, als een mensch in verlegenheid wordt getroost door den Heere en van Hem alleen alles goeds mag verwachten. En in den Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, 't gansche zaad van Israel!
Houdt u naarstig aan 't Woord Gods en in Zijnen geordendep weg; wie weet hoe spoedig Hij uwe begeerte vervult en u geeft de rechte vertroosting en de zalige blijdschap in den weg des geloofs.
Straks komt ook tot beschaming tot u de vraag: Heb Ik u niet gezegd, indien gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult? '
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juni 1918
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's